Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2449

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
26-06-2017
Zaaknummer
23-000284-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging van het vonnis waarvan beroep wegens proceseconomische redenen. Veroordeling wegens schuldwitwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000284-17

datum uitspraak: 13 juni 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 23 januari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-223608-16 tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

30 mei 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juli 2016 tot en met 28 juli 2016 te Haarlem, althans in Nederland, een aggregaat (merk Honda, type EU30IS), althans een goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die aggregaat wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd vanwege proceseconomische redenen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 27 juli 2016 tot en met 28 juli 2016 te Haarlem, een aggregaat merk Honda, type EU30IS, heeft verworven, terwijl hij ten tijde van het verwerven van dat aggregaat redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Bewijsoverweging

De verdachte heeft in hoger beroep verklaard – zakelijk weergegeven – dat hij het aggregaat te goeder trouw voor een zijns inziens redelijke prijs had gekocht en dat hij niet wist en redelijkerwijs niet had moeten vermoeden dat het aggregaat van misdrijf afkomstig was.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt:

De verklaring van de verdachte volgend, heeft hij van een jongen ‘die hij wel eens eerder had gezien’, maar waarvan hij niet eerder een goed had afgenomen, een aggregaat gekocht toen die jongen dit apparaat aan de verdachte in zijn witgoedwinkel aanbood. Het hof stelt vast dat een aggregaat een voor de witgoedhandel atypisch/branchevreemd goed betreft, hetgeen bij de verdachte de vraag had moeten doen rijzen waarom een hem in feite onbekende jongen hem dit goed te koop aanbood. Desalniettemin heeft de verdachte, zonder het stellen van enige vraag over de herkomst van het aggregaat en naar de identiteit van de verkoper en zonder enig ander onderzoek, volledig kritiekloos het aggregaat gekocht. Dit terwijl van hem als handelaar in goederen extra waakzaamheid mag worden gevergd met betrekking tot de herkomst van door hem te verhandelen goederen. Aldus heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof schuldig gemaakt aan schuldheling.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

schuldheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 600,00 euro, subsidiair 12 dagen hechtenis waarvan 300,00 euro, subsidiair 6 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 600,00 euro subsidiair 12 dagen hechtenis waarvan 400,00 euro subsidiair 8 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen, waardoor hij een afzetmarkt voor gestolen goederen heeft gecreëerd. In zijn nadeel weegt voorts dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 mei 2017 eerder, zij het geruime tijd geleden, wegens een soortgelijk delict onherroepelijk is veroordeeld. Gelet hierop is in beginsel een deels onvoorwaardelijke geldboete passend en geboden. Het hof zal echter, gelet op de gebleken beperkte draagkracht van de verdachte, volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. J.L.M. Boek, in tegenwoordigheid van S.E.F. Rahimbaks, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

13 juni 2017.

mr. J.L.M. Boek is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.