Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2403

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
200.119.999/01 en 200.124.017/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling van gronden in gemeenschap. Waardebepaling na deskundigenbericht. Aan toedeling te verbinden meerwaardeclausule.

Artikelen: 3:185 BW

Zie ECLI:NL:GHAMS:20132094, ECLI:NL:GHAMS:2013:4887, ECLI:NL:GHAMS:2014:2990, ECLI:NL:GHAMS:2015:2705.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummers : 200.119.999/01

200.124.017/01

zaaknummers rechtbank Noord-Holland (Haarlem) : 185629/ HA ZA 11-1010 : 173253/ HA ZA 10-1241

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 juni 2017

inzake

(200.119.999/01)

1 [appellant sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos te Wassenaar,

2 [appellante sub 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

appellante,

advocaat: mr. F.J. Kremer te ‘s-Gravenhage,

tegen:

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats 3] ,

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats 4] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

en

(200.124.017/01)

1 [appellant sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant in het principaal appel,

tevens geïntimeerde in het incidenteel appel,

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos te Wassenaar,

2 [appellante sub 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

appellante in het principaal appel,

tevens geïntimeerde in het incidenteel appel,

advocaat: mr. F.J. Kremer te ‘s-Gravenhage,

tegen:

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats 3] ,

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats 4] ,

geïntimeerden in het principaal appel,

tevens appellanten in het incidenteel appel,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna weer [appellant sub 1] , [appellante sub 2] (dan wel tezamen [appellanten] en [geïntimeerden] (dan wel afzonderlijke [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] ) genoemd.

Bij het in deze zaken gewezen tussenarrest van 30 juni 2015 heeft het hof een deskundigenbericht gelast. Het deskundigenbericht is op 24 mei 2016 ter griffie van het hof binnengekomen. Partijen hebben daarna de volgende (in beide zaken gelijkluidende) stukken ingediend:

- memorie na deskundigenbericht, tevens akte overlegging producties, tevens akte bewijsaanbod, met bewijsstukken, van de zijde van [appellant sub 1] ;

- memorie na deskundigenbericht, met bewijsstukken, van de zijde van [appellante sub 2] ;

- memorie na deskundigenbericht tevens houdende verzoek tot terugkomen op eerdere beslissing en tot vermeerdering van eis alsmede incidenteel appel van de zijde van [geïntimeerden] ;

- akte uitlating producties van de zijde van [geïntimeerden]

Op de rol van 1 november 2016 is een comparitie van partijen gelast. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen de volgende stukken aan het hof doen toekomen:

- akte uitlaten producties tevens inhoudende akte bewijsaanbod van de zijde van [appellant sub 1] ;

- akte uitlaten producties van de zijde [appellante sub 2] ;

- brief met producties van de zijde van [geïntimeerden] ;

- akte vermeerdering van eis, met producties, van de zijde van [geïntimeerden]

De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 11 april 2017. [appellant sub 1] is verschenen, bijgestaan door mr. Dietz de Loos voornoemd. Voor [appellante sub 2] is alleen mr. Kremer voornoemd verschenen. Voorts zijn [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 3] verschenen, bijgestaan door mr. J. Koekoek, advocaat te Haarlem. [geïntimeerde sub 2] is niet verschenen. De hiervoor genoemde op voorhand toegestuurde akten zijn ter zitting genomen en de toegezonden stukken zijn in het geding gebracht. [appellant sub 1] heeft bij akte bezwaar gemaakt tegen de laatste vermeerdering van eis van de zijde van [geïntimeerden] en de bij die akte overgelegde stukken. Het hof heeft de stukken voorlopig geaccepteerd. Partijen hebben inlichtingen verschaft. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Ten slotte is weer arrest gevraagd.

2 Beoordeling

2.1

In de in deze zaken gewezen (nagenoeg gelijkluidende) tussenarresten van 19 november 2013 heeft het hof overwogen dat tot verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap moet worden overgegaan en wel aldus dat de percelen [perceel 1] (onderwerp van de zaak 200.119.999/01) en [perceel 2] en [perceel 3] (onderwerp van de zaak 200.124.017/01) alle worden toebedeeld aan [geïntimeerden] Voorts heeft het hof in die arresten overwogen dat het redelijk is dat van de verdeling een meerwaardeclausule deel uitmaakt met de strekking dat een waardestijging van de percelen in verband met de mogelijkheid om die te bebouwen, ook aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] ten goede komt. Ten slotte is een onderzoek in het vooruitzicht gesteld naar de bij de verdeling te hanteren waarde. In het incidentele appel in de zaak met zaaknummer 200.124.017/01 heeft het hof de grief van [geïntimeerden] verworpen, voor zover die zich richt tegen de afwijzing van hun vordering om [appellanten] te veroordelen tot schadevergoeding vanwege hun weigering medewerking te verlenen aan de vestiging van een erfdienstbaarheid ten behoeve van de ontsluiting van de percelen. In het in beide zaken gewezen tussenarrest van 22 juli 2014 heeft het hof een voorzet gegeven voor een formulering van de meerwaardeclausule. Bij het in beide zaken gewezen tussenarrest van 30 juni 2015 heeft het hof vervolgens ing. L.L.M. de Lorijn benoemd tot deskundige.

2.2

De afwijzing van de schadevergoedingsvordering van [geïntimeerden] is door het hof in het tussenarrest van 19 november 2013 als volgt gemotiveerd. Het standpunt van [appellant sub 1] dat hij het van meet af aan niet eens is geweest met de vestiging van de erfdienstbaarheid op de in de akte voorgestelde wijze, wordt ondersteund door de in het geding gebrachte mailwisseling, waarin [appellant sub 1] de wijze waarop de erfdienstbaarheid moet worden gevestigd steeds ter discussie heeft gesteld, tezamen met andere geschilpunten van partijen. Van de zijde van [geïntimeerden] is niet duidelijk gesteld wanneer het punt van de vestiging van de erfdienstbaarheid uit het totaal van geschilpunten is “gelicht” en de instemming van [appellant sub 1] heeft gekregen. Gelet op de gemotiveerde betwisting kan het hof thans niet als vaststaand aannemen dat [appellant sub 1] mondeling volmacht heeft gegeven aan de notaris om in te stemmen met de vestiging van de erfdienstbaarheid, terwijl [geïntimeerden] geen op dit punt toegespitst bewijsaanbod hebben gedaan en er voor een ambtshalve bewijsopdracht onvoldoende aanleiding bestaat. Als gevolg hiervan kan ook niet worden geoordeeld dat [appellant sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld door van zijn toezegging terug te komen. Uit de stellingen van [geïntimeerden] heeft het hof voorts niet kunnen afleiden dat ook [appellante sub 2] volgens [geïntimeerden] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld.

2.3

In hun memorie na deskundigenbericht en hun akte vermeerdering van eis hebben [geïntimeerden] het hof verzocht terug te komen van zijn oordeel dat niet is gebleken dat [appellanten] onrechtmatig handelen door hun weigering mee te werken aan de ontsluiting van de percelen door middel van een erfdienstbaarheid ten laste van het perceel [adres 5] . In de genoemde memorie hebben [geïntimeerden] bovendien hun eis aangevuld met een vordering [appellanten] te gebieden om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, aan het vestigen van die erfdienstbaarheid mee te werken. Het hof ziet echter geen aanleiding terug te komen van zijn eerdere oordeel. Uit de stukken die door [geïntimeerden] in het geding zijn gebracht kan het hof nog steeds niet met voldoende zekerheid afleiden dat [appellant sub 1] zich in het verleden daadwerkelijk ertoe heeft verbonden zijn medewerking te verlenen aan de vestiging van de bedoelde erfdienstbaarheid, waardoor zijn huidige weigering onrechtmatig zou zijn. De correspondentie die [appellant sub 1] in het verleden heeft gevoerd met notaris Tasseron lijkt over het aannemen als gerechtigde van een geheel andere erfdienstbaarheid te gaan. Ook de uitlating van [appellant sub 1] op de comparitie in eerste aanleg in de zaak met nummer 173253 HA ZA 10-1241 over een volmacht voor een erfdienstbaarheid lijkt op die andere erfdienstbaarheid betrekking te hebben. Uit het verslag van een bespreking met de gemeente op 30 oktober 2001, waarbij van de zijde van de familie [familienaam] ook [appellant sub 1] aanwezig was, kan weliswaar worden afgeleid dat het toen - nog vóór de oprichting van [X] Vastgoed BV - de aanwezigen ervan uitgingen dat de percelen na de voltooiing van het project Molenstaete zouden worden ontsloten voor een trekker met aangekoppelde machine via [adres 5] , maar een harde toezegging van of afspraak met [appellant sub 1] om aan die wijze van ontsluiting mee te werken, kan daaruit niet worden afgeleid. Een en ander brengt mee dat niet kan worden gezegd dat het aangevochten oordeel in het tussenarrest op een misslag berust. Tot nader feitelijk onderzoek op dit punt acht het hof zich in dit stadium van het geding niet gehouden. Het hof blijft derhalve bij zijn eerdere oordeel. De eisvermeerdering zoals hiervoor omschreven acht het hof tardief en in strijd met een goede procesorde, zodat daaraan voorbij moet worden gegaan, waardoor het hof niet toekomt aan de vraag of [appellanten] onder de hiervoor geschetste omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid nog hun medewerking aan de ontsluiting konden weigeren.

2.4

Het hof heeft in het arrest van 30 juni 2015 de deskundige gevraagd de volgende vragen te beantwoorden:

1. Kunt u aangeven wat de huidige waarde in het economisch verkeer is van de

percelen [perceel 1] , [perceel 2] en [perceel 3] , uitgaande van de bestemming die de percelen

hebben volgens het vigerende bestemmingsplan?

2. Wilt u bij de beantwoording van vraag 1 een uitsplitsing maken naar de waarde

van de percelen mét ontsluiting naar de openbare weg, ten dele over het perceel

[perceel 6] ( [adres 5] ) en vanaf daar conform de notariële akte van splitsing in

appartementsrechten van 12 juni 2007 en de leveringsakte van 11 mei 2011 (p.

5), en een waardering van de percelen zónder dat die uitsluiting bestaat?

3. Bij welke prijsindexering kan worden aangeknoopt om op een toekomstig

moment de thans te bepalen waarde van de percelen aan te passen aan het dan

bestaande prijsniveau voor grond?

4. Heeft u verder nog opmerkingen die voor deze zaak van belang zijn?

2.5

De deskundige heeft de vragen in zijn rapport als volgt beantwoord.

2.5.1

Ad 1 en 2. De waarde van de percelen met een ontsluiting over het perceel [sectie] [perceel 6] ( [adres 5] ) en via de [naam] (perceel [perceel 5] ) wordt door de deskundige getaxeerd op € 158.000,=. In deze berekening is het aan de bebouwde percelen grenzende gedeelte van 0,6 ha gewaardeerd op € 90.000,= en het resterende gedeelte van 2,4456 ha gewaardeerd op € 130.000,=, waarna van het totaal de kosten van het realiseren van de ontsluiting zijn afgetrokken.

De waarde van de percelen zonder deze ontsluiting heeft de deskundige getaxeerd op € 137.000,=, waarbij voor de drie percelen in hun geheel (in totaal 3,0446 ha) één prijs per vierkante meter is gehanteerd. Voor het geval [geïntimeerde sub 1] , over wiens terrein op dit moment de toegang naar de percelen plaatsvindt, de koper zou zijn taxeert de deskundige de waarde van de percelen op € 147.000,=.

2.5.2

Ad 3. Op deze vraag is volgens de deskundige geen goed antwoord te geven. Er bestaat geen indexcijfer voor de waardeontwikkeling van agrarische grond, die zeer grillig kan verlopen. De deskundige vermeldt dat het CBS regelmatig de gemiddelde verkoopprijzen van landbouwgrond buiten familietransacties per provincie publiceert, verdeeld over bouwland en grasland. Als de waardeontwikkeling van de onderhavige weilanden hieraan wordt gekoppeld, zullen de gemiddelde verkoopprijzen van graslang in de provincie Noord-Holland moeten worden aangehouden, aldus de deskundige.

2.5.3

Ad 4. In het kader van deze vraag heeft de deskundige zich de vraag gesteld of de gemeente en het hoogheemraadschap wellicht bereid zouden zijn een noodweg te verschaffen aan de percelen naar de Patrijzenlaan, in welk geval er een brug of dam met duikers in de Glipperzandvaart zou moeten komen. De deskundige heeft partijen uitgenodigd zich hierover uit te laten.

2.6

[appellant sub 1] heeft in zijn reactie op het deskundigenbericht het volgende aangevoerd. Het is onjuist dat de percelen nu geen ontsluiting zouden hebben. Er is een ontsluiting via het Glipperpad, die door de gemeente wordt gedoogd totdat er een nieuw bestemmingsplan is. Onder deze omstandigheden wensen [appellante sub 2] en [appellant sub 1] niet te worden belast met de hoge kosten van de door [geïntimeerden] gewenste ontsluiting. Die kosten zijn voorts door de deskundige ten onrechte van de waarde van de grond afgetrokken, want het vervaardigen van de ontsluiting betekent een verrijking en geen verarming. De deskundige zegt in het rapport ten onrechte dat het Glipperpad te smal zou zijn voor landbouwvoertuigen. Ook is hij inconsequent waar hij met betrekking tot de ontsluiting via [adres 5] zegt dat die maar af en toe voor landbouwwerktuigen zou worden gebruikt en dus niet tot overlast zal leiden. Hieruit blijkt dat er geen noodzaak is voor een nieuwe ontsluiting. Het onderscheid tussen het duurdere en het goedkopere deel in het scenario mét de ontsluiting is door de deskundige onvoldoende onderbouwd. De gehanteerde lage prijs is veel te laag. De deskundige miskent dat onder de vigerende bestemming allerlei lucratieve vormen van gebruik zijn toegestaan. [geïntimeerde sub 1] heeft, bij voorbeeld, laatst een vergunning gevraagd voor een dierenverblijf op de percelen. Hij wil daar kennelijk een manege vestigen en het publiek dat daarop afkomt niet voor zijn huis langs laten rijden. De deskundige beantwoordt niet de vraag of er wellicht in de toekomst toch in beperkte mate woningbouw zal worden toegelaten. Dat project zou dan worden uitgevoerd door [X] Vastgoed BV, die nog fiscaal compensabel verlies in de boeken heeft staan. De kosten voor de aankoop van een deel van de tuin van [adres 5] zijn te laag geraamd. De deskundige miskent het waardedrukkend effect van de verkoop van een deel van de tuin op het perceel [adres 5] .

2.7

[appellante sub 2] heeft in haar reactie op het deskundigenrapport naar voren gebracht dat de door de deskundige in het scenario mét de ontsluiting gehanteerde tweedeling in waarde niet te doorgronden is. Voorts is op de tekening in het rapport het dure gedeelte ongeveer een derde, terwijl 6.000 m2 ongeveer een vijfde van het geheel is. Bij gebreke van een voldoende uitleg meent [appellante sub 2] dat voor het hele terrein de hoge waarde van € 15,= per vierkante meter moet worden gehanteerd. Zij betwist de hoogte van de door de deskundige geraamde kosten van de ontsluiting. Zij wijst erop dat de percelen nog steeds via drie bruggen toegankelijk zijn. De deskundige zegt ten onrechte dat de ontsluiting via het Glipperpad niet geschikt is voor landbouwwerktuigen, terwijl de gemeente zegt dat de ontsluiting daarvoor wel geschikt is. Ook zegt de deskundige dat die landbouwwerktuigen slechts bij tijd en wijle van de nieuwe ontsluiting gebruik hoeven te maken. Daaruit blijkt dat die nieuwe ontsluiting helemaal niet nodig is.

2.8

[geïntimeerden] maken bezwaar tegen de door de deskundige genoemde waarde voor het geval [geïntimeerde sub 1] als koper zou optreden, omdat het in het onderzoek ging om de waarde in het economische verkeer. De deskundige had tot uitgangspunt moeten nemen dat [appellant sub 1] probeert uit te komen onder de afspraken die reeds vóór de aanvang van het project Molenstaete zijn gemaakt over de ontsluiting van de percelen nadien. De als gevolg daarvan te verwachten juridische kosten van de ontsluiting moeten ook van de waarde mét de ontsluiting worden afgetrokken, evenals de kosten van het vestigen van een erfdienstbaarheid. Uit een e-mailbericht van de gemeente van 14 maart 2016 blijkt dat die niet bereid is mee te werken aan een ontsluiting naar de Patrijzenlaan en vasthoudt aan de ten tijde van de ontwikkeling van Molenstaete met haar gemaakte afspraken. Aldus bevestigt de gemeente dat de ontsluiting via [adres 5] de enige mogelijke manier van ontsluiting is. [geïntimeerden] menen dat de waarde van de percelen zonder de ontsluiting nihil is, omdat er altijd landbouwvoertuigen op het land zullen moeten kunnen komen voor onderhoud van met name de slootkanten. [geïntimeerden] willen dat aan de deskundige aanvullende vragen worden gesteld.

2.9

Het hof oordeelt als volgt. De deskundige heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat de percelen thans niet over een ontsluiting voor landbouwwerktuigen beschikken. [geïntimeerden] hebben overtuigend aangetoond dat de ontsluiting via het Glipperpad door de gemeente slechts tijdelijk wordt gedoogd en dus niet kan worden beschouwd als een afdoende oplossing. Ook de deskundige heeft opgemerkt dat het Glipperpad te smal is voor landbouwvoertuigen en van [geïntimeerde sub 1] , als eigenaar van de panden [adres 3] en [adres 4] , kan niet worden gevergd dat hij nog veel langer genoegen neemt met de huidige situatie. Blijkens het e-mailbericht van de gemeente van 4 april 2016 houdt de gemeente vast aan een ontsluiting via (onder meer) [adres 5] en wenst zij geen noodweg te verlenen naar de Patrijzenlaan.

2.10

Vervolgens is de vraag aan de orde van welke van de twee waarden bij de verdeling moet worden uitgegaan. Het zou voor [appellanten] op dit moment financieel gunstiger zijn als zou worden uitgegaan van de hogere waarde mét de ontsluiting. [appellanten] zijn echter vasthoudend in hun weigering aan de ontsluiting via [adres 5] mee te werken en in dit geding kan niet ervan worden uitgegaan dat [appellanten] zullen kunnen worden gedwongen tot medewerking aan het realiseren van de nieuwe ontsluiting. Voor het hanteren van de hogere waarde bestaat onder die omstandigheden geen goede grond. Het hof zal daarom uitgaan van de waarde zonder de ontsluiting. Dit betekent echter wel dat als [geïntimeerden] de ontsluiting (en de daarmee samenhangende waardestijging) weten te realiseren en zij die hebben bekostigd, de daaraan verbonden daadwerkelijke kosten (op dit moment door de deskundige geschat op een niet onaanzienlijk bedrag) te zijner tijd bij de toepassing van de meerwaardeclausule van de waarde van de percelen moet worden afgetrokken.

2.11

Het hof vindt in hetgeen partijen hebben aangevoerd geen grond om te twijfelen aan de juistheid van de door de deskundige geraamde waarde van € 137.000,= van de drie percelen gezamenlijk in de situatie dat de percelen alleen nog via een of meer voetbrug(gen) toegankelijk zijn. Dat de deskundige bestaande lucratieve gebruiksmogelijkheden over het hoofd heeft gezien of juist de waarde van het mogelijke gebruik heeft overschat is niet aannemelijk gemaakt. Uit de reactie van de gemeente van 21 december 2015 op de vraag van [appellant sub 1] naar mogelijkheid van bebouwing van de percelen blijkt voorts dat de gemeente geen enkele aanleiding ziet te veronderstellen dat door de gemeenteraad of het college van B&W medewerking zal of kan worden verleend aan het idee om het weiland deels te bebouwen.

De door de deskundige nog genoemde waarde van € 147.000,= voor het geval [geïntimeerde sub 1] als koper zou optreden doet niet ter zake, nu het bij de verdeling gaat om de waarde in het economisch verkeer.

2.12

Wat betreft de indexering zal het hof de in het deskundigenrapport gedane suggestie overnemen om de gemiddelde verkoopcijfers van het CBS voor graslanden in Noord-Holland te hanteren, nu partijen daartegen geen bezwaar hebben gemaakt en ook geen alternatieven hebben aangedragen.

2.13

Aangaande de formulering van de meerwaardeclausule wordt als volgt overwogen.

2.13.1

Terecht hebben partijen erop gewezen dat het hof bij de formulering van de clausule in het tussenarrest van 22 juli 2014 in lid 1 van verkeerde percentages is uitgegaan; de afdrachtverplichting moet worden gerelateerd aan het aandeel dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben in de percelen [perceel 2] en [perceel 3] (elk ieder 8,33%) en [perceel 1] (ieder 12,5%).

2.13.2

Voorts heeft [appellant sub 1] bezwaar gemaakt tegen de geschillenregeling in het voorgestelde lid 6, inhoudende dat bij geschillen de kantonrechter op de voet van artikel 96 Rv bij uitsluiting bevoegd is. Zonder instemming van partijen is een dergelijke regeling niet mogelijk, zodat het voorgestelde lid 6 zal worden geschrapt.

2.13.3

Partijen verschillen van mening of het [geïntimeerden] moet worden toegestaan een opstalrecht te vestigen op de percelen. [geïntimeerden] willen in ieder geval dierenverblijven kunnen oprichten en ook de mogelijkheid hebben de percelen bij voorbeeld te gebruiken als baggerdepot of voor de plaatsing van zendmasten of windturbines. [appellanten] zijn hiertegen, omdat op deze wijze waardestijging zou worden gerealiseerd waarin zij niet zouden meedelen. Omdat bij de waardering is uitgegaan van de huidige agrarische bestemming van de percelen is het hof van oordeel dat het [geïntimeerden] moet worden toegestaan uitsluitend opstalrechten te vestigen die in overeenstemming zijn met die agrarische bestemming.

2.13.4

[appellant sub 1] heeft voorgesteld aan het voorgestelde lid 3 een passage toe te voegen waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat ook iedere overdracht van de percelen waarbij [geïntimeerden] feitelijk de zeggenschap daarover blijven houden, de meerwaardeclausule onverlet laat. Deze toevoeging komt het hof juist voor, met dien verstande dat, nu economische eigendomsoverdracht al is uitgesloten, de passage zal worden beperkt tot inbreng in of overdracht aan een vennootschap waarin [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] en/of [geïntimeerde sub 3] direct of indirect zeggenschap hebben.

2.13.5

[appellant sub 1] wenst dat in het voorgestelde lid 4 wordt toegevoegd dat het kettingbeding een boete moet bevatten. Dat is juist en tevens zal op het niet opnemen van het kettingbeding dezelfde boete worden gezet.

2.13.6

Ten slotte heeft [appellant sub 1] de wens te kennen gegeven dat hij en [appellante sub 2] ook tussentijds aanspraak kunnen maken op herberekening van de waarde van de percelen en afdracht van een eventuele waardestijging. Het hof zal dit voorstel niet overnemen, omdat dat te veel inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [geïntimeerden]

2.14

De percelen zullen derhalve aan [geïntimeerden] worden toegescheiden onder de verplichting uitvoering te geven aan de meerwaardeclausule en aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] een bedrag te betalen wegens overbedeling. De overbedelingsvergoeding bedraagt, uitgaande van de door de deskundige getaxeerde prijs van € 4,50/m2 :

€ 284,87 voor perceel [perceel 2] (groot 760 m2, 8,33%), € 9.333,66 voor perceel [perceel 3] (groot 24.901 m2, 8,33%) en € 2.691,42 voor perceel [perceel 1] (groot 4.785 m2, 12,5%), dus in totaal € 12.309,95 voor zowel [appellant sub 1] als [appellante sub 2] .

2.15

De acht grieven van [appellant sub 1] en de zes grieven van [appellante sub 2] in de zaak met zaaknummer 200.119.999/01 zijn met het voorgaande volledig behandeld. Hetzelfde geldt voor de elf grieven van [appellant sub 1] en de acht grieven van [appellante sub 2] in de zaak met zaaknummer 200.124.017/01.

2.16

In het door het hof nog niet behandelde deel van de incidentele grief van [geïntimeerden] in de zaak met zaaknummer 200.124.017 vragen zij [appellant sub 1] en [appellante sub 2] op straffe van een dwangsom van € 1.000,= per dag te veroordelen tot medewerking aan de verdeling en te bepalen dat het eindarrest in de plaats treedt van de notariële transportakte. Het hof zal het eerste deel van de vordering toewijzen op de wijze zoals hierna wordt vermeld. Naast de met een dwangsom versterkte veroordeling tot medewerking bestaat er echter geen noodzaak dit arrest in de plaats van de benodigde akte te laten treden, zodat dat deel van de vordering zal worden afgewezen.

2.17

Ter comparitie in hoger beroep heeft [appellant sub 1] bezwaar gemaakt tegen de overlegging van de door [geïntimeerden] bij hun akte wijziging eis gevoegde bewijsstukken, waarna het hof die stukken voorlopig heeft geaccepteerd. Nu uit het voorgaande blijkt dat de inhoud van die bewijsstukken bij de beslissing van het hof geen rol heeft gespeeld, heeft [appellant sub 1] er geen belang bij om nog op die stukken te mogen reageren.

2.18

De bestreden eindvonnissen zullen worden vernietigd en beslist zal worden zoals uit het voorgaande voortvloeit. Bij vernietiging van het in de zaak met zaaknummer 200.124.017/01 bestreden tussenvonnis, waarbij een deskundige is benoemd, bestaat geen belang. De gedingkosten in beide instanties, inclusief de kosten van de deskundigen, zullen worden gecompenseerd, omdat partijen familieleden zijn. Voor een veroordeling van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in de daadwerkelijke proceskosten ziet het hof geen grond, zodat die vordering wordt afgewezen, waardoor in het midden kan blijven of deze eiswijziging tijdig is gedaan.

3 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in beide zaken:

bekrachtigt het bestreden tussenvonnis van 10 augustus 2011;

vernietigt de bestreden eindvonnissen van 12 september 2012 en 19 december 2012

en opnieuw rechtdoende:

stelt de wijze van verdeling als volgt vast:

bepaalt dat het 1/12de aandeel van [appellant sub 1] en het 1/12de aandeel van [appellante sub 2] in het perceel, kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [perceel 2] , alsmede het 1/12de aandeel van [appellant sub 1] en het 1/12de aandeel van [appellante sub 2] in het perceel, kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [perceel 3] , alsmede het 1/8ste aandeel van [appellant sub 1] en het 1/8ste aandeel van [appellante sub 2] in het perceel, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [nummer 6] worden toegedeeld aan [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] , aldus dat van de aandelen in de percelen [perceel 2] en [perceel 3] [geïntimeerde sub 1] 5/10de deel ontvangt, [geïntimeerde sub 2] 4/10de deel en [geïntimeerde sub 3] 1/10de deel en van de aandelen in het perceel [perceel 1] [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 3] ieder 1/6de deel en [geïntimeerde sub 2] 4/6de deel;

bepaalt dat aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] vanwege overbedeling van de anderen elk € 12.309,95 toekomt en dat [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] bij gelegenheid van de verdeling hoofdelijk gehouden zijn die bedragen aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] te voldoen;

bepaalt dat na de levering van voormelde aandelen aan [geïntimeerden] tussen partijen de volgende meerwaardeclausule zal gelden:

1. Waar hierna over [geïntimeerden] , [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 2] , [appellant sub 1] of [appellante sub 2] wordt gesproken worden daaronder tevens hun erfgenamen verstaan.

2. Indien [geïntimeerden] vóór 31 december 2030 de percelen of een deel ervan, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [perceel 2] , [nummer 7] en [perceel 1] verkopen, dragen [geïntimeerden] van de meerwaarde boven € 4,50... per vierkante meter een percentage van respectievelijk 8,33%, 8,33% en 12,5% aan [appellant sub 1] en een zelfde percentage aan [appellante sub 2] . De genoemde prijs per vierkante meter zal moeten worden aangepast aan het prijspeil op het moment van verkoop door vergelijking van de door het CBS gepubliceerde gemiddelde verkoopcijfers voor graslanden in Noord-Holland in het jaar van de verkoop met diezelfde cijfers in het jaar 2017;

3. Onder verkoop wordt ook verstaan iedere andere rechtshandeling die (nagenoeg) hetzelfde resultaat geeft als verkoop, zoals onteigening. Erfpachtconstructies zijn niet toegestaan. Bezwaring van de percelen met enig ander recht dan huur, pacht of een opstalrecht in overeenstemming met de agrarische bestemming is niet toegestaan. Bij tussentijdse beëindiging van de huur of pacht zullen [geïntimeerden] geen nieuwe huur- of pachtovereenkomst sluiten met een langere looptijd dan 31 december 2030.

Ruil van de percelen en overdracht van het economisch eigendom van de

percelen is niet toegestaan vóór 31 december 2030.

4. Verkoop tussen [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 2] onderling is geen verkoop in de zin van het hierboven onder 2 en 3 gestelde en laat dus de meerwaardeclausule onverlet. Hetzelfde geldt voor inbreng of overdracht van de percelen in/aan een rechtspersoon of personenvennootschap waarin [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 3] en/of [geïntimeerde sub 2] zeggenschap heeft/hebben.

5. In geval van schenking aan de kinderen van [geïntimeerden] zullen [geïntimeerden] verplicht zijn om de meerwaardeclausule aan de kinderen op te leggen door middel van een kettingbeding, waarin is opgenomen een boete van € 50.000,= per inbreukmakende overdracht van een aandeel in een perceel, bij helfte te betalen aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] . Overtreding van de verplichting om het kettingbeding op te nemen leidt eveneens tot verbeurte van dezelfde boete van € 50.000,=.

6. Teneinde [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in staat te stellen te beoordelen of [geïntimeerden] hebben voldaan aan hun verplichtingen uit deze meerwaardeclausule, zijn [geïntimeerden] verplicht om iedere vorm van overdracht als bedoeld onder 2., 3., 4. en 5. binnen 30 dagen na de overdracht schriftelijk te melden aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] , waarbij zij tevens verplicht zijn om [appellant sub 1] en [appellante sub 2] inzage te geven in alle documentatie omtrent de transacties. Het ligt op de weg van [geïntimeerden] om aan te tonen dat niet tegen een irreële prijs is verkocht of ingebracht, respectievelijk dat [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 2] geen zeggenschap hebben in de rechtspersoon of personen vennootschap waarin het perceel of een aandeel daarin wordt ingebracht. Teneinde te kunnen vaststellen of er mogelijkerwijs sprake is van verkoop tegen irreële prijs of inbreng van de percelen in een vennootschap tegen een irreële prijs, zijn [geïntimeerden] verplicht om:

a. binnen 30 dagen na de levering [appellanten] bij deurwaardersexploot te informeren over de verkoop en levering onder overlegging van alle relevante documentatie. Desgewenst kunnen [appellanten] aanvullende informatie opvragen bij de passerende notaris, die op eerste verzoek hieraan voldoet;

b. de koopsom te storten dan wel gestort te houden op een door de notaris die de akte van levering heeft gepasseerd, te openen kwaliteitsrekening ten gunste van verkoper(s) alsmede [appellant sub 1] en [appellante sub 2] .

Vervolgens zijn [appellanten] verplicht om binnen 30 dagen na de dag van betekening van het deurwaardersexploot aan de verkoper(s) bij eveneens deurwaardersexploot mee te delen of zij instemmen met de (hoogte van de) koopsom. Bij gebreke van deze mededeling binnen de voornoemde termijn van 30 dagen worden [appellanten] geacht de (hoogte van de) koopsom zonder voorbehoud te hebben aanvaard en gaat de notaris onverwijld over tot uitbetaling van de koopsom met inachtneming van de meerwaardeclausule, in die zin dat [appellanten] het aan hen toekomende deel van de meerwaarde ontvangen en de verkopers het restant. Indien [appellanten] de hoogte van de koopsom niet accepteren, dienen zij binnen 60 dagen na de mededeling van niet-acceptatie een rechtsgeding aanhangig te hebben gemaakt. Bij overschrijding van deze termijn worden [appellanten] geacht alsnog de (hoogte van de) koopsom zonder enig voorbehoud te hebben aanvaard.

wijst mr. C.F. Tasseron, notaris te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, of zijn opvolger, aan als notaris die de verdeling zal verwezenlijken;

beveelt [appellant sub 1] en [appellante sub 2] om na betekening van dit arrest op eerste verzoek van [geïntimeerden] of van de transporterende notaris aan de levering van de percelen [perceel 2] , [perceel 3] en [perceel 1] mee te werken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,= per dag dat zij met het verlenen van medewerking in gebreke blijven, met een maximum van € 100.000,=;

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten in beide instanties draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.F. Aalders en E.J. Rotshuizen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2017.