Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2305

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
23-004291-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fietsendiefstal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-004291-16

Datum uitspraak: 1 juni 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 november 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15‑870951‑15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

adres: [adres]

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1, 2, 3, 5 primair en subsidiair en 6 primair en subsidiair is ten laste gelegd. De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld. Dit is dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet‑ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 mei 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat:


4:
hij op of omstreeks 11 oktober 2015 te Heemstede met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een herenfiets (merk Giant), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal wegens proceseconomische redenen worden vernietigd.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de waarnemingen van de aangever niet kunnen worden gecontroleerd, aangezien in het dossier geen beelden zijn van het moment dat de persoon, die als de verdachte is herkend, de winkel verliet. Daar komt bij dat de ‘stills’ van de persoon op de fiets te onduidelijk zijn om die persoon te kunnen herkennen. Tot slot is de herkenning door verbalisant [verbalisant 1] te algemeen om als bewijs te kunnen dienen.

Het hof overweegt als volgt.

Aangever [benadeelde] heeft de camerabeelden van de Dekamarkt aan de Binnenweg in Heemstede bekeken nadat op 11 oktober 2015 zijn fiets voor die supermarkt was verdwenen. Hij zag daarop het volgende. Op die datum stond een man bij de kassa. Deze man was tussen de 18 en 29 jaar, droeg een zwarte jas met capuchon en bontkraag, een lichtblauwe spijkerbroek, een groene trui met witte letters en wit/zwarte sportschoenen. De man had iets gekocht en liep naar buiten naar de herenfiets die de aangever herkende als zijn fiets. Dezelfde man nam de fiets weg, aldus de aangever.

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep de stills van de camerabeelden bekeken en heeft ten aanzien van de stills op pagina 58 en 59 allereerst vastgesteld dat deze beelden voldoende helder zijn om waarnemingen van personen te kunnen doen.

Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat op deze stills te zien is dat een persoon bij de kassa staat. Deze persoon heeft donker haar en donkere wenkbrauwen en hij draagt een spijkerbroek, een trui met daarop in ieder geval de letters ‘BE’ en een donkere jas met capuchon, welke jas tot op de bovenbenen reikt. Hij houdt iets in zijn handen vast.

Op de still op pagina 61 heeft het hof kunnen vaststellen dat een man te zien is die op een fiets rijdt. Deze man heeft kort donker haar en draagt een donkere jas tot de bovenbenen. In zijn rechterhand heeft hij een cilindervormig voorwerp vast dat hij dicht bij zijn mond houdt.

In hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de waarnemingen van de aangever. De raadsvrouw heeft niet onderbouwd waarom getwijfeld zou moeten worden aan de juistheid van de verklaring van de aangever, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van aangifte en waaruit blijkt dat de aangever de camerabeelden van de supermarkt heeft bekeken en tijdens het bekijken heeft vastgesteld dat de persoon die in de winkel iets had gekocht dezelfde persoon is die vervolgens zijn herenfiets wegnam. Het hof gaat dan ook in de verdere beoordeling uit van de verklaring van de aangever.

De verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben beschreven waar zij de verdachte op de stills ambtshalve aan hebben herkend en dit is toereikend gemotiveerd. Op grond hiervan stelt het hof vast dat de verdachte de persoon is op de stills op de pagina’s 58 en 59. Gelet op de verklaring van de aangever, de overeenkomsten tussen de waarnemingen van het hof en die verklaring en mede gelet op het zeer korte tijdsbestek tussen het moment waarop de verdachte bij de kassa in de supermarkt stond en het moment dat het bewakingsbeeld van de fietsende man op de still van pagina 61 is vastgelegd, kan het niet anders dan dat het de verdachte degene is geweest die de fiets van de aangever heeft weggenomen en daarop is weggereden. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

4:
hij op 11 oktober 2015 te Heemstede met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een herenfiets merk Giant, toebehorende aan [benadeelde] .

Hetgeen onder 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf.

De raadsvrouw heeft verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en heeft verwezen naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan fietsendiefstal. Dit feit veroorzaakt schade en onvoorzien oponthoud voor de benadeelde. De verdachte heeft er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander.

In het nadeel van de verdachte wegen de volgende omstandigheden mee.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 mei 2017 is hij eerder onherroepelijk voor vermogensdelicten veroordeeld. Voorts blijkt uit dit uittreksel dat hij ten tijde van het onderhavige feit nog in een proeftijd liep ter zake van een voorwaardelijk aan hem opgelegde gevangenisstraf. Dit heeft de verdachte er niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.

Het hof acht alles afwegende een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan niet worden volstaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1, 2, 3, 5 primair en subsidiair en 6 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. W.M.C. Tilleman en mr. A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Oomkes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 juni 2017.