Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2259

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
200.199.997/01 NOT en 200.199.518/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORSHE:2016:33
Oorspronkelijk arrest: ECLI:NL:GHAMS:2018:1706
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De klacht van klager valt in verschillende onderdelen uiteen. Samengevat en zakelijk weergegeven verwijt klager de notaris het volgende.

i. Klager wenst(e) de woning over te nemen, maar de notaris heeft dit tegengewerkt.

ii. De notaris heeft klager dan wel de kantonrechter onjuist geïnformeerd over de in België opgestarte gerechtelijke procedure.

iii. De notaris heeft gepretendeerd dat de kantonrechter het verzoek van de notaris tot betaling buiten de boedel om goedkeurde. De kantonrechter heeft in het kader van de hiervoor vermelde klacht met nummer SHE/2014/73 aan klager bevestigd niet bekend te zijn met een dergelijk verzoek.

iv. De notaris heeft ten onrechte vergoeding van de kosten van de klachtbehandeling van klager gevorderd.

v. De notaris heeft onzorgvuldig gehandeld met betrekking tot de samenstelling van de nalatenschap van vader.

vi. De notaris heeft onheus taalgebruik gebezigd. Klager verwijst hiertoe naar correspondentie tussen de notaris en hem.

De kamer heeft de klacht voor een deel niet-ontvankelijk verklaard, de klacht op drie onderdelen gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. De kamer heeft geen maatregel opgelegd.

Het hof vernietigt de beslissing van de kamer en acht een klachtonderdeel gegrond, maar ziet af van het opleggen van een maatregel. De klacht is voor het overige niet-ontvankelijk dan wel ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt 107
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0133
JERF Actueel 2017/190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummers : 200.199.518/01 NOT en 200.199.997/01 NOT

nummers eerste aanleg : SHE/2016/5, SHE/2016/16 en SHE/2016/22

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 13 juni 2017

inzake 200.199.518/01 NOT

[naam] ,

notaris te [plaats] ,

appellant,

tegen

[naam] ,

wonend te [plaats] ,

geïntimeerde,

en

inzake 200.199.997/01 NOT

[naam] ,

wonend te [plaats] ,

appellant,

tegen

[naam] ,

notaris te [plaats] ,

geïntimeerde.

1 De gedingen in hoger beroep

1.1.

In de zaak met nummer 200.199.518/01 NOT heeft appellant (hierna: de notaris) op

22 september 2016 een beroepschrift met bijlagen bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort 's-Hertogenbosch (hierna: de kamer) van 19 september 2016 (ECLI:NL:TNORSHE:2016:33). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klachten van geïntimeerde (hierna: klager) tegen de notaris niet-ontvankelijk verklaard voor zover de klachten reeds zijn opgeworpen in de eerdere tuchtprocedure (zaaknummer SHE/2014/73), de klachten op drie onderdelen gegrond verklaard zonder daaraan een maatregel te verbinden en de klachten voor het overige ongegrond verklaard.

1.2.

Klager heeft op 31 oktober 2016 een verweerschrift en op 17 november 2016 een aanvullend verweerschrift bij het hof ingediend.

1.3.

In de zaak met nummer 200.199.997/01 NOT is door klager bij een op 29 september 2016 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift met bijlagen eveneens hoger beroep ingesteld tegen voormelde beslissing van de kamer.

1.4.

Van de notaris is op 26 oktober 2016 een verweerschrift met bijlagen ontvangen.

1.5.

Bij brief van 7 december 2016 heeft klager nadere producties in het geding gebracht. Het hof heeft bij brief van 9 december 2016 (met een kopie aan de notaris) aan klager bericht dat het procesreglement verzoekschriftprocedures in handels- en insolventiezaken toestaat dat (tot tien dagen) voorafgaand aan de mondelinge behandeling nadere producties in het geding worden gebracht, maar niet de mogelijkheid biedt om naast het beroepschrift en het verweerschrift verdere reacties/schriftelijke uiteenzettingen in te dienen, tenzij het hof daarom uitdrukkelijk vraagt, dat de brief van klager buiten beschouwing wordt gelaten voor zover dit stuk een inhoudelijke reactie/uiteenzetting behelst en dat van de bij de brief van klager gevoegde producties door het hof voorafgaand aan de zitting kennis wordt genomen.

1.6.

De zaken zijn gezamenlijk behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 2 maart 2017. De notaris en klager zijn verschenen en hebben het woord gevoerd. Na afloop van de zitting heeft de voorzitter de behandeling van de zaken gesloten en partijen medegedeeld dat het hof op 16 mei 2017 uitspraak zal doen.

1.7.

Op 21 april 2017 heeft het hof de behandeling van de zaken heropend en partijen bij brief van diezelfde datum in de gelegenheid gesteld te reageren op nieuwe informatie die het hof van de kamer heeft ontvangen die van belang is of kan zijn voor de behandeling van de zaken in hoger beroep. Het hof heeft de uitspraakdatum van 16 mei 2017 laten vervallen.

1.8.

Op 4 mei 2017 heeft klager een reactie bij het hof ingediend. Van de notaris is geen reactie ontvangen.

1.9.

Bij brief van 6 juni 2017 heeft het hof partijen medegedeeld dat op 13 juni 2017 uitspraak in de zaken zal worden gedaan.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Klager heeft tegen de vaststelling van die feiten op punten bezwaar gemaakt. Het hof zal hiermee (voor zover relevant) bij de beoordeling rekening houden.

3.2.

Samengevat weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

De moeder van klager, [naam] , is op 11 mei 2011 overleden. De vader van klager, [naam] (verder: vader), is op 19 juni 2011 overleden. Klager en zijn twee zussen zijn als erfgenamen gerechtigd tot de nalatenschap van vader. Klager heeft deze nalatenschap zuiver aanvaard. De zussen van klager hebben deze nalatenschap beneficiair aanvaard.

3.2.2.

Op verzoek van de zussen van klager is de notaris door de rechtbank Oost-Brabant met ingang van 16 april 2014 tot vereffenaar van de nalatenschap van vader benoemd.

3.2.3.

Tot de nalatenschap van vader behoort onder meer (een onverdeeld aandeel in) de in België gelegen ouderlijke woning (verder: de woning). Op de woning rusten twee rechten van hypotheek; een recht van eerste hypotheek ten behoeve van Rabobank N.V. (verder: de bank) en een recht van tweede hypotheek ten behoeve van de Federale Overheidsdienst Financiën (verder: FOD Financiën), de Belgische belastingdienst.

3.2.4.

In verband met de Belgische aspecten van de nalatenschap zijn in elk geval een Belgische notaris, [naam] , (verder: notaris [naam] ) en een Belgische advocaat, [naam] , betrokken geweest bij de afwikkeling van de nalatenschap van vader.

3.2.5.

In een eerdere tuchtprocedure heeft klager klachten tegen de notaris ingediend bij de kamer met betrekking tot de (afwikkeling van de) nalatenschap van vader (deze zaak is bij de kamer bekend onder klachtnummer SHE/2014/73). De klachten zagen op verwijten a) dat de notaris niet onafhankelijk zou zijn, b) dat de benoeming van notaris tot vereffenaar onrechtmatig zou zijn, c) dat de betrokkenheid van de notaris ertoe heeft geleid dat een zus van klager de woning heeft bewoond zonder betaling van een woonvergoeding en zonder onderhoud aan de woning te verrichten, d) aangaande de betrokkenheid van de notaris bij de wijze waarop de nalatenschap is aanvaard en e) aangaande de betrokkenheid van de notaris bij de wijze waarop de onderhandse verkoop van de woning op de rails is gezet.

De kamer heeft bij beslissing van 21 september 2015 deze klacht(en) niet-ontvankelijk verklaard en daartoe, voor zover van belang, het volgende overwogen.

“2.3. Vaststaat dat klager ter zitting van 16 maart 2015 expliciet heeft verklaard dat de klacht als ingetrokken kan worden beschouwd indien de Rabobank instemt met een verkrijging door hem van de woning die onderdeel uitmaakt van deze nalatenschap.

2.4.

Voorts is komen vast te staan dat de Rabobank inmiddels heeft ingestemd met deze verkrijging door klager.

2.5.

Uit artikel 99, lid 16 Wna volgt dat verdere behandeling van de klacht, na intrekking daarvan door de klager, slechts aan de orde kan zijn indien het algemeen belang dit naar het oordeel van de kamer vordert of indien de beklaagde notaris schriftelijk verklaart voortzetting van de behandeling van de klacht te verlangen.

2.6.

Naar het oordeel van de kamer is niet gebleken van een algemeen belang dat voortzetting van de behandeling vordert. De notaris heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, evenmin om voortzetting van de behandeling van de klacht verzocht.

2.7.

Er is derhalve geen wettelijke grond voor voortzetting van de behandeling van de klacht. De kamer voegt daar nog aan toe dat de notaris het recht heeft op een eerlijk proces. Zou de intrekking van een klacht kunnen worden herroepen, ook nog nadat de intrekking daarvan aan de notaris bekend is geworden en deze geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om voortzetting van de klacht te verlangen, dan zou de notaris afhankelijk worden van willekeurig handelen van klager, hetgeen onverenigbaar is met het beginsel van een eerlijk proces. Door een herroeping van de intrekking van de klacht kan klager zich dus niet onttrekken aan het bepaalde in artikel 99, lid 16, Wna. Los van het vorenstaande heeft klager ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd die zijn intrekking van de klacht ter zitting in twijfel kunnen trekken of van dusdanige ernst/gewicht zijn, dat voortzetting van de klacht geboden is. Dit alles leidt ertoe dat door het intreden van de voorwaarde onder 2.3 bedoeld de kamer de klacht als definitief ingetrokken beschouwt.”

3.2.6.

Klager is tegen de beslissing van de kamer van 21 september 2015 in hoger beroep gekomen. Bij beslissing van 14 juni 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:2340) heeft het hof klager in zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het daarop volgende verzoek van klager tot herziening van deze beslissing van het hof is bij brief van 13 oktober 2016 afgewezen.

4 Standpunt van klager

4.1.

De klacht van klager valt in verschillende onderdelen uiteen. Samengevat en zakelijk weergegeven verwijt klager de notaris het volgende.

i. Klager wenst(e) de woning over te nemen, maar de notaris heeft dit tegengewerkt.

ii. De notaris heeft klager dan wel de kantonrechter onjuist geïnformeerd over de in België opgestarte gerechtelijke procedure.

iii. De notaris heeft gepretendeerd dat de kantonrechter het verzoek van de notaris tot betaling buiten de boedel om goedkeurde. De kantonrechter heeft in het kader van de hiervoor vermelde klacht met nummer SHE/2014/73 aan klager bevestigd niet bekend te zijn met een dergelijk verzoek.

iv. De notaris heeft ten onrechte vergoeding van de kosten van de klachtbehandeling van klager gevorderd.

v. De notaris heeft onzorgvuldig gehandeld met betrekking tot de samenstelling van de nalatenschap van vader.

vi. De notaris heeft onheus taalgebruik gebezigd. Klager verwijst hiertoe naar correspondentie tussen de notaris en hem.

Klager heeft de verwijten als volgt nader toegelicht:

Ad i.) De notaris heeft afspraken met de bank gemaakt over een vergoeding (buiten de boedel om) bij een onderhandse verkoop van de woning. De notaris heeft dus een eigen belang bij een onderhandse verkoop van de woning. De notaris heeft de bank en FOD Financiën onjuist geïnformeerd. De bank wenste van de notaris een verklaring te ontvangen dat klager de enige erfgenaam van de nalatenschap/enig eigenaar van de woning is. De notaris heeft deze verklaring niet afgegeven. Verder weigert de notaris informatie te verstrekken over de door hem in dit verband ondernomen activiteiten en heeft hij pogingen van klager om alsnog toestemming van FOD Financiën te verkrijgen gedwarsboomd. Daarnaast heeft de notaris ten onrechte bepaalde voorwaarden gesteld aan de verkrijging van de woning door klager. Hiermee heeft de notaris ten onrechte miskend dat klager op eenvoudige wijze de woning in eigendom kan verkrijgen door overname van de erfdelen van zijn zussen voor € 1,00.

Ad ii.) Uit de overgelegde stukken blijkt dat de notaris vaker contact heeft gehad met de Belgische advocaat, [naam] , dan hij doet voorkomen en ook dat hij daarbij foutieve informatie aan [naam] heeft verstrekt. Ook blijkt uit deze stukken dat de notaris de procedure in België heeft opgestart.

Ad v.) De zussen van klager hebben met toestemming van de notaris, of zelfs in zijn opdracht, (inboedel)goederen uit en rondom de woning verwijderd. De notaris heeft telkens geweigerd actie te ondernemen om dit ongedaan te maken. Daarnaast tracht de notaris een niet bestaande vordering van de boedel op klager te innen en heeft hij namens de zussen van klager een beroep op de legitieme portie gedaan. Hieruit blijkt dat de notaris niet onafhankelijk optreedt. Verder heeft de notaris onzorgvuldig gehandeld met betrekking tot een belastingteruggave. Ten slotte is de door de notaris opgestelde boedelbeschrijving onvolledig en is daarin ten onrechte een vordering op klager uit hoofde van een geldlening opgenomen.

4.2.

Daarnaast is klager van mening dat de kamer zijn eerdere in 3.2.5 bedoelde klacht ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze klacht dient in deze procedure als ingelast te worden beschouwd en alsnog inhoudelijk te worden behandeld, aldus klager.

5 Standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

Formeel

Beslissing van de kamer

6.1.

Op 11 april 2017 heeft het hof een brief (gedateerd op 6 april 2017) ontvangen van de voorzitter van de kamer waarin de voorzitter het hof het volgende heeft medegedeeld.

“(..) Bij besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 23 juni 2016 is de heer [naam] met ingang van die datum benoemd tot plaatsvervangend belastinglid in onze kamer als bedoeld in artikel 94, lid 6, Wna. Recent is mij echter ambtshalve bekend geworden dat [naam] niet als zodanig benoemd had kunnen worden. (..)”

[naam] heeft mede de beslissing gegeven waartegen het hoger beroep in deze zaken is gericht.

6.2.

Omdat deze nieuwe informatie voor partijen van belang is, of kan zijn, voor de behandeling van onderhavige zaken in hoger beroep heeft het hof de behandeling van deze zaken heropend en partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk op deze nieuwe informatie te reageren.

6.3.

Klager heeft bij brief van 2 mei 2017 gebruik gemaakt van de gelegenheid een reactie bij het hof in te dienen en daarbij, voor zover relevant, het volgende aangevoerd.

“Aangezien het hoger beroep aangaande deze 3 klachtprocedures nog bij u loopt betekent dit dat betreffende uitspraak d.d. 19 september 2016 van de Kamer voor het Notariaat ’s-Hertogenbosch vernietigd dient te worden en opnieuw door de Kamer voor het Notariaat aldaar conform en volledig behandeld dient te worden, zowel hoorzittingen alsmede uitspraken op betreffende ingediende klachten.”

6.4.

Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat een van de leden van de kamer die de bestreden beslissing heeft genomen ten tijde van de procedure in eerste aanleg, meer in het bijzonder ten tijde van de beslissing, niet de kwaliteit bezat die hij op grond van artikel 94 lid 6 Wna moest hebben om deel van de kamer te kunnen uitmaken.

Het bepaalde in artikel 95 lid 1 Wna impliceert dat het verlies van de vereiste kwaliteit van rechtswege tot verlies van het lidmaatschap van de kamer leidt. Daaruit volgt dat de beslissing van de kamer mede is genomen door een persoon die hiertoe niet bevoegd was.

Naar analogie van artikel 5 lid 3 Wet RO is de beslissing van de kamer dus nietig.

Met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2607, Meavita) is het hof van oordeel dat ‘nietigheid’ in dit geval niet hetzelfde betekent als ‘non existent’. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt voor gevallen als het onderhavige mee dat de nietigheid van de beslissing van de kamer alleen kan worden ingeroepen in het kader van een daartegen openstaand rechtsmiddel en dat is (in dit geval) hoger beroep bij dit hof.

Verder is het hof van oordeel dat klager het verweer van (naar het hof begrijpt) nietigheid van de bestreden beslissing ook in dit stadium van de procedure, bij brief van 2 mei 2017, nog heeft kunnen opwerpen en dat daarmee aan de door de Hoge Raad gestelde voorwaarde is voldaan. Het hof zal dus de bestreden beslissing vernietigen.

Nu het hoger beroep (ook) ertoe strekt om onregelmatigheden in de eerste aanleg te herstellen en het hof in hoger beroep de zaak op de voet van artikel 107 lid 4 Wna opnieuw in volle omvang behandelt, zal het hof de zaak zelf afdoen. Voor terug verwijzing van de zaak naar de kamer zijn onvoldoende gronden gesteld of gebleken.

Notaris als vereffenaar

6.5.

De notaris heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat de vereffening van de nalatenschap wordt beheerst door bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en dat enkel het handelen of nalaten als bedoeld in artikel 93 van de Wet op het notarisambt ter beoordeling is van de tuchtrechter.

6.6.

Voorop staat dat een notaris tuchtrechtelijk aansprakelijk kan zijn voor het handelen in een andere hoedanigheid dan notaris dat voldoende verband houdt met zijn hoedanigheid van notaris in relatie tot het daarbij passende gedragsniveau, zonder dat het handelen uitsluitend aan een notaris is voorbehouden.

6.7.

In deze zaak heeft de notaris gehandeld in hoedanigheid van vereffenaar. Naar het oordeel van het hof houden de gedragingen van een vereffenaar voldoende verband met het daarbij passende gedragsniveau van een notaris, zodat de notaris zich voor zijn handelen als vereffenaar tuchtrechtelijk moet verantwoorden. Hierop dient een uitzondering te worden gemaakt voor de regels die de functie van een vereffenaar in algemene zin betreffen. Op dat gebied is de kantonrechter bevoegd.

Ne bis in idem

6.8.

Volgens vaste rechtspraak van het hof geldt in het notariële tuchtrecht het ne-bis-in-idem-beginsel. Dit beginsel brengt mee dat na beoordeling van een klacht door de tuchtrechter, een latere klacht over “hetzelfde feit” niet opnieuw ter beoordeling kan worden voorgelegd. Er kan dus niet herhaaldelijk over dezelfde gedraging van een notaris worden geklaagd.

6.9.

Het hof stelt vast dat de klager de notaris in de onderhavige procedure verwijten maakt die in de tuchtprocedure zoals vermeld in 3.2.5 aan de orde waren. Op deze klachten is onherroepelijk beslist ingevolge de onder 3.2.6. genoemde beslissing van dit hof van 14 juni 2016 waarin het hof klager niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep. Het hof acht klager daarom niet-ontvankelijk in zijn in 4.2. bedoelde klacht.

Gang van zaken eerste aanleg

6.10.

Voor zover klager bezwaar heeft gemaakt tegen de gang van zaken in eerste aanleg, in het bijzonder dat (i) in de beslissing van de kamer talloze zaken niet aan de orde zijn gekomen en (ii) de bij de zaak betrokken rechters en griffier ook in andere gerechtelijke procedures aangaande de afwikkeling van de nalatenschap van vader betrokken zijn (geweest), behoeven deze bezwaren geen nadere bespreking, nu klager in hoger beroep alles naar voren heeft kunnen brengen wat hem voor de beoordeling van zijn klacht dienstig voorkomt dan wel deze bezwaren worden weggenomen doordat de zaak in hoger beroep in volle omvang wordt beoordeeld.

Inhoudelijk

Klachtonderdeel i.

6.11.

In hoger beroep is onvoldoende aannemelijk geworden dat de notaris klager op een of andere wijze heeft tegengewerkt bij zijn wens de woning over te nemen. Klager heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij op 12 januari 2016 telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van FOD Financiën en dat in dat gesprek aan klager is medegedeeld dat FOD Financiën niet akkoord ging met de overdracht van de woning aan klager vanwege de informatie die de notaris in dat kader had verstrekt. Nu een schriftelijke onderbouwing hiervan ontbreekt, heeft klager deze stelling tegenover de uitdrukkelijke betwisting ervan door de notaris, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarnaast heeft klager zich beroepen op een e-mail van

12 november 2015 van een Belgische notaris, [naam] , waaruit volgens klager blijkt dat hij de woning op eenvoudige wijze kon overnemen. Het hof leidt uit de bewoordingen van bedoelde

e-mail (“op het eerste gezicht”), bezien in samenhang met andere door klager in het geding gebrachte correspondentie, af dat genoemde notaris in deze e-mail zijn voorlopige visie geeft, welke visie is gebaseerd op door klager (summier) aangeleverde gegevens. Voorts blijkt uit een e-mail van 10 december 2015 van diezelfde Belgische notaris aan de notaris - in kopie aan klager - dat hij zijn visie met betrekking tot overname door klager van de woning naar aanleiding van aanvullende informatie heeft genuanceerd en gepreciseerd. De voormelde e-mail van 12 november 2015 kan om die reden niet als steun voor de klacht dienen. Verder is niet gebleken dat de notaris ten tijde van de eerdere tuchtprocedure van een mogelijke vordering van FOD Financiën op de nalatenschap van vader op de hoogte was of dat hij dat had kunnen zijn. Het verwijt van klager dat de notaris dit heeft verzwegen voor de kamer en de kantonrechter dan wel dat hij zijn werk niet goed heeft gedaan, treft daarom geen doel. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel ii.

6.12.

Ter zitting in hoger beroep heeft de notaris de gang van zaken met betrekking tot de procedure in België nader toegelicht. De notaris heeft aangevoerd dat notaris [naam] wat de woning betreft zelfstandig vereffenaar was, dat zij uit dien hoofde een advocaat ( [naam] ) in de arm heeft genomen om de verkoop van de woning via een gerechtelijke procedure mogelijk te maken, en dat de zaak in België op de rol is gezet maar nog niet kon worden aangevangen, omdat het verzoek nog niet compleet was. Dit blijkt volgens de notaris ook uit de door hem overgelegde e-mails. De notaris heeft hieraan toegevoegd dat hij niet weet waarom notaris [naam] dat op deze manier heeft gedaan. Nu klager niet heeft betwist dat notaris [naam] met betrekking tot de woning als zelfstandig vereffenaar optrad en het hof geen aanleiding heeft om hieraan te twijfelen, kan op het punt van de in België gestarte gerechtelijke procedure enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door de notaris niet worden vastgesteld. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel iii.

6.13.

Het hof is van oordeel dat de notaris het verwijt van klager, dat de notaris heeft gepretendeerd dat de kantonrechter het verzoek van de notaris tot betaling buiten de boedel om goedkeurde, voldoende heeft weerlegd. Het hof merkt in dit verband op dat de vergoeding die de notaris met de bank heeft afgesproken in geval de woning onderhands wordt verkocht, anders dan klager veronderstelt, niet ten goede komt aan de notaris maar aan de boedel. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel iv.

6.14.

Het hof is van oordeel - kort gezegd - dat de notaris ten onrechte een vergoeding van de kosten van de klachtbehandeling van klager heeft verlangd. Dat sprake zou zijn van een ‘slip of the pen’ kan niet leiden tot een ander oordeel. In geen enkel geval mag door een notaris een drempel worden opgeworpen voor een klager om een klachtprocedure te voeren. Dit klachtonderdeel is gegrond.

Klachtonderdeel v.

6.15.

Niet is komen vast te staan dat de notaris aan de zussen van klager opdracht heeft gegeven om diverse (inboedel)zaken uit en rondom de woning te verwijderen. Dat klager via een tante van hem heeft gehoord dat dit geval is geweest, zoals hij heeft gesteld, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Klager heeft in dit verband de notaris verzocht om de correspondentie tussen hem en de zussen van klager aan klager te doen toekomen. Gelet op de op hem rustende geheimhoudingsplicht is de notaris dat niet toegestaan. De notaris is met ingang van 16 april 2014 door de rechtbank benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van vader.

6.16.

In de periode tussen het overlijden van vader op 19 juni 2011 en die benoeming op 16 april 2014 waren klager en zijn zussen van rechtswege vereffenaar van de nalatenschap van vader. Op de door de zussen van klager opgestelde en aan de notaris verstrekte boedelbeschrijving staan de door klager specifiek genoemde goederen niet. Verder horen tot de in het geding gebrachte stukken i) een op 9 mei 2011 ondertekende ‘verkoopovereenkomst’ die inhoudt dat vader aan een van de zussen van klager de specifiek genoemde auto voor een bedrag in contanten heeft verkocht en ii) een ‘verklaring van schenking inboedel’, ondertekend op 19 juni 2008, inhoudend dat vader aan diezelfde zus de totale inboedel van de woning heeft geschonken. Het hof heeft geen aanleiding om aan de echtheid van deze documenten te twijfelen. In het licht van het voorgaande is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat tijdens het beheer van de notaris (op een ongeoorloofde wijze) goederen uit de woning zijn verdwenen. Aldus is het hof van oordeel dat de notaris in zijn functie van vereffenaar niets valt te verwijten wat betreft het door hem gevoerde beheer over de tot de nalatenschap van vader behorende goederen.

6.17.

Klager heeft de ontvangst van een bedrag van in totaal € 60.468,29 op zijn bankrekening via een overboeking vanaf de bankrekening van vader niet, althans onvoldoende betwist. Nu niet door klager is onderbouwd wat de grondslag voor deze overboeking is geweest, heeft de notaris ervan uit mogen gaan dat het ofwel een lening ofwel een schenking van vader aan klager betrof. In beide gevallen dient het genoemde bedrag bij de berekening van de omvang van de nalatenschap van vader door de notaris meegenomen te worden.

6.18.

Het hof is van oordeel dat de notaris in 2014 niet bedacht had hoeven zijn op een belastingteruggave uit 2010 en/of 2011. De notaris heeft betwist dat hij van deze teruggave op de hoogte was en niet is gebleken dat de notaris hiervan op de hoogte moest of had kunnen zijn. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de notaris dit bedrag van de erfgenamen heeft teruggevraagd en dat hij alleen het deel dat aan de zussen van klager was uitgekeerd heeft teruggekregen. Naar het oordeel van het hof is van onzorgvuldig handelen ter zake van de belastingteruggave niet gebleken. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel vi.

6.19.

Het hof is van oordeel dat het taalgebruik van de notaris in de door klager aangehaalde correspondentie als indringend is aan te merken, maar dat dit onder de gegeven omstandigheden niet onbetamelijk wordt geacht. Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.

Slotsom

6.20.

Weliswaar heeft de notaris ten onrechte een vergoeding van de kosten van de klachtbehandeling van klager verlangd, maar onder de gegeven omstandigheden acht het hof dit niet zodanig ernstig dat hieraan een maatregel dient te worden verbonden.

6.21.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.22.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn in 4.2. bedoelde klacht;

- verklaart klachtonderdeel iv. gegrond zonder oplegging van een maatregel;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Lieber, A.C. Faber en M. Bijkerk en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2017 door de rolraadsheer.