Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2242

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
23-000505-17
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:954, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

poging doodslag op ex-vriendin door haar vijf maal in de rug te steken in aanwezigheid van hun vierjarige dochter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0557
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000505-17

datum uitspraak: 7 juni 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13/684628-15 tegen

[naam] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

thans gedetineerd in [detentie] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat nu de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken van het handelen met voorbedachte raad, dit bestanddeel buiten de omvang van het hoger beroep valt.

Het hof overweegt als volgt.

Allereerst geldt dat de verdachte het hoger beroep onbeperkt heeft doen instellen. Verder is de verdachte weliswaar vrijgesproken van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord op [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), maar veroordeeld ter zake van een poging doodslag jegens haar.

Ingevolge artikel 404, vijfde lid, Sv kan de verdachte, ingeval strafbare feiten in eerste aanleg gevoegd aan het oordeel van de rechter waren onderworpen, alleen hoger beroep instellen van die gevoegde zaken waarin hij niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken. De situatie waarin een feitencomplex in een primaire en een subsidiaire variant aan de rechter is voorgelegd valt daar niet onder (vgl. Hoge Raad 20 februari 1939, NJ 1939/973).

Gelet op het voorgaande is de gehele tenlastelegging aan het oordeel van het hof onderworpen. De stellingname van de raadsman treft geen doel.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 december 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade (zijn ex-vrouw) [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, naar voornoemde [slachtoffer] is toegegaan, waarna hij, verdachte eenmaal of meermalen met een (vlees)mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug (ter hoogte van de maag- en/of lever- en/of milt- en/of longstreek) en/of in de schouder(s), in elk geval in het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] , heeft gestoken en/of gesneden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Partiële vrijspraak

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de (impliciet primair) ten laste gelegde poging tot moord jegens [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hij is er daarbij (kennelijk) vanuit gegaan dat de aanleiding tot de steekpartij gelegen is geweest in de foto die [slachtoffer] op 2 december 2015 op haar WhatsApp-profiel heeft geplaatst en hij heeft aangevoerd dat de tijdspanne tussen het moment dat deze foto op de telefoon van de verdachte is opgeslagen en het moment van het incident zes uren omvat en dat de verdachte dus voldoende tijd heeft gehad om zich te kunnen beraden over hetgeen hij zou gaan doen. Ook heeft hij erop gewezen dat de verdachte reeds in het bezit was van een mes toen hij [slachtoffer] – doelgericht – tegemoet trad en dat er tussen de verdachte en [slachtoffer] al langer de nodige spanningen waren. Hij heeft uit een en ander de conclusie getrokken dat de verdachte een weloverwogen beslissing heeft genomen om [slachtoffer] neer te steken en mitsdien met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Het hof overweegt – in lijn met de rechtbank – het volgende.

Zoals hierna zal blijken, acht het hof het met de advocaat-generaal aannemelijk dat de aanleiding voor de steekpartij in ieder geval mede gelegen is geweest in (de onvrede van de verdachte over) het aantreffen van de gewraakte foto op het WhatsApp-profiel van [slachtoffer] . Echter, hoewel de met de profielfoto verband houdende omstandigheden, het feit dat de verdachte een mes bij zich had toen hij de deur uit ging en zijn kalme wijze van handelen vóór de steekpartij, aanwijzingen zouden kunnen zijn voor enig vooropgezet plan, acht het hof dit ontoereikend om te kunnen oordelen dat de verdachte tevoren daadwerkelijk het plan had opgevat om [slachtoffer] van het leven te beroven. Immers, niet is vast komen te staan dat de verdachte niet in een plotselinge opwelling heeft besloten [slachtoffer] met het mes te steken, bijvoorbeeld op het moment dat hij haar voor zijn deur zag parkeren of kort daarvoor. Daarbij is in aanmerking genomen dat de verdachte voor het feit dat hij op straat over een mes beschikte, een verklaring heeft gegeven die op basis van het procesdossier niet zonder meer als ongeloofwaardig terzijde kan worden geschoven. De vraag of de verdachte tussen de elkaar opvolgende geweldshandelingen voldoende tijd voor beraad en gelegenheid voor bezinning heeft gehad beantwoordt het hof ontkennend.

Het hof acht dan ook niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord op [slachtoffer] , zodat hij moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde bestanddeel ‘met voorbedachte raad’.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2015268742-8 van 2 december 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina’s 1-2).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Op 2 december 2015 bevond ik mij in Amsterdam. In de Borgerstraat werd ik gewenkt door omstanders. Deze wezen mij in de richting van en het trottoir nabij perceel 138. Daar trof ik een vrouw aan, welk mij later opgaf te zijn genaamd [slachtoffer] . Ik zag dat de vrouw op de grond zat en bloedde. Vervolgens zag ik uit haar rechter schouder en groot vleesmes steken. Ik zag dat zij meermalen was gestoken in haar rug. Ik hoorde haar zeggen dat de vader van haar kindje haar zojuist had neergestoken. Ik hoorde dat zij een naam zei. Ik heb onthouden dat zijn achternaam [verdachte] zou zijn. Ik hoorde haar zeggen dat [verdachte] met hun kindje was weggelopen in de richting van de Jan Pieter Heijestraat. Na enige tijd arriveerde de ambulance. Het slachtoffer is in de ambulance vertrokken naar het VU ziekenhuis.

Gewond: [slachtoffer]

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2015268742-10 van 2 december 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 3-4).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:

Op 2 december 2015 bevonden wij ons te Amsterdam. Wij kregen via de portofoon de opdracht om naar de Borgerstraat te gaan alwaar iemand neergestoken zou zijn. De verdachte zou een donkere man betreffen die een huilend kind op zijn arm zou dragen. Wij zijn ter plaatse gegaan. Onderweg hoorden wij dat de verdachte weg zou lopen in de richting van de Jan Pieter Heijestraat. De melder zou achter de man aanlopen. Wij, verbalisanten, kwamen aangereden. Wij zagen dat op de Kinkerstraat, ter hoogte van de Borgerstraat, een man, die later bleek te zijn genaamd [getuige 1] . Hij wees richting een man die wij een aantal meter verder op de Jan Pieter Heijestraat zagen staan. Wij zagen dat het een donkergetinte man betrof met een kindje op zijn arm. Hierop hebben wij de man medegedeeld dat hij was aangehouden. De verdachte bleek later te zijn genaamd [verdachte] , geboren op 22 juli 1960 te Paramaribo in Suriname. Wij hoorden dat het meisje, welke later bleek te zijn genaamd [dochter] , geboren 31-08-2011, ons het volgende vertelde: “Papa ging mama snijden. Papa mama in stukjes hakken. Papa mama opeten. Allemaal bloed. Mama au. Niet leuk” of woorden van gelijke strekking.

3. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2015268742-9 van 2 december 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (dossierpagina’s 11-12).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de getuige [getuige 2]:

Ik woon in de Borgerstraat [naar het hof begrijpt: te Amsterdam] op drie hoog. Ik keek uit het raam. Ik zag dat er een grijze auto aan kwam rijden en ging staan op een vergunninghoudersplek. Ik zag dat er een vrouw uit die auto stapte en achter om de auto heen liep naar de andere kant van de auto. Tegelijkertijd zag ik dat er een Surinaams uitziende man aan kwam lopen over het trottoir. Ik zag dat hij doelgericht naar de grijze auto liep. Ik zag dat de vrouw ondertussen een klein kindje van de passagiersstoel voorin af had gehaald. Ik zag dat de vrouw samen met het kind richting de man liepen. Ik zag dat het kindje bij de man ging staan en hem een knuffel wilde geven. Op het volgende moment zag ik dat de man in zijn rechterhand een groot keuken-/vleesmes had. Ik zag dat de man tegenover de vrouw stond. Toen ik het mes in zijn hand zag, is hij op haar in gaan steken. Ik zag dat hij in zijn rechterarm met volle kracht van achter zijn hoofd richting de vrouw stak. De vrouw kwam ten val en viel achterover op haar kont. De man liep op haar af en stak de vrouw vol in haar rug ter hoogte van waar je hart ongeveer zit. Ik zag dat hij het mes eruit trok en opnieuw stak in haar schouder. Ik zag dat het mes bleef steken. Ik zag dat de vrouw op stond. Ik zag dat het mes nog in haar schouder stond. Zij schreeuwde: “Bel 112, bel politie!”. Het kleine kind heeft er volgens mij de hele tijd bij gestaan. Ik hoorde haar heel hard huilen en schreeuwen. De man liep naar het kind toe en is met het kind weggelopen in de richting van de Jan Pieter Heijestraat.

4. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2015268742-16 van 2 december 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (dossierpagina’s 128-129).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de getuige [getuige 1]:

Op 2 december 2015 stond ik op de Borgerstraat te Amsterdam. Opeens hoorde ik een vrouw gillen vanaf de andere zijde van de Borgerstraat. Ik keek in de richting van het gegil en zag een Surinaams uitziende man staan. Ik zag dat hij een klein kind vast hield. Ik zag dat hij naar beneden keek naar iemand die daar blijkbaar op de grond lag. Ik zag dat er vanaf de plaats waar ik iemand op de grond vermoedde, een vrouw opstond. Ik hoorde de vrouw gillen: “Hij neemt mijn kind mee! Bel 112!”. Ik zag dat de Surinaamse man wegliep. Ik zag dat het kind huilde. Ik liep aan de andere zijde met de Surinaamse man mee, terwijl ik de politie belde. Ik zag dat de man vanaf de Borgerstraat linksaf sloeg, de Jan Pieter Heijestraat in. Ik zag dat de politie aan kwam rijden op de Jan Pieter Heijestraat en daar de Surinaamse man aanhield.

5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2015268742 van 3 december 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (dossierpagina’s 043-044).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:

Op donderdag 3 december 2015 hebben wij, verbalisanten Gooijer en Hendriks, Cintia [slachtoffer] op de IC van het VU ziekenhuis te Amsterdam gehoord als aangever.

[slachtoffer] verklaar[de] dat normaal gesproken de ene week op woensdag en de andere week op vrijdag een overdracht is van het 4-jarige meisje [dochter] . Zo ook gisteren. Toen zij [het hof begrijpt: [slachtoffer] ] aan kwam rijden in de Borgerstraat te Amsterdam zag zij haar ex haar al tegemoet lopen. [slachtoffer] [zei] dat zij haar auto had geparkeerd op een invalidenparkeerplaats. [slachtoffer] [zei] dat zij het bestuurdersportier heeft geopend en vervolgens naar de bijrijderskant is gelopen om [dochter] uit de auto te halen. Ze zijn vervolgens met zijn tweeën achter de auto langsgelopen. [slachtoffer] ging op haar knieën om [dochter] nog een kusje te geven. Uit het niks kwam haar ex met een intense blik in zijn ogen op haar aflopen en stak haar in haar rug op het moment dat [slachtoffer] nog op haar hurken zat. Ze voelde gelijk dat zij in haar rug geraakt werd in haar linker long. Haar ex heeft haar nog een aantal keer gestoken. Op een bepaald moment kon zij wegdraaien. Bij de laatste steek bleef het mes in haar rechterschouder zitten. Zij kon in de tussentijd wegkomen, [en liep] over de rijbaan van de Borgerstraat naar de stoep toe. Zij hoorde dat haar ex zoiets riep van ‘Mijn kind een Piet maken!’. Haar ex is weer naar [dochter] gelopen en heeft haar opgepakt en is weggelopen. [dochter] was hysterisch. In het ziekenhuis heeft zij gehoord dat zij in totaal vijf keer gestoken is. Ze is geraakt aan haar long, maag, milt, lever en diafragma.

6. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van drs. [forensisch arts] , forensisch arts, gedagtekend 14 december 2015 (dossierpagina’s 142-143).


Dit geschrift houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in:

Medische informatie betreffende: [slachtoffer]

Datum incident: 02-12-2015

Eerste hulp verleend door: VUmc

Vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel: Ja

Toelichting (samenvattend): Steekverwonding waardoor letsel aan maag, punt
van de lever, middenrif en milt.

Letsels (informatie direct mondeling van de behandeld arts verkregen):

Er werd een spoed-laparotomie uitgevoerd (een open buik operatie), waarbij een maagperforatie bleek te bestaan waarin hechtingen werden gelegd. Verder werd letsel gezien aan een punt van de lever links, aan het middenrif en aan de milt. Er werd een drain in de borstholte gelegd i.v.m. een klaplong door steekwond. Inmiddels is als complicatie een infectie ontstaan in de long; een zgn. empyeem (infectie in een reeds bestaande holle ruimte). T.t.v. gesprek met de behandelend arts wordt bij [slachtoffer] een thoracotomie uitgevoerd (operatie waarbij de borstkas geopend wordt) om de infectie “uit te ruimen”. De aard van de verwondingen kan als zodanig ernstig worden gezien, dat deze zonder medisch ingrijpen waarschijnlijk dodelijk waren geweest.

7. Een proces-verbaal van mr. [rechter-commissaris] , rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, van 4 december 2015.

Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergeven voor zover van belang, in als de tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte:

Het klopt dat ik mevrouw [slachtoffer] heb gestoken.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de voorgaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 december 2015 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet naar voornoemde [slachtoffer] is toegegaan, waarna hij, verdachte, meermalen met een vleesmes in de rug (ter hoogte van de maag- en lever- en milt- en longstreek) en in de schouder voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en TBS met verpleging van overheidswege (dwangverpleging).

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van poging tot moord zal worden veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ernst van het bewezen verklaarde feit en omstandigheden waaronder het is begaan

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Hij heeft zijn ex-partner op klaarlichte dag op straat vijf maal in de rug en schouder gestoken met een groot keukenmes. Hun beider dochter, destijds vier jaar oud, stond hier met haar neus boven op en heeft dit afschuwelijke tafereel moeten aanschouwen.

Het slachtoffer is zeer zwaar gewond geraakt aan de maag, de lever, de milt, het middenrif en een long. Zij is overgebracht naar het ziekenhuis en heeft daar twee ingrijpende operaties moeten ondergaan en heeft geruime tijd op de intensive care moeten verblijven. Aangenomen moet worden dat het slachtoffer zonder medisch ingrijpen het leven zou hebben gelaten. Na ontslag uit het ziekenhuis is zij een lang revalidatietraject gestart dat nog altijd niet ten einde is. Integendeel, kort geleden heeft het slachtoffer opnieuw een grote operatie moeten ondergaan aan haar buik, waarvan zij weer ettelijke maanden zal moeten herstellen. Zij kampt nog altijd met diverse pijnklachten. De littekens die het (directe of indirecte) gevolg zijn van het door de verdachte toegepaste geweld zijn blijvend en in het oog springend; ook hierdoor zal zij dagelijks aan het afgrijselijke incident worden herinnerd. Bovendien is het slachtoffer met een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) komen te kampen, waarvoor zij zich onder psychologische behandeling heeft moeten stellen.

De dochter van het slachtoffer en de verdachte, bij wie een acute stressstoornis is vastgesteld, is bijna dagelijks bezig met hetgeen zij heeft moeten meemaken en met het welzijn van haar moeder; zij is weer in bed gaan plassen, is prikkelbaar en heeft emotionele uitbarstingen en last van nachtmerries. Ook zij moet therapie ondergaan, in haar geval bij een orthopedagoog. Zij zal opgroeien in de wetenschap dat haar vader haar moeder bijna uit het leven heeft gestoken.

De verdachte heeft voorts gevoelens van afschuw en onveiligheid bij omstanders veroorzaakt en bijgedragen aan onveiligheidsgevoelens in de samenleving in het algemeen.

Uit het procesdossier, waaronder de verklaring van de verdachte (p. 38), is gebleken de verdachte sterk negatieve gevoelens heeft over de figuur van Zwarte Piet; hij ziet die als een uiting van racisme. Vast staat dat de verdachte voorafgaand aan het incident had gezien dat het slachtoffer een foto van hun beider dochter op haar WhatsApp-profiel had geplaatst, waarin hun dochter was uitgedost als Zwarte Piet. Het hof acht het aannemelijk dat dit er in ieder geval mede aan heeft bijgedragen dat de verdachte daarvan tot zijn daad is gekomen, gezien de uitlating die hij onmiddellijk na het incident richting het slachtoffer deed, te weten ‘Mijn kind een Piet maken’. Het hof acht het buitengewoon kwalijk dat de verdachte op gewelddadige wijze uiting heeft gegeven aan zijn onvrede en emoties en deze niet heeft weten te kanaliseren.

De verdachte is niet eerder veroordeeld ter zake van vergrijpen van enige omvang. Desalniettemin zou het hof op grond van het bovenstaande oplegging van een gevangenisstraf van 9 jaren gerechtvaardigd hebben geacht, indien de verdachte zijn daad volledig had kunnen worden toegerekend. Daarbij is gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen zijn opgelegd.

Rapportage Pieter Baan Centrum, de gevolgtrekkingen van het hof en het verzoek tot het laten opmaken van een maatregelrapport

Naar de persoon van de verdachte is onderzoek gedaan door [psychiater 1] en [psycholoog 1] , respectievelijk als psychiater en psycholoog verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht (hierna: PBC). Zij hebben op 29 november 2016 een rapportage uitgebracht. De verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd. Desondanks hebben de gedragsdeskundigen – samengevat en voor zover hier van belang – het volgende gerapporteerd en geadviseerd:

( a) De verdachte heeft een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anderszins omschreven) met (hoofdzakelijk) narcistische en paranoïde trekken. Hij staat egocentrisch in het leven en deelt dat in volgens zijn eigen voorwaarden. Hij laat nauwelijks ruimte aan anderen in het interpersoonlijk contact en kan als monopoliserend, dwingend en dominant worden omschreven. Autonomie van anderen kan hij moeilijk verdragen. De verdachte disfunctioneert al langdurig in afhankelijkheidsrelaties, niet alleen met betrekking tot relatie met het slachtoffer, maar ook – zo begrijpt het hof – in de relaties met zijn andere ex-partners. De verdachte stelt zich verheven op boven anderen (zelfverheerlijking) die hij ook zonder schroom devalueert. Tegelijkertijd heeft hij de neiging informatie paranoïde in te kleuren; hij zoekt ‘overal’ wat achter, ziet kwade bedoelingen in het handelen van anderen en heeft een preoccupatie met zich benadeeld en gediscrimineerd voelen. Zijn krenkbaarheid en zijn controlebehoefte zijn groot; zij hebben een belangrijke inperkende werking op het empathisch en mentaliserend vermogen. Alhoewel bij de verdachte niet over een patroon van agressief gedrag kan worden gesproken, is er wel sprake van een stoornis in de agressiehuishouding. Hij heeft – naar het hof begrijpt – normaliter een repertoire om (min of meer) binnen maatschappelijk aanvaardbare grenzen met die agressie om te gaan. Voor een ziekelijke stoornis van de geestvermogens zijn geen aanwijzingen gevonden. De intellectuele vermogens van de verdachte zijn (klinisch) op gemiddeld geschat.

( b) De als ernstig te bestempelen persoonlijkheidsstoornis was, gelet op het structurele karakter van de problematiek, ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig en heeft in substantiële mate bijgedragen aan de totstandkoming van het ten laste gelegde. In de daaraan voorafgaande periode werd zijn narcistische problematiek waarschijnlijk in toenemende mate op de proef gesteld door escalerende partner-relatieproblemen, verloren rechtszaken omtrent de regeling voor de omgang met zijn jongste dochter en toenemende isolatie, onder meer omdat zijn dochter Desiré zich van hem had afgekeerd. Hij was er verder in toenemende mate mee bezig dat zijn jongste dochter niet in de juiste culturele achtergrond werd ingebed. De verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde ten gevolge van de gesignaleerde problematiek verminderd vrij ten aanzien van zijn gedragskeuzes en gedragingen. Echter, niet aannemelijk is dat deze beperkingen hem zijn keuzevrijheid volledig hebben ontnomen; hij was in staat het wederrechtelijke van zijn gedrag in te zien. Geadviseerd wordt de verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.

( c) Het recidiverisico wordt (op grond van klinische indrukken en risicotaxatie-instrumenten) als hoog ingeschat. Er is een duurzaam patroon van ernstige problematiek die met name tot uiting komt in afhankelijkheidsrelaties. Het conflict omtrent de omgangsregeling met de dochter van de verdachte is onverkort actueel en het toenemende terugtrekkende (sociale) netwerk kan verdergaande isolatie opleveren. Dat zijn jongste dochter voor de verdachte minder in beeld zal zijn dan hij zich had voorgesteld, zal (opnieuw) krenkend voor hem zijn. De verdachte is maatschappelijk gezien slecht ingebed en van beschermende factoren is geen sprake. Zijn probleembesef is beperkt.

( d) Om het recidiverisico dat de verdachte in zich bergt te reduceren dient hij in een gedwongen kader te worden behandeld. Gezien de voorgaande factoren wordt een klinische setting noodzakelijk geacht. Behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel biedt onvoldoende mogelijkheden en garanties, reden waarom een behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling (TBS) aangewezen is. Bezien is of deze maatregel met voorwaarden kan worden opgelegd. Het antwoord daarop luidt ontkennend. Verwacht wordt dat de verdachte slechts op eigen termen bereid zal zijn medewerking aan een behandeling zal verlenen. Wanneer hij ontevreden is met de gang van zaken, zal hij vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek geneigd zijn om de behandeling naar zijn hand te willen zetten of de handdoek in de ring te gooien. Bovendien heeft de verdachte zich in het verleden in het algemeen negatief getoond over professionele hulpverlening. Het hof begrijpt dat de gedragsdeskundigen de rechter daarom adviseren aan de verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging op te leggen.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat aan de verdachte de TBS-maatregel niet kan worden opgelegd. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd.

De in het PBC gestelde diagnose is tot stand gekomen op basis van ‘enkele oppervlakkige gesprekken’ met de verdachte. Laatstgenoemde heeft immers niet meegewerkt aan het onderzoek, zodat geen gebruik gemaakt kon worden van vragenlijsten en andere diagnose-instrumenten. Het onderzoek moet ook als gemankeerd worden gezien, omdat er geen milieuonderzoek heeft plaatsgehad en over het delictscenario onduidelijkheid bestaat. Om die redenen hadden de gedragsdeskundigen niet tot de gestelde diagnose mogen komen. Daarnaast kan er op basis van het PBC-rapport geen verband worden vastgesteld tussen de bij de verdachte veronderstelde stoornis en het ten laste gelegde. Verder is de verdachte nooit eerder veroordeeld voor geweldsdelicten en is hij ook overigens nimmer fysiek agressief geworden; hij heeft gedurende zijn leven laten zien een rem te hebben op zijn agressiehuishouding. Aan de voorwaarde dat de verdachte een ernstig gevaar voor de maatschappij vormt is derhalve niet voldaan.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat in het PBC-rapport op ondeugdelijke gronden is geconcludeerd dat de maatregel niet onder voorwaarden zou kunnen worden opgelegd. Een ‘werkelijk’ onderzoek daarnaar heeft niet plaatsgevonden, terwijl de uitspraak dat de verdachte aan die voorwaarden niet volledig mee zou werken, slechts een verwachting is. De deskundigen hebben immers niet met de verdachte over de voorwaarden kunnen spreken. Naar deze optie dient, mede gezien het ultimum remedium-karakter van de maatregel, alsnog nader onderzoek plaats te hebben. De raadsman heeft daarbij – onder verwijzing naar andere rechtelijke beslissingen – aangetekend dat een ambulante behandeling van de veronderstelde persoonlijkheidsstoornis van de verdachte tot de mogelijkheden behoort. Om deze redenen is door de raadsman verzocht door de reclassering een maatregelrapport te doen opmaken en daartoe de behandeling van de zaak aan te houden.

Het hof overweegt als volgt.

Dat de gesprekken die de gedagsdeskundigen met de verdachte hebben gehad beperkter van lengte zijn geweest dan wenselijk, vindt zijn oorzaak in het feit dat de verdachte heeft geweigerd zijn medewerking aan het gedragskundig onderzoek te verlenen. Desondanks hebben de beide gedragsdeskundigen de verdachte ieder zes maal voor langere of kortere duur kunnen spreken. Op basis van hetgeen daaruit naar voren is gekomen, alsook uit – onder meer – de observatiegegevens en het milieuonderzoek (zie p. 45 e.v. van het PBC-rapport) bekend is geworden, hebben de psycholoog en de psychiater het naar hun professionele oordeel kennelijk verantwoord geacht om tot de hiervoor weergegeven conclusies en adviezen te komen. Hetgeen de raadsman in dit verband te berde heeft gebracht geeft het hof onvoldoende aanleiding om de validiteit van de conclusies in twijfel te trekken, terwijl van de zijde van de verdachte geen rapportages of andere stukken zijn ingebracht die een ander licht op het PBC-rapport werpen. Er is te minder reden om aan die conclusies te twijfelen nu GZ-psycholoog [psycholoog 2] en psychiater [psychiater 2] – blijkens hun eerder omtrent de verdachte opgemaakte rapportages van respectievelijk 9 en 18 maart 2016 – eveneens tot de slotsom zijn gekomen dat de verdachte is behept met een persoonlijkheidsstoornis NAO (al dan niet met paranoïde trekken), zulks terwijl de verdachte met die deskundigen uitgebreid(er) heeft gesproken en hij gedurende hun onderzoek wel zijn medewerking heeft verleend aan diverse testen en vragenlijsten. Vanwege de weigerachtige opstelling van de verdachte hebben [psychiater 1] en [psycholoog 1] niet met de verdachte kunnen spreken over de omstandigheden waaronder de verdachte tot zijn daad is gekomen. Dat laat onverlet dat zij – op goede gronden – hebben kunnen uitgaan van een gang van zaken die op basis van de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte en hetgeen verder bekend is als de meest waarschijnlijke kan worden gezien. Van een situatie waarin geen verband kan worden vastgesteld tussen de bij de verdachte vastgestelde persoonlijkheidsproblematiek en het bewezen geachte is dus geen sprake, nog daargelaten de vraag of dit de verdachte in het andere geval had kunnen baten (vgl. Hoge Raad 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1311). Nu de conclusies van [psychiater 1] en [psycholoog 1] voorts worden gedragen door hun bevindingen, maakt het hof die tot de zijne.

Dit alles betekent dat voor het hof vast staat dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anderszins omschreven) met (hoofdzakelijk) narcistische en paranoïde trekken, dat hij hieraan ook thans nog lijdt en dit in belangrijke (doch niet doorslaggevende) mate heeft bijgedragen aan de totstandkoming van zijn gewraakte handelwijze. Het hof rekent de verdachte het bewezen geachte feit dus in verminderde mate toe. Dit heeft een sterk matigend effect op de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf.

Het hof is verder van oordeel dat de verdachte afgestraft en onbehandeld een té groot gevaar vormt voor de Nederlandse samenleving en voor het slachtoffer, met wie hij door zijn jongste dochter altijd op enigerlei wijze verbonden zal blijven, en toekomstige partners in het bijzonder. Daartoe is niet alleen redengevend dat het recidivegevaar door [psychiater 1] en [psycholoog 1] (aan de hand van risicotaxatie-instrumenten) – zeker in afhankelijkheidsrelaties – als hoog is beoordeeld, maar ook de lichtvaardige wijze waarop de verdachte op 2 december 2015 kennelijk tot exorbitante geweldstoepassing heeft kunnen komen. Verder acht het hof – anders de raadsman – het niet onaannemelijk dat de verdachte in de relationele sfeer vaker over is gegaan tot toepassing van geweld, gezien de verklaring van een getuige (p. 137 zaaksproces-verbaal) en hetgeen uit de politiesystemen bekend is (zie p. 5 van het persoonsgebonden overzicht).

Gelet op de ernst van het gepleegde feit, de door [psychiater 1] en [psycholoog 1] vastgestelde aard en de ernst van de bij de verdachte aanwezige problematiek en het wezenlijk geachte recidivegevaar, acht het hof oplegging van de TBS-maatregel noodzakelijk en de optie om de verdachte buiten het bestek van die maatregel (in een minder vergaand behandelkader) niet een reële en niet afdoende.

Het hof is voorts van oordeel dat de TBS-maatregel niet onder voorwaarden kan worden opgelegd, omdat het zeer waarschijnlijk is dat de verdachte niet bereid of in staat zal zijn zich aan de te stellen voorwaarden, waaronder langdurige klinische behandeling, te houden. Het hof grondt dit laatste oordeel op de inhoud van het PBC-rapport en – niet in de laatste plaats – op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Daar heeft de verdachte duidelijk gemaakt dat hij zich niet herkent in hetgeen in het rapport is opgenomen, niet te willen meewerken aan klinische behandeling, niet te weten waarom een behandeling zinvol zou kunnen zijn en alleen onder door hem te formuleren condities met een psychiater of een reclasseringswerker te willen praten. Daarom vereist de veiligheid van anderen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling mét bevel tot verpleging van overheidswege. Om dezelfde redenen wordt geen noodzaak gezien om omtrent de verdachte een maatregelrapport op te maken, zodat het daartoe strekkende verzoek en het aanhoudingsverzoek worden afgewezen.

Het hof stelt samenvattend vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van het bewezen feit immers sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, het door de verdachte begane feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en naar het oordeel van het hof eist de algemene veiligheid van personen oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte en het bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

De maatregel zal worden opgelegd wegens (een poging tot) doodslag, een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.

Conclusie

Het hof acht, alles overziend, naast de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging oplegging van een gevangenisstraf van vier jaren passend en geboden. Het hof legt dus een hogere gevangenisstraf op dan de rechtbank, omdat alleen op deze wijze – rekening houdend met de mate waarin de verdachte zijn handelwijze wordt toegerekend – recht wordt gedaan aan het afschuwelijke karakter van het bewezen geachte en de gevolgen voor het slachtoffer en haar dochter, en met het oog op de strafdoelen van vergelding en generale preventie.

Contactverbod

Namens het slachtoffer is op de terechtzitting in hoger beroep verzocht de verdachte te verbieden op enigerlei wijze contact met het slachtoffer te hebben of op te nemen. De juridische vorm waarin dit zou moeten worden gegoten, heeft het slachtoffer aan het hof overgelaten.

Hoewel het hof de wens van het slachtoffer legitiem acht, ziet het hof gelet op de langdurige gevangenisstraf en de TBS-maatregel geen ruimte om bij onderhavig arrest aan die wens (bijvoorbeeld door toepassing van de artikelen 14c of 38v Sr) tegemoet te komen. Het hof gaat ervan uit dat de directeuren van de penitentiaire inrichting waar de verdachte verblijft en de kliniek waar de verdachte zal worden behandeld de nodige maatregelen ter bescherming van het slachtoffer zullen nemen, zodra daartoe aanleiding bestaat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.926,04 en bestaat uit de volgende schadeposten:

a. a) arbeidsverzuim € 2.117,10

b) eigen bijdragen zorgkosten € 1.155,00

c) jas € 150,00

d) broek € 60,00

e) shirt € 30,00

f) ondergoed € 30,00

g) schoeisel € 50,00

h) inslapers € 60,00

i. i) reis- en parkeerkosten € 95,12

j) gederfde inkomsten sportmassage € 1.534,54

k) immateriële schade € 15.000,00

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 16.535,00, waarvan

€ 1.535,00 ter compensatie van materiële schade en een bedrag van € 15.000,00 ter compensatie van immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering en daar verzocht het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met wettelijke rente.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich voor wat betreft de opgevoerde materiële schade op het standpunt gesteld dat de door de rechtbank toegewezen som voor vergoeding in aanmerking komt, alsook de onder i) en j) genoemde schadeposten. Hij heeft wat betreft de opgevoerde immateriële schade gesteld dat een bedrag van € 15.000,00 dient te worden vergoed. Tot slot heeft hij gevorderd dat ter zake van deze bedragen de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Standpunt van de verdachte

Zijdens de verdachte is gesteld dat de onder a) genoemde schade primair moet worden afgewezen, omdat deze door de verzekeraar wordt vergoed, subsidiair omdat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd. De onder b) genoemde schadepost wordt door de verdachte erkend als rechtstreeks geleden schade, maar op basis van de facturen van VGZ kan slechts tot totaalbedrag van € 644,28 worden gekomen. De posten onder c) tot en met j) zijn onvoldoende onderbouwd nu deze niet zijn gestaafd door bonnetjes. Tot slot is de onder k) genoemde immateriële schade onvoldoende onderbouwd, nu niet slechts kan worden volstaan met een verwijzing naar een uitspraak van een soortgelijk geval. De verdediging heeft gesteld dat de verzochte wettelijke rente een verhoging van de vordering betreft, hetgeen in hoger beroep niet is toegelaten. Dit deel van de vordering moet worden afgewezen.

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de schadeveroorzakende gebeurtenis door de verdediging niet is betwist. De civielrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor de uit die – als onrechtmatige daad te bestempelen – gebeurtenis rechtstreeks voortgevloeide schade is hiermee gegeven.

De onder b) genoemde schade is zijdens de verdediging niet weersproken tot het bedrag van € 644,28, omdat die schade slechts tot dat bedrag uit de overgelegde stukken kan blijken. Echter, waar het naar het oordeel van het hof uit de stellingen van de benadeelde partij en hetgeen bekend is omtrent het (operatief) ingrijpen door en controle bij medisch specialisten aannemelijk is geworden dat het (verplichte) eigen risico voor de zorgverzekering in de jaren 2015, 2016 en 2017 is opgesoupeerd ten gevolge van het bewezenverklaarde (en dit zijdens de verdachte niet voldoende gemotiveerd is betwist), en het van algemene bekendheid is dat het (verplichte) eigen risico in die jaren respectievelijk € 375,00, € 385,00 en € 385,00 heeft bedragen, acht het hof dit onderdeel van de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 1.145,00. Het op dit punt meer of anders gevorderde moet worden afgewezen.

Met betrekking tot de onder c) tot en met h) genoemde posten is hetgeen door de benadeelde partij is gesteld omtrent het optreden daarvan en de causale relatie met het incident van 2 december 2015 door de verdediging niet voldoende gemotiveerd betwist; er is van die zijde slechts gesteld dat de omvang van die schade wegens onvoldoende onderbouwing niet kan worden vastgesteld. Hoewel inderdaad bonnen die de waarde van de onderhavige kledingstukken en de inslapers nader onderbouwen ontbreken acht het hof het, anders dan de verdediging, geen onevenredige belasting van het strafgeding de omvang van de gestelde schade schattenderwijs te bepalen op de gevraagde vergoedingen. Een bedrag van (€ 150,00 + € 60,00 + € 30,00 + € 30,00 + € 50,00 + € 60,00 =) € 380,00 ligt dan ook voor toewijzing gereed.

Ten aanzien van de onder a), i) en j) genoemde schade heeft de verdediging het optreden daarvan c.q. de causale relatie met het bewezen geachte voldoende gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van het hof vormt het in deze fase van de procedure een onevenredige belasting van het strafgeding om de benadeelde partij tot (nadere) bewijslevering toe te laten. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering, waarin zij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft gesteld dat de vordering met betrekking tot de onder k) genoemde immateriële schade onvoldoende is onderbouwd. Deze stelling kan niet worden gezien als een voldoende gemotiveerde betwisting van de uitvoerig gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij aangaande het optreden van immateriële schade en de causale relatie met de bewezen geachte gebeurtenis, zodat die vast zijn komen te staan.

De raadsman heeft aangevoerd dat hem uit een niet nader door hem aangeduid arrest van de Hoge Raad is gebleken dat de rechter bij de begroting van de omvang van immateriële schade niet kan volstaan met een verwijzing naar ‘een vergelijkbare zaak’. Deze stellingname is op zich niet onjuist. De rechter dient bij deze begroting, die aan hem is voorbehouden, immers rekening te houden met alle omstandigheden, in gevallen als de onderhavige in het bijzonder de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. De rechter dient bij zijn begroting tevens te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met in aanmerkingneming van de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding. De rechter is daarbij niet gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast (Hoge Raad 17 november 2000, NJ 2001/215).

Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid – met de advocaat-generaal – schatten op € 15.000,00, waarbij in het bijzonder is gelet op de omstandigheden dat ten gevolge van het bewezen geachte de benadeelde partij
- zeer zwaar en levensgevaarlijk gewond is geraakt;

- is overgebracht naar het ziekenhuis en daar twee ingrijpende operaties aan de buik en borstkas heeft moeten ondergaan en geruime tijd op de intensive care heeft moeten verblijven;

- na ontslag uit het ziekenhuis een lang revalidatietraject is gestart dat nog altijd niet ten einde is;

- kort geleden opnieuw een grote operatie heeft moeten ondergaan aan haar buik, waarvan zij opnieuw ettelijke maanden zal moeten herstellen;

- nog altijd kampt met diverse pijnklachten;

- littekens heeft en die blijvend, ontsierend en in het oog springend zijn;

- met een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) is komen te kampen, waarvoor zij zich onder psychologische behandeling heeft moeten stellen die nog altijd voortduurt;

- als moeder moet aanzien dat en op welke wijze haar dochter met ingrijpende psychische klachten moet leren omgaan.

Verder heeft het hof gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat uit de processtukken niet blijkt dat de benadeelde partij in eerste aanleg de wettelijke rente heeft gevorderd. Haar vordering kan niet eerst in hoger beroep worden vermeerderd met de wettelijke rente (vgl. HR 11 januari 2000, NJ 2000/217). Ten aanzien hiervan dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De raadsman heeft het hof verzocht af te zien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Nu de verdachte schulden en beperkte inkomsten heeft, zal hij onafwendbaar de vervangende hechtenis dienen te ondergaan. Hierdoor zal de maatregel een punitief karakter hebben, aldus de raadsman.

Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

Ingevolge het tweede lid van artikel 36f Sr kan de rechter de maatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. De draagkracht van de verdachte speelt bij de bepaling van de hoogte van het bedrag geen rol. In geval van oplegging van de maatregel bepaalt de rechter de vervangende hechtenis (artikel 36f, achtste lid, Sr). Weliswaar kan de rechter wegens gebrek aan draagkracht van de verdachte ervan afzien de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, doch in dat geval dient sprake te zijn van uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld indien op voorhand vaststaat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis. Anders dan de verdediging heeft gesteld, is van een dergelijk uitzonderlijk geval hier niet gebleken, ook niet als daarbij de door het hof op te leggen gevangenisstraf en TBS-maatregel in ogenschouw worden genomen. Het is het hof bijvoorbeeld ambtshalve bekend dat gedurende de tenuitvoerlegging van die laatste maatregel er met een ter beschikking gestelde actief aan wordt gewerkt dat aan een uit een schadevergoedingsmaatregel voortvloeiende betalingsverplichting wordt voldaan.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof dus de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze en bepalen dat de in dat verband de door de verdachte te betalen som wordt vermeerderd met de wettelijke rente. De omstandigheid dat de benadeelde partij die rente niet in eerste aanleg heeft gevorderd staat daaraan niet in de weg (vgl. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR2015:211).

Verzoek tot het tonen van filmopnames

De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht om filmopnames te mogen vertonen. Daarop zou zijn dochter te zien zijn die om hulp zou vragen; er zou sprake zijn van ‘stille verwaarlozing’. De raadsman heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof. De advocaat-generaal heeft voorgesteld het verzoek af te wijzen.

Het hof wijst het verzoek van de verdachte af. Gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd kan het afspelen van de bedoelde filmopnames op de terechtzitting in redelijkheid niet van belang zijn voor enige door het hof in deze zaak te nemen beslissing, zodat voor de inwilliging van het verzoek geen noodzaak bestaat.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

2 schoenen (509444);

1. zwarte jas (5094445);

1. zwarte trui (5094446);

1. grijze broek, Life-Line (5094448);

1. grijs vest (5094451);

1. zwarte muts (5094452);

1. zwarte computer, Packard Bell notebook (5156129).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 16.525,00 (zestienduizend vijfhonderdvijfentwinting euro) bestaande uit € 1.525,00 (duizend vijfhonderdvijfentwinting euro) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst af hetgeen de benadeelde partij ter compensatie van de kosten voor het eigen risico van de zorgverzekering meer of anders heeft gevorderd.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige (met inbegrip van de wettelijke rente) niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 16.525,00 (zestienduizend vijfhonderdvijfentwintig euro) bestaande uit € 1.525,00 (duizend vijfhonderdvijfentwintig euro) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 117 (honderdzeventien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. M.L.M. van der Voet en mr. T. Blom, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juni 2017.

mr. T. Blom is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.