Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2216

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
23-000350-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000350-15

datum uitspraak: 14 juni 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 januari 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-702312-14 tegen

[naam] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

adres: [adres]

Onderzoek van de strafzaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 mei 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 14 juli 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een kilo MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen

- voornoemde MDMA (waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)) heeft meegenomen naar snackbar [naam snackbar] , in elk geval aldaar aanwezig heeft gehad en/of

- een geldsom van 25.800 euro (waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die bestemd was tot het plegen dat/die feit(en)) heeft meegenomen naar snackbar [naam snackbar] , in elk geval aldaar voorhanden heeft gehad en/of

- in voornoemde snackbar contact heeft gemaakt met zijn mededader(s) door hand(en) te schudden en/of naast hem/hen te gaan zitten en/of met hem/hen te praten en/of

- vervolgens (de inhoud van de tas waarin) voornoemde MDMA (zat) heeft getoond aan zijn mededader(s) en/of

- vervolgens (de inhoud van de tas waarin) voornoemde MDMA (zat) heeft bekeken toen dit/deze werd getoond door zijn mededader(s).


subsidiair:
hij op of omstreeks 14 juli 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) een kilo, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bespreking van het verweer van de raadsman

Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn pleitnota betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de inhoud van de tas. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De rechtbank heeft de wetenschap bij de verdachte bewezen verklaard op grond van de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] . Door de verdediging is het verzoek gedaan [medeverdachte 1] als getuige te horen, maar dat is tot dusver niet gelukt. Hierdoor heeft de verdediging geen gebruik kunnen maken van het ondervragingsrecht, hetgeen in strijd is met artikel 6 EVRM. Aangezien de verklaring van [medeverdachte 1] het enige en dragende bewijsmiddel is voor de wetenschap van de verdachte met betrekking tot de inhoud van de tas en er geen compenserende factoren aan de verdediging zijn aangereikt, waaronder de toetsing van de betrouwbaarheid van diens verklaring, dient de verklaring van [medeverdachte 1] te worden uitgesloten van het bewijs.

Het oordeel van het hof


Naar het oordeel van het hof volgt uit het betreffende proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris dat in voldoende mate is getracht [medeverdachte 1] als getuige te horen. Bovendien is de belastende verklaring van [medeverdachte 1] niet het enige of beslissende bewijsmiddel waaruit de wetenschap van de verdachte kan worden afgeleid. Diens verklaring zal daarom niet worden uitgesloten van het bewijs.

De weerlegging van het verweer inzake de wetenschap van de verdachte volgt uit de door het hof te bezigen bewijsmiddelen. In het bijzonder acht het hof de navolgende feiten en omstandigheden redengevend:

- [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zitten in Snackbar [naam snackbar] . Op een gegeven moment komt de verdachte binnen, voert een gesprek met de mannen en verlaat de snackbar;
- [medeverdachte 3] loopt vervolgens met een rode plastic tas in zijn hand richting snackbar [naam snackbar] en ontmoet vlak voor die snackbar de verdachte;
- [medeverdachte 3] en de verdachte schudden elkaar de hand en [medeverdachte 3] geeft de rode plastic tas aan de verdachte en fluistert iets in de richting van de verdachte. Vervolgens wijst [medeverdachte 3] naar het raam van de snackbar waar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zitten;
- [medeverdachte 3] en de verdachte gaan de snackbar binnen, geven [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een hand en gaan bij hen zitten;
- tijdens een gesprek tussen de vier mannen toont de verdachte de inhoud van de tas aan [medeverdachte 1] .


Op grond van de hierboven beschreven waarnemingen van de politieagenten, alsmede de eigen waarneming van het hof na het bekijken van de camerabeelden en het daadwerkelijk aantreffen van een kilo MDMA in de rode plastic tas, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte wetenschap had van de inhoud van de tas.

Hierin ligt besloten dat het hof geen waarde hecht aan de door verdachte afgelegde -inconsistente- andersluidende verklaring voor zijn handelwijze en hieraan dus voorbij zal gaan.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

In inhoud en strekking daarvan ligt naar het oordeel van het hof besloten dat de tenlastelegging in de kern ook ziet op de rol van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Het is echter te zeer bezijden de werkelijke gang van zaken zoals die uit de bewijsmiddelen blijkt om deze personen als medeplegers aan te merken van het aan henzelf verkopen van een kilo MDMA. Het hof acht daarom het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 14 juli 2014 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad een kilo, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging in verzekering heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid MDMA. Het gebruik van MDMA kan schadelijke gevolgen meebrengen voor de gezondheid van gebruikers. De verdachte heeft zich hiervoor onverschillig betoond. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het criminele circuit waarin deze harddrugs rouleren.

Gezien de ernst van het feit volstaat geen andere strafmodaliteit dan een vrijheidsbenemende straf.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 mei 2017 is hij eerder ter zake van overtreding van de Opiumwet onherroepelijk veroordeeld. Nu deze veroordeling uit 2002 dateert, zal het hof dit niet ten nadele van de verdachte meewegen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. F.M.D. Aardema en mr. A.M. Kengen, in tegenwoordigheid van

mr. D.E.C. Velthuis, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 juni 2017.