Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2181

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
23-003107-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling diefstal uit woning in vereniging, benadeelde partij gedeeltelijk toewijzen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003107-16

datum uitspraak: 6 juni 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 17 augustus 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-870992-16 tegen

[naam] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 mei 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:


primair:

hij op of omstreeks 22 mei 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres 2] heeft weggenomen een televisie (flatscreen Samsung) en/of personal computer en/of een of meer pet(ten) en/of een tablet (Samsung Tab 3) en/of een of meer siera(a)d(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
subsidiair:
een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 22 mei 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres 2] heeft/hebben weggenomen een televisie (flatscreen Samsung) en/of personal computer en/of een of meer pet(ten) en/of een tablet (Samsung Tab 3) en/of een of meer siera(a)d(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan de (onbekend gebleven) verdachte(n), waarbij deze(n) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of deweg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 22 mei 2016 te Zaandam, in de gemeente Zaanstad, opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan een of meer van die onbekend gebleven perso(o)n(en) zijn tas uit te lenen en/of door een of meer van hen te helpen een of meer van de weggenomen goed(eren) (weg) te dragen/sjouwen (van voornoemde woning naar een steeg);

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Gevoerde verweren

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde, omdat de veroordeling in belangrijke mate berust op de herkenning door getuige [getuige 1] , terwijl getuige [getuige 1] de verdachte pas heeft herkend toen zij met zijn Facebookfoto werd geconfronteerd. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het primair tenlastegelegde niet kan worden bewezen omdat er geen sprake zou zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft zij naar voren gebracht dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte opzet had op de woninginbraak, dan wel op het verlenen van hulp daaraan.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt hieromtrent als volgt.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, heeft getuige [getuige 1] blijkens haar eigen verklaring (p. 37-38) en die van getuige [getuige 2] (p. 35) reeds vóór het zien van een foto van de verdachte te kennen gegeven dat zij haar bovenbuurjongen, zijnde de verdachte, in de gang van de woning heeft zien lopen.

Gelet op de verklaring van getuige [getuige 1] , die heeft verklaard over een tweede persoon bij de woning, de verklaring van getuige [getuige 3] (p. 41), die spreekt over stemmen die zij in de woning hoorde, alsmede het feit dat een stukje van de uit de woning gestolen ketting bij de verdachte is aangetroffen, oordeelt het hof dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking bij de inbraak en dat de verdachte daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

De verklaring die de verdachte in dit verband heeft afgelegd, namelijk dat hij onwetend van de woninginbraak in de nabijheid van de woning heeft geholpen een televisie te verplaatsen naar een nabijgelegen steeg en dat hij zijn tas – waaruit het weggenomen stukje ketting tevoorschijn is gekomen – even daarvoor had uitgeleend aan en weer had terug gekregen van een ander, schuift het hof als ongeloofwaardig terzijde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:
hij op 22 mei 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres 2] heeft weggenomen een televisie (flatscreen Samsung) en een personal computer en petten en een tablet (Samsung Tab 3) en sieraden geheel toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het primair ten laste gelegde

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de, hieronder weergegeven, bewijsmiddelen zijn vervat.

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2016113646-1 van 22 mei 2016 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina 28-30.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 22 mei 2016 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van aangever [slachtoffer]:

Op 22 mei 2016 om 12.00 uur heb ik mijn woning aan de [adres 2] 5 te Zaandam deugdelijk afgesloten en verlaten. Ik werd ’s middags gebeld door de politie dat er was ingebroken. Toen ik thuis kwam, zag ik dat de achterruit van de woonkamer stuk was en dat er een straattegel in de huiskamer lag. Op de bovenverdieping stonden de laden en kasten nog open.

Uit de woning is het volgende, zoals genoemd in de bijlage goederen, door onbekende(n) weggenomen:
- Flatscreen-televisie, Samsung, zwart, 1 stuks
- Personal-computer, 1 stuks

- Pet-hoofddeksel, Nike, baseball cap, wit, 7 stuks
- Tablet, Samsung Tab 3, zwart, 1 stuks.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2016113646-4 van 23 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pagina 35-36.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 mei 2016 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van getuige V.I.P. [getuige 2]:

Mijn man heeft gisteren aangifte gedaan van inbraak in onze woning, [adres 2] te Zaandam. Hij was vanmorgen de rotzooi aan het opruimen die gemaakt was naar aanleiding van de inbraak. Tijdens het wegbrengen van glas naar de glasbak sprak hij een vrouw die op het [adres 3] woont. Toen mijn man vertelde dat er gistermiddag bij ons was ingebroken vertelde de vrouw dat zij getuige was geweest. Zij had namelijk gezien dat een paar jongens bij mij de voorzijde van mijn woning in en uitliepen. Zij herkende een van de jongens als haar bovenbuurjongen. De vrouw die getuige is geweest heet [getuige 1] en zij woont aan het [adres 3] 22 te Zaandam.

Ik wil nog verklaren dat er buiten de goederen die door mijn man zijn genoemd, sieraden weg zijn. Het betreft een aantal gouden en zilveren armbanden, ringen en halskettingen.

3. Een proces-verbaal van verhoor PL1100-2016113646-5 van 23 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pagina 37-38.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 mei 2016 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van getuige [getuige 1]:

Vandaag, maandag 23 mei 2016, sprak ik een man (het hof begrijpt: aangever [slachtoffer] ) die in de [adres 2] te Zaandam woont. Ik vroeg hoe het met hem ging en hij zei toen tegen mij dat er was ingebroken. Ik vroeg aan hem wanneer het was gebeurd en realiseerde mij toen dat ik gezien had dat er jongens bij hem de deur in en uit liepen.

Het was namelijk gisteren, 22 mei 2016, ergens tussen 14.00 uur en 16.00 uur. Ik fietste door de [adres 2] en zag de voordeur van de woning van de man die ik vandaag sprak openstaan. Ik zag een jongen die ik ken door de gang naar de voordeur lopen. Ik herkende hem als de man die op het [adres 3] 36 te Zaandam woont. Het is een jongen met een donkere huidskleur, ik vermoed van Surinaamse afkomst. Ik zag ook een licht getinte jongeman de woning uitkomen en weglopen. Deze jongen was iets langer dan de andere, en hij had zijn hoofd bedekt. Ik zag da de man iets met zich droeg, ik meen met een draad en een stekker eraan. Toen ik 15 á 20 minuten later weer door de straat fietste, stond de voordeur van de woning nog steeds open, maar ik zag niemand meer.

Ik heb het hele verhaal aan de man verteld. Later kwam zijn dochter bij mij en liet mij een foto zien die zij op Facebook had opgezocht. Ik herkende de man op de foto als de man die ik gisteren in de gang heb zien lopen. Hij woont op het [adres 3] 36 te Zaandam.

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016113646-6 van 23 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] , doorgenummerde pagina 55-56.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Getuige [getuige 1] herkende een van de jongens die betrokken was bij de woninginbraak als haar bovenbuurjongen, wonende op het adres: [adres 3] 36 te Zaandam. Uit de politiesystemen bleek dat [bewoner] , geboren te Suriname op 11 oktober 1997, op dit adres woont.

5. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL100-2016113646-24 van 25 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 4] , doorgenummerde pagina 41-43.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 25 mei 2016 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van getuige [getuige 3] :

Op 22 mei 2016 heb ik een melding gedaan van een inbraak op de [adres 2] te Zaandam. Ik hoorde die dag een knal die mijn aandacht trok. Later hoorde ik stemmen in de woning van de buren van nummer 5. Ik herkende niet de stemmen van mijn buurman en buurvrouw. Ik zag iemand lopen op het erf. Ik zag hem van achteren. Hij was breed, dus een fors postuur. Ik schat hem op ongeveer 1,85 meter. Ik zag hem van boven dus ik kon zijn lengte moeilijk inschatten. Ik zag dat hij een donkere huidskleur had. Hij droeg een blauwzwarte muts en een jas met blauwzwarte mouwen.

6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016113646-11 van 24 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] , doorgenummerde pagina 52-53.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 23 mei 2016 werd [bewoner] onderworpen aan een insluitingsfouillering, voordat hij werd ingesloten in het cellencomplex van het politiebureau te Zaandijk. Bij de fouillering werden alle zakken van zijn jas en broek doorzocht. Verder had de verdachte een tasje bij zich met daarin diverse goederen.

Op het moment dat ik goederen in de fouilleringszak deed werd door politiemedewerker [opsporingsambtenaar 1] een deel van een sieraad op de tafel in de fouilleringskamer opgemerkt. Wij hoorden dat dat de verdachte [bewoner] zei: “Dat hoort bij ehh”. Nadat [bewoner] dat had gezegd en zag wat [opsporingsambtenaar 1] in zijn handen had hield hij abrupt zijn mond.

Ik zag dat [opsporingsambtenaar 1] een stukje van een ketting of armband van ongeveer 3,5 cm in zijn handen had. Het bevatte twee stukjes goud met daartussen een stukje zilver. Aan het uiteinde was een klein oogje te zien. Vermoedelijk was dit van een ketting of armband afgebroken.

Aangezien de tafel voorafgaande aan de fouillering schoon was, moet dit goud- en zilverkleurig stukje ketting of armband tussen de spullen van verdachte hebben gezeten en bij het leeghalen van de zakken van zijn jas of de tas op tafel terecht zijn gekomen.

7. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016113646-17 van 25 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 5] , doorgenummerde pagina 54.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 24 mei 2016 liet ik het stukje ketting aan de vrouw van de aangever, [getuige 2] , zien. Ik stelde de vraag of ze het deeltje van de ketting herkende. Ik zag haar hier bevestigend op knikken. Ik hoorde haar zeggen dat het deeltje in een sieradenbakje had gelegen welk tijdens de inbraak was weggenomen van de slaapkamer. De ketting was al kapot en dat deeltje van de ketting lag in dat bakje samen met nog andere sieraden. Op dat moment wist ze niet waar de rest van de ketting zich bevond.

Op het bureau werd collega [opsporingsambtenaar 1] gebeld door de vrouw van de aangever met de mededeling dat ze de kapotte ketting had gevonden en dat ik de kapotte ketting kon vergelijken met het aangetroffen deel bij de verdachte.

Eenmaal bij de woning aangekomen zag ik dat de ketting goudkleurig was met zilveren tussenstukken. Ik zag dat de ketting gelijkend was aan het aangetroffen deel bij de verdachte.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich - samen met een ander - schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Woninginbraken veroorzaken niet alleen materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is voor hen bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en dat hun persoonlijke bezittingen zijn doorzocht. Daarbij komt dat in het onderhavige geval uit de toelichting op de vordering benadeelde partij is gebleken dat de bewoners, en met name de kinderen, zich sinds de inbraak uitermate onveilig voelen in de woning. Een dergelijk feit veroorzaakt tevens gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 mei 2017 is hij kort voor het onderhavige feit ter zake van een vermogensdelict, een straatroof, veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf. Die veroordeling is inmiddels onherroepelijk en weegt het hof in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in zijn nadeel mee, evenals een veroordeling uit 2014 betreffende een vermogensdelict.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met zijn jonge leeftijd, alsmede met het feit dat de verdachte – die kort geleden in vrijheid is gesteld – ter terechtzitting in hoger beroep heeft getoond dat hij een cursus ‘Kies voor verandering’ heeft gevolgd tijdens zijn tijd in gevangenschap, begeleid zal worden vanuit de zogeheten “top 600” en dat hij er ook anderszins van blijk heeft gegeven zijn leven op een positieve manier te willen oppakken. Anders dan de reclassering in het advies van 28 juli 2016 heeft geadviseerd, en dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, wil het hof de verdachte de kans bieden zijn leven een wending ten goede te geven, zodat in plaats van een vrijheidsbenemende straf – die in beginsel passend wordt geacht – een taakstraf zal worden opgelegd. Voor opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis is dan ook geen plaats.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]


De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.032,93, waarvan € 2.500 ziet op immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden ter hoogte van € 1.617,98. Het hof baseert de hoogte van het voor vergoeding in aanmerking komende bedrag schattenderwijs op de door de benadeelde partij verstrekte stukken als volgt:

kleding € 300,-

computer € 350,-

televisie € 500,-

tablet € 250,-,

horloge € 17,98

schade aan de tv-kast € 100,-

schade aan laminaat en gordijnen € 100,-.

Het hof houdt hierbij in matigende zin rekening met het feit dat de computer, televisie en tablet enigszins verouderd zijn.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.


Ten aanzien van de materiële schade die zou zijn geleden aan het schoeisel, de navigatiesystemen, de haar- en baardtrimmer en de Alcatel met hoes is het hof van oordeel dat deze posten geen rechtstreekse schade betreffen, nu uit het dossier niet blijkt dat deze goederen bij de inbraak zijn weggenomen. Ten aanzien van de sieraden en de overige (kleinere) beschadigingen geldt dat behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu deze vorderingen onvoldoende onderbouwd zijn. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden ter hoogte van € 1.000,-.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.617,98 (tweeduizend zeshonderdzeventien euro en achtennegentig cent) bestaande uit € 1.617,98 (duizend zeshonderdzeventien euro en achtennegentig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.617,98 (tweeduizend zeshonderdzeventien euro en achtennegentig cent) bestaande uit € 1.617,98 (duizend zeshonderdzeventien euro en achtennegentig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 36 (zesendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.


Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Heft op het geschorste bevel tot bewaring van 26 mei 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. C.N. Dalebout en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van N. Hannaart, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 juni 2017.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest te ondertekenen.