Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2180

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
23-000266-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wederspannigheid door o.a. te bijten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000266-17

datum uitspraak: 6 juni 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 december 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-085070-15 tegen

[naam] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 mei 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 april 2015 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, toen (een) aldaar dienstdoende politieambtena(a)r(en) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer strafbare feiten had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte ten spoedigste/onverwijld, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een plaats van verhoor, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door opzettelijk gewelddadig te rukken en/of te trekken in een andere richting dan waarheen die opsporingsambtena(a)r(en) verdachte wilde(n) hebben en/of door een opsporingsambtenaar in een arm te bijten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 april 2015 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, toen aldaar dienstdoende politieambtenaren verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van een strafbaar feit hadden aangehouden en hadden vastgegrepen teneinde verdachte onverwijld, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een plaats van verhoor, zich met geweld tegen die opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door opzettelijk gewelddadig te rukken en te trekken in een andere richting dan waarheen die opsporingsambtenaren verdachte wilden hebben en door een opsporingsambtenaar in een arm te bijten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van 350 euro, te vervangen door 7 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van 350 euro, te vervangen door 7 dagen hechtenis, waarvan 175 euro voorwaardelijk, te vervangen door 3 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich verzet tegen zijn aanhouding door politieambtenaren en heeft daarbij een politieagent gebeten. Dergelijk gedrag is ernstig, niet alleen omdat hiermee het werk van de politie wordt bemoeilijkt, maar ook omdat de desbetreffende ambtenaar erdoor in zijn gezag en, in dit geval, in de lichamelijke integriteit wordt aangetast. Bovendien getuigt dergelijk gedrag jegens politieambtenaren in functie van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 mei 2017 is hij eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld, maar is hij de laatste twee jaren niet in aanraking gekomen met justitie. De verdachte heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat hij werk heeft gevonden bij [bedrijf] , waar hij als ondersteunend begeleider werkt. Daarnaast verwacht hij binnenkort samen met zijn partner een kind te krijgen en hebben zij samen een huis gekocht. Het hof acht het aannemelijk dat de verdachte een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven en zal dit ten gunste van de verdachte meewegen bij de straftoemeting.

Voorts houdt het hof ten voordele van de verdachte rekening met het betrekkelijk ruime tijdsverloop tussen het plegen van het tenlastegelegde feit en de behandeling in hoger beroep.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Gelet op voornoemde gunstige ontwikkelingen in het leven van de verdachte en teneinde hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen zal een gedeelte daarvan in voorwaardelijke vorm worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 180 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 175,00 (honderdvijfenzeventig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. C.N. Dalebout en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van N. Hannaart, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 juni 2017.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest te ondertekenen.