Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2171

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
23-003890-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1551, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming. Eenvoudige kasopstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003890-14 (ontneming)

datum uitspraak: 7 juni 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 september 2014 op de vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 14-880342-11 tegen de veroordeelde

[naam] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

adres: [adres] .

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 293.510,00.

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 september 2014 veroordeeld ter zake van -kort gezegd- het telen van hennep in de periode van 9 juli 2012 tot en met 2 september 2013.

Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 29 september 2014 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 212.277,71 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het Openbaar Ministerie en de veroordeelde hebben hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 januari 2017 veroordeeld terzake van -kort gezegd- het telen van hennep in de periode van augustus 2008 tot en met 2 september 2013.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman mr. [advocaat] , advocaat te Hoorn, naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair gevorderd dat aan de veroordeelde hoofdelijk de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 450.640,40 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 450.640,40 en dat het Hof aan beide veroordeelden de betalingsverplichting oplegt voor een bedrag van € 225.320,20.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft primair het verzoek gedaan tot aanhouding van de ontnemingszaak in afwachting van het door hem ingestelde cassatieberoep bij de Hoge Raad in de onderliggende strafzaak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aanhouding van de ontnemingszaak indien het hof kiest voor een berekening volgens de kasopstellingsmethode, nu de Hoge Raad binnenkort een uitspraak zal doen betreffende de toepassing van de transactiemethode versus de kasopstellingsmethode.

Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de kasopstelling van het financiële onderzoek onjuist en onvolledig is en dient uit te komen op een positief kassaldo van € 103.482,00.

Beoordeling

Er is geen reden tot aanhouding van de ontnemingszaak, nu het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel zal berekenen aan de hand van een eenvoudige kasopstelling. De berekening is derhalve niet gekoppeld aan het feit van de onderliggende strafzaak en dus ook niet aan de (door dit hof bewezenverklaarde en door de raadsman betwiste) pleegperiode van dat feit. De uitkomst van het cassatieberoep in de strafzaak zal derhalve geen gevolgen hebben voor het oordeel van het hof in de ontnemingszaak, met dien verstande dat als op grond van de cassatieprocedure, eventueel na verwijzing, de veroordeling in de strafzaak zou vervallen, de ontnemingsmaatregel van rechtswege ook zal vervallen.

Het hof wijst eveneens het subsidiair gedane aanhoudingsverzoek af, nu dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. De berekeningsmethode van de kasopstelling is thans met zoveel woorden in de wet opgenomen en werd ook voordien door de Hoge Raad erkend, mits het gaat om een beredeneerde kasopstelling die is gebaseerd op wettige bewijsmiddelen en de betrokkene de gelegenheid is geboden om tegenover de rechter aannemelijk te doen worden dat en waarom de door middel van die methode vastgestelde onverklaarde ontvangsten niet of niet geheel hun oorsprong vinden in feiten als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht dan wel anderszins niet kunnen gelden als voordeel in de zin van die bepaling.1 Aan beide vereisten is voldaan. Op grond van de uitkomsten van een tegen de veroordeelde ingesteld strafrechtelijk financieel onderzoek in de periode van 1 januari 2008 tot en met 2 september 2013 is door het Bureau Financiële Recherche een kasopstelling opgemaakt, die deel uitmaakt van het dossier. Daarnaast is de veroordeelde bovengenoemde gelegenheid geboden.

Zoals reeds uit het bovenstaande volgt zal het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel berekenen aan de hand van de eenvoudige kasopstelling. Hierbij worden over de periode van 1 januari 2008 tot en met

2 september 2013 de totale contante uitgaven afgezet tegen de legale contante inkomsten. Indien het verschil negatief is, is sprake van contante ontvangsten met een onbekende herkomst. Een negatieve kas is immers niet mogelijk: men kan niet meer uitgeven dan men fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft, tenzij sprake is van een andere, onbekende (illegale) inkomstenbron. Het kan in die situatie niet anders zijn dan dat door de veroordeelde en/of door (een) ander(en) gepleegd(e ) strafba(a)r(e) feit(en) (wederrechtelijk) voordeel is verkregen tenminste ten belope van deze (illegale) inkomsten.

Schematisch weergegeven is deze wijze van berekening als volgt:

I. Beginsaldo contant geld.

II. Legale contante ontvangsten.

III. Eindsaldo (aangetroffen) contant geld.

IV. Feitelijke contante uitgaven.

Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van

€ 450.640,40 heeft verkregen. Het hof ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en gaat - met de advocaat-generaal - uit van de volgende berekening:

I. Beginsaldo contant geld: € 250,00

II. Legale contante ontvangsten: € 138.938,70

III. Eindsaldo (aangetroffen) contant geld: € 10.729,10 +

Beschikbaar voor uitgaven: € 128.459,60

IV. Feitelijke contante uitgaven: € 579.100,00 -

Onverklaarbaar vermogen: - € 450.640,40

Wederrechtelijk verkregen vermogen (afgerond): € 450.640,00

Verplichting tot betaling aan de Staat

Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel, de hoofdelijke verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 450.640,00. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde en zijn voormalige levenspartner gedurende de periode van 1 januari 2008 tot en met 2 september 2013 een economische eenheid hebben gevormd en een gezamenlijke huishouding voerden. Bij gebreke van aanwijzingen in andere zin moet het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve als gezamenlijk voordeel worden aangemerkt, waarover beide veroordeelden ieder voor zich hebben kunnen beschikken.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 450.640,00 (vierhonderdvijftigduizend zeshonderdveertig euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 450.640,00 (vierhonderdvijftigduizend zeshonderdveertig euro).

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt te vervallen indien en voor zover de mededader(s) van veroordeelde hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. P.C. Römer en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck - Dezentje, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juni 2017.

Mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hoge Raad 17/9/2002, JOW 2002/43