Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2129

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
200.196.565/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhaal niet-verantwoorde PGB-gelden op inmiddels meerderjarige verzekerde. PGB is door wettelijk vertegenwoordigers aangevraagd ten behoeve van de (toen nog) minderjarige maar niet verantwoord. Moet de jong-meerderjarige ingevolge de formele rechtskracht het tot zijn voormalig wettelijke vertegenwoordigers gerichte besluit tegen zich laten werken? Verhaal PGB-gelden op jong-meerderjarige naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, mede nu staatssecretaris en zorgkantoren onlangs hebben afgesproken dat jong-meerderjarigen niet meer zullen worden aangesproken (Kamerstukken II, 2016–2017, 25 657, nr. 288)? Nadere aktewisseling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.196.565/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 4661066 \ CV EXPL 15-34345

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 juni 2017

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. P. Tijsterman te Uithoorn,

tegen

Onderlinge Waarborgmaatschappij Zorgverzekeraar

ZORG EN ZEKERHEID U.A.,

gevestigd te Leiden,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A. Vijftigschild te Leidschendam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en het Zorgkantoor genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 13 juli 2016 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 29 december 2015 en 22 april 2016, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen het Zorgkantoor als eiseres en [appellant] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, met producties.

Uit de memorie van grieven blijkt dat het hoger beroep zich niet richt tegen het tussenvonnis van 29 december 2015.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof bestreden vonnis van 22 april 2016 zal vernietigen en de vorderingen van het Zorgkantoor alsnog zal afwijzen, met veroordeling van het Zorgkantoor in de kosten van het geding.

Het Zorgkantoor heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

Het Zorgkantoor heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden eindvonnis van 22 april 2016 onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten weergegeven die zij als vaststaand heeft aangenomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en binden daarom ook het hof. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, zal van de volgende feiten worden uitgegaan.

2.1.

[appellant] is geboren op [geboortedatum] 1996. Gedurende zijn minderjarigheid is het ouderlijk gezag uitgeoefend door zijn ouders, [X] en [Y] .

2.2.

Het Zorgkantoor is in hoedanigheid van zorgkantoor in de zin van artikel 1.1.1, onder g, van de (inmiddels vervallen) Regeling Subsidies AWBZ belast geweest het met verlenen van subsidies voor persoonsgebonden budgetten (PGB’s) voor verzekerden.

2.3.

In verband met [appellant] dyspraxie heeft het Zorgkantoor over de periode 1 januari 2010 tot en met 31 juli 2011 ten behoeve van [appellant] een PGB verstrekt voor bedragen van € 19.599,68 en € 8.371,38 (totaal € 27.971,06).

2.4.

Bij beschikking van 7 juli 2011, gericht aan de ouders van [appellant] , heeft het Zorgkantoor het PGB van [appellant] over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 vastgesteld. Het Zorgkantoor is tot de vaststelling gekomen dat van het toegekende budget van € 19.599,68 een bedrag van € 7.881,68 onverantwoord is gelaten en moet worden terugbetaald.

2.5.

Bij beschikking van 23 mei 2012, gericht aan de ouders van [appellant] , heeft het Zorgkantoor het PGB van [appellant] over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 juli 2011 vastgesteld. Het Zorgkantoor is tot de vaststelling gekomen dat er geen kosten zijn verantwoord en dat het budget van € 8.371,38 dient te worden terugbetaald aan het Zorgkantoor.

2.6.

Tegen deze beschikkingen is geen bezwaar gemaakt.

2.7.

In de periode van 20 december 2011 tot en met 2 januari 2015 heeft de (incasso)gemachtigde van het Zorgkantoor diverse aanmaningen strekkende tot terugbetaling van het onverantwoord gelaten PGB verzonden aan de ouders van [appellant] . Bij brieven van 21 november 2014, 19 december 2015, 16 januari 2015 en 12 maart 2015 is [appellant] , inmiddels meerderjarig, door de gemachtigde van het Zorgkantoor aangemaand tot terugbetaling. Op 2 juni 2015 is aan [appellant] een sommatie-exploot uitgebracht.

3. Beoordeling

3.1.

Het Zorgkantoor vordert dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van € 16.253,06 aan hoofdsom, te vermeerderen met rente en kosten. Het Zorgkantoor vordert daarmee terugbetaling van de door het Zorgkantoor verstrekte PGB-gelden waarvoor geen verantwoording is afgelegd. De kantonrechter heeft de vorderingen van het Zorgkantoor toegewezen. Zij heeft daartoe - kort gezegd - het volgende overwogen. Over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 juli 2011 is een bedrag van € 27.971,06 aan PGB uitgekeerd waarvan een bedrag van € 16.253,06 niet is verantwoord. De beschikkingen van 7 juli 2011 en 23 mei 2012 hebben formele rechtskracht gekregen. Het PGB is aangevraagd door de ouders van [appellant] als wettelijk vertegenwoordiger van [appellant] en uitgekeerd op een bankrekening ten name van [appellant] . [appellant] moet de beschikkingen inzake de terugvordering van het PGB tegen zich laten gelden en is daarom gehouden tot terugbetaling van het onverantwoord gelaten budget.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

3.2.

Met grief 1 en 2 betoogt [appellant] kort gezegd het volgende. [appellant] ouders hebben de PGB ten behoeve van henzelf aangevraagd; het PGB is aan hen toegekend, niet aan of ten behoeve van [appellant] . Zijn ouders zijn dan ook niet opgetreden als wettelijk vertegenwoordiger van [appellant] . Het Zorgkantoor heeft zich dan ook steeds tot [appellant] ouders gericht, onder meer in de beschikkingen van 7 juli 2011 en 23 mei 2012; pas nadat hij op 23 oktober 2014 meerderjarig was geworden, is [appellant] zelf aangeschreven. [appellant] voert verder (subsidiair) aan dat de PGB-aanvraag is gedaan door zijn school.

Het hof overweegt hierover als volgt.

3.3.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat zij ingevolge het beginsel van formele rechtskracht moet uitgaan van de geldigheid van de beschikkingen van 7 juli 2011 en 23 mei 2012. Tegen dat oordeel is geen grief gericht. Dat betekent dat ook het hof daarvan moet uitgaan.

3.4.

Beide beschikkingen zijn gericht aan de ‘ouders of verzorgers van [appellant] ’. Blijkens de tekst van de beschikkingen gaat het om een ‘eindafrekening van het PGB van [appellant] ’ met betrekking tot de periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010, respectievelijk 1 januari 2011 tot en met 31 juli 2011. [appellant] wordt in de beschikkingen ook aangeduid als ‘cliënt’.

3.5.

Hieruit blijkt dat de beschikkingen zijn gericht tot de ouders van [appellant] in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [appellant] . Dit brengt mee dat ook [appellant] , inmiddels meerderjarig, als gevolg van het beginsel van de formele rechtskracht is gebonden aan de beschikkingen van 7 juli 2011 en 23 mei 2012 en dat hij in beginsel is gehouden tot betaling van het te veel ontvangen bedrag. Dat wordt niet anders indien in aanmerking wordt genomen dat [appellant] ten aanzien van de schuld aan het Zorgkantoor geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Ook de stellingen dat de PGB-aanvraag zou zijn verlopen via de school waar [appellant] destijds bijzonder onderwijs genoot en dat de bankrekening was ondergebracht bij de sociale verzekeringsbank, wat daarvan verder zij, lopen op het voorgaande stuk. Grief 1 en 2 falen.

3.6.

Het hof begrijpt grief 3 aldus dat volgens [appellant] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij de PGB-schulden zou moeten terugbetalen, terwijl hij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het ontstaan van de schuld en hem van het niet tijdig afleggen van verantwoording voor de besteding van de PGB’s ook geen enkel verwijt valt te maken.

3.7.

Het hof is ambtshalve ermee bekend dat de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij brief van 10 april 2017 het volgende aan de Tweede Kamer heeft geschreven (Kamerstukken II, 2016–2017, 25 657, nr. 288):

‘Meermaals heb ik uw Kamer laten weten dat niet alleen ik, maar ook de zorgkantoren en ZN [Zorgverzekeraars Nederland – hof] de situatie dat jongvolwassenen worden aangesproken voor een pgb-schuld die is ontstaan tijdens hun minderjarigheid, zeer onwenselijk vinden. Deze situatie is ontstaan doordat de budgethouder primair verantwoordelijk is voor alle onderdelen van het pgb-beheer (zorginhoudelijk, administratief en financieel). Als een budgethouder minderjarig is, dan vraagt de wettelijk vertegenwoordiger (ouder) echter het pgb aan en beheert het feitelijk ook.

Indien gedurende de minderjarigheid het beheer niet goed gaat en daardoor een vordering ontstaat, dan wordt de budgethouder zodra deze meerderjarig wordt helaas ook voor de ontstane vordering aanspreekbaar. Hierdoor kunnen jongvolwassenen door toedoen van hun wettelijk vertegenwoordiger met een pgb-vordering te maken krijgen. De jongvolwassene is echter niet de veroorzaker van deze pgb-schuld.

Schuld wordt verlegd naar veroorzaker

Om deze casuïstiek op te lossen, heb ik met ZN, de zorgkantoren, de NZa en het Zorginstituut Nederland de afgelopen maanden intensief overlegd. Ik heb met ZN en de zorgkantoren afspraken gemaakt die zijn verwoord in een door zorgkantoren te volgen stappenplan. Dit stappenplan zorgt ervoor dat jongvolwassen budgethouders niet meer worden aangesproken, maar dat de schuld wordt verlegd naar de wettelijk vertegenwoordiger. Dat betekent voor zorgkantoren dat zij hun uitvoering anders moeten inrichten. Het stappenplan beschrijft welke stappen zij daartoe gaan zetten.

Per 1 februari 2017 zijn de gemaakte afspraken ingegaan. Omdat het om een aanzienlijke groep budgethouders gaat, hebben de zorgkantoren enige tijd nodig voor de screening en benadering. Ik heb met de zorgkantoren en ZN afgesproken dat zij voor 1 juni 2017 alle budgethouders om wie het gaat, hebben benaderd. Zorgkantoren beoordelen de situatie en beslissen welke stappen worden gezet. Het doel is om te komen tot een betalingsregeling met de wettelijk vertegenwoordiger.

Met deze afspraken wordt voorkomen dat jongvolwassen budgethouders worden gedupeerd met een pgb-schuld die buiten hun toedoen om is ontstaan, en waardoor zij mogelijk in de schuldsanering terecht komen. De gemaakte afspraken hebben betrekking op zowel de AWBZ- als de Wlz-casuïstiek. Met zorgkantoren en ZN wordt nog overlegd over een structurele oplossing.’

3.8.

Gelet op deze kamerbrief en de daarin beschreven recente ontwikkelingen heeft het hof behoefte aan een nadere wisseling van standpunten ten aanzien van de betekenis van deze brief voor de beoordeling van de derde grief en is het hof vooralsnog voornemens daartoe een comparitie van partijen gelasten. Daarbij geeft het hof partijen tevens in overweging in overleg te treden om een minnelijke regeling te beproeven. Het hof zal daarom de zaak eerst verwijzen naar de rol van 11 juli 2017 voor het nemen van een akte waarbij partijen zich kunnen uitlaten over de volgende vragen:

  1. wat is de betekenis van deze kamerbrief en de daarin beschreven recente ontwikkelingen voor de beoordeling van grief 3?

  2. stellen partijen prijs op een comparitie in het licht van deze nieuwe ontwikkelingen?

  3. voor het geval het hof een comparitie gelast, wat zijn de verhinderdata van partijen in de maanden september, oktober en november 2017?

Indien het hof een comparitie gelast, geeft het hof [appellant] in overweging (één van) zijn ouders mee te nemen naar de zitting.

3.9.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 11 juli 2017 voor het nemen van een akte over de onder 3.8 bedoelde vragen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W.H. Vink, M. Jurgens en J.M. de Jongh en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2017.