Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2120

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
200.184.990/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Anders dan de eerste rechter oordeelde, valt de bestuurster en de middellijke bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt te maken ter zake van de schade. Alsnog toewijzing van de schadevergoedingsvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4807
OR-Updates.nl 2017-0248
INS-Updates.nl 2017-0303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.184.990/01

zaak-/rolnummer rechtbank (Amsterdam) 4237877 CV EXPL 15-15906

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 juni 2017

inzake

de maatschap VAN HARMELEN BEIJNEVELD VAN HOUTEN,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

advocaat: mr. W.M. van Agt te Rotterdam,

tegen

1 JOYSTAR BEHEER B.V.,

gevestigd te Moordrecht,

2. [geïntimeerde],

wonend te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. H.F.C. Hoogendoorn te Amsterdam (onttrokken).

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna VHB respectievelijk gezamenlijk Joystar c.s. en afzonderlijk Joystar en [geïntimeerde] genoemd.

VHB is bij dagvaarding van 27 januari 2016 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 22 januari 2016, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen VHB als eiseres en Joystar c.s. als gedaagden.

Het hof heeft op 22 maart 2016 een tussenarrest uitgesproken waarbij een comparitie van partijen is gelast. De comparitie is op 23 september 2016 gehouden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

VHB heeft vervolgens een memorie van grieven ingediend.

Mr. Hoogendoorn heeft zich op de rolzitting van 21 februari 2017 als procesvertegenwoordiger van Joystar c.s. onttrokken.

VHB heeft arrest gevraagd.

VHB heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en bij arrest - uitvoerbaar bij voorraad - haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.8 de vaststaande feiten vermeld die hij bij de beoordeling van deze zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil. Ook het hof zal deze als vaststaand aanmerken, deze worden in rechtsoverweging 3.1 weergegeven.

3 Beoordeling

3.1. (

i) VHB is een advocatenmaatschap die sinds 2009 werkzaamheden heeft verricht voor Stella Gioia B.V., hierna ‘Stella Gioia’, Joystar en [geïntimeerde]. Joystar is enig aandeelhouder en enig bestuurder van Stella Gioia. [geïntimeerde] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van Joystar en is (via Joystar) middellijk bestuurder van Stella Gioia.

(ii) [geïntimeerde] heeft na bericht van mr. R.A.D. Blaauw, werkzaam bij VHB, dat hij niet langer werkzaamheden zou verrichten die niet door een reeds betaald voorschot werden gedekt, aangeboden ten behoeve van VHB een bankgarantie te stellen in verband met de betaling van declaraties in de eerste twee weken van januari 2015. VHB heeft hiermee ingestemd.

(iii) VHB heeft voor de door mr. Blaauw verrichte werkzaamheden de volgende declaraties aan Stella Gioia gezonden:

- op 24 november 2014 een declaratie van € 4.401,98, inclusief btw;

- op 31 december 2014 een declaratie van € 1.942,05, inclusief btw.

Van deze declaraties is € 3.500,- verrekend met een reeds door Stella Gioia betaald voorschot.

(iv) VHB heeft ter zake van door mr. Blaauw verrichte werkzaamheden op 26 november 2014 aan Stella Gioia een declaratie gezonden van € 4.437,-, inclusief btw.

( v) [geïntimeerde] heeft namens Stella Gioia aan ABN Amro Bank (hierna: ABN Amro) op 1 december 2014 opdracht gegeven om ten behoeve van VHB een bankgarantie te stellen tot een maximumbedrag van € 6.838,98.

(vi) Mr. Blaauw heeft [geïntimeerde] bij e-mail van 1 december 2014 geschreven, dat hij van de bank een onherroepelijke toezegging nodig had dat de in concept afgegeven bankgarantie was gesteld en dat het origineel aan hem zou worden toegestuurd.

(vii) ABN Amro heeft mr. Blaauw bij e-mail van 2 december 2014 om 15.34 uur geschreven:

“Zojuist hebben wij de onherroepelijke opdracht gekregen om ten gunste van u een betalingsgarantie te stellen, namens Stella Gioia, zoals omschreven in een eerdere mail.”

Mr. Blaauw heeft daarop bij e-mail van 2 december 2014 om 16.07 uur aan ABN Amro geschreven:

“Uit uw bericht maak ik het volgende op:

1. de opdracht tot het stellen van een bankgarantie ten gunste van mijn kantoor is onherroepelijk en kan niet worden gestorneerd;

2. er is voldoende kredietruimte voor het stellen van de bankgarantie.

Gelet op uw eerdere e-mail ga ik ervan uit dat ik de bankgarantie morgen in mijn bezit hebt.

Graag ontvang ik de garantie op voorhand per e-mail.”

(viii) De definitieve bankgarantie heeft VHB nooit bereikt.

3.2.

VHB vordert in dit geding in hoofdsom € 7.281,03 zijnde het beloop van de door Stella Gioia onbetaald gelaten declaraties. Zij stelt daartoe dat Joystar c.s. als bestuurder respectievelijk indirect bestuurder van Stella Gioia aansprakelijk zijn voor de schade die zij leidt als gevolg van het feit dat Stella Gioia niet aan haar betalingsverplichtingen jegens VHB heeft voldaan. De kantonrechter heeft de vordering van VHB afgewezen en VHB in de proceskosten veroordeeld. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt VHB in hoger beroep met acht grieven op. Deze lenen zich voor gezamenlijk behandeling.

3.3.

Niet in geschil is dat Stella Gioia inmiddels (sedert 16 juni 2015) in staat van faillissement verkeert en dat de vordering die inzet is van het onderhavige geding, die ziet op door VHB in opdracht van Stella Gioia verrichte werkzaamheden, onbetaald is gebleven en onverhaalbaar is. Voorts staat vast dat de opdracht tot het verrichten van die werkzaamheden namens Stella Gioia is gegeven door [geïntimeerde], die daarbij namens haar bestuurder Joystar optrad, van wie hij op zijn beurt bestuurder was.

Dit kan grond zijn voor aansprakelijkheid van Joystar c.s. voor de door VHB als gevolg van de betalingsonmacht van Stella Gioia geleden schade indien Joystar c.s. van hun handelen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, waarvan onder andere sprake is als moet worden aangenomen dat zij, toen de desbetreffende opdrachten namens Stella Gioia werden verstrekt, wisten of redelijkerwijze behoorden te begrijpen dat de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen niet door Stella Gioia zouden kunnen worden nagekomen en Stella Gioia daarvoor geen verhaal zou bieden.

3.4.

Dat zich ten tijde van het geven van de relevante opdrachten een zodanige situatie voordeed is door VHB in hoger beroep genoegzaam aangetoond, onder meer door overlegging van een verslag van de curator in het faillissement van Stella Gioia waaruit blijkt dat dat bedrijf als sinds 2012 (ernstige) verliezen leed, dat het balanstotaal in 2014 negatief was en reeds in 2014 de omzet significant afnam om begin 2015 tot nihil te dalen. In het verslag valt voorts te lezen dat (blijkens door Joystar c.s. aan de curator verstrekte inlichtingen) de activiteiten van Stella Gioia in de loop van 2014 zijn gestaakt en in een zustervennootschap, Joystar International B.V., zijn voortgezet. Voorts blijkt daaruit dat er sprake is van hoofdelijke verbondenheid van Stella Gioia, Joystar en Joystar International B.V. voor de schuld aan ABN Amro, waaruit een mogelijke bereidheid van die bank om ten behoeve van Stella Gioia een bankgarantie af te geven valt te verklaren.

Reeds in deze omstandigheden is voldoende grond gelegen voor de gevolgtrekking dat Joystar c.s. van het onvoldaan blijven van de rekeningen van VHB persoonlijk een ernstig verwijt treft. Op grond van de gegevens zoals die uit het faillissementsverslag blijken moet immers worden geconcludeerd dat in de periode dat tot het verrichten van de desbetreffende werkzaamheden opdracht is gegeven (7 april 2014 tot eind 2014) Joystar c.s. moeten hebben geweten althans in ieder geval redelijkerwijze moeten hebben begrepen dat Stella Gioia in een zodanige positie verkeerde dat zij (zelf) niet in staat zou zijn om aan haar daaruit resulterende betalingsverplichtingen te voldoen en daarvoor ook geen verhaal zou bieden. Dat zich toen omstandigheden voordeden op grond waarvan kan worden aangenomen dat hen van de ontstane benadeling desondanks geen persoonlijk verwijt treft vindt in het feitenmateriaal geen steun, integendeel daaruit volgt veeleer dat zij aan de betalingsonmacht van Stella Gioia hebben bijgedragen door haar bedrijfsactiviteiten naar een andere vennootschap over te brengen.

3.5.

Dit brengt mee dat Joystar c.s. hebben gehandeld op een wijze die jegens VHB als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd en dat zij voor de daaruit ontstane schade (ten belope van het onverhaalbaar gebleken bedrag) hoofdelijk aansprakelijk zijn. Dat sprake was van een relevante tegenvordering van Stella Gioia op VHB (op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat VHB als gevolg van de handelwijze van Joystar c.s. geen schade heeft geleden) is door Joystar c.s. onvoldoende feitelijk toegelicht.

Het voormelde schadebedrag van in hoofdsom € € 7.281,03 zal derhalve worden toegewezen.

3.6.

Nu het hier om een schadevordering gaat is de (gewone) wettelijke rente daarover verschuldigd. Joystar c.s. hebben de ingangsdata waarover rente over de onderscheidene posten gevorderd wordt niet bestreden, die rente zal derhalve vanaf de data vermeld in het petitum van de memorie van grieven worden toegewezen. De gevorderde hoofdelijkheid is ook met betrekking tot de proceskostenveroordeling toewijsbaar nu Joystar en [geïntimeerde] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door VHB geleden schade die inzet is van het onderhavige geding. Dat buitengerechtelijke kosten

zijn gemaakt is voldoende feitelijk toegelicht (vgl. productie 6 bij inleidende dagvaarding), deze zullen tot het gevorderde bedrag worden toegewezen.

3.7.

Het voorgaande brengt mee dat grieven V en VI slagen en de overige grieven geen bespreking behoeven. Het vonnis van de kantonrechter zal worden vernietigd en de vordering van VHB zal alsnog worden toegewezen als hierna te doen.

Joystar c.s. zullen hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Joystar en [geïntimeerde] hoofdelijk tot betaling aan VHB van een bedrag van € 7.281,03 te vermeerderen met wettelijke rente over € 1.942,05 vanaf 15 januari 2015, over € 901,88 vanaf 9 december 2014 en over € 4.437,- vanaf 11 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Joystar en [geïntimeerde] hoofdelijk tot betaling van de buitengerechtelijke kosten te begroten op € 739,05;

veroordeelt Joystar en [geïntimeerde] hoofdelijk in de kosten van het geding in beide instanties aan de zijde van VHB in eerste aanleg begroot op € 560,19 aan verschotten en op € 500,- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 818,81 aan verschotten en op € 1.264,- voor salaris en voorts op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Joystar c.s. deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest hebben voldaan;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W.H. Vink, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en J.G. Sijmons en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2017.