Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2115

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
200.078.567/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 22 december 2015. Bevel deskundigenbericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer 200.078.567/01

zaaknummer rechtbank 391725/HA ZA 08-619

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 juni 2017

inzake

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

appellante in principaal appel,

tevens voorwaardelijk incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. B.D.A. Zwart te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

G&S VASTGOED B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in principaal appel,

tevens voorwaardelijk incidenteel appellante,

advocaat: mr. H. Nicaise te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom de Gemeente en G&S genoemd.

In deze zaak heeft het hof een tussenarrest uitgesproken op 22 december 2015 (hierna: het tussenarrest). Voor het procesverloop tot die datum verwijst het hof naar dat arrest.

G&S heeft een akte na tussenarrest genomen, waarop de Gemeente bij antwoordakte heeft gereageerd.

Vervolgens heeft G&S een akte uitlating deskundigenbericht genomen, waarop de Gemeente bij antwoordakte heeft gereageerd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1.

Het hof volhardt bij hetgeen het in het tussenarrest heeft overwogen en beslist.

2.2.

In het tussenarrest heeft het hof vanaf rechtsoverweging 2.11 een aantal overwegingen gewijd aan de behandeling van grief I in principaal beroep, waarin de Gemeente betoogt dat G&S aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW. Hetgeen het hof heeft overwogen, kan als volgt worden samengevat. Bij brief van 16 mei 2000 heeft het GVB aan G&S ontheffing verleend voor de damwandwerkzaamheden met het oog op de bouw van een ondergrondse parkeergarage met daarop vier kantoortorens. Bij deze ontheffing is als eis gesteld dat het GVB minimaal veertien dagen vóór de oprichting van heistellingen en bouwkranen de exacte startdatum van de werkzaamheden zou worden bericht. Ten tijde van deze ontheffing waren de damwerkzaamheden echter reeds begonnen, was het ontgraven van de bouwput reeds aangevangen en was de verplaatsing van de damwand reeds een feit. De inhoud van de brief van 16 mei 2000 wijst er op dat het GVB voor ogen had herhalingsmetingen te doen op de voor de nulmeting uit 1996 van het viaduct gebruikte meetpunten. Op grond van de overige inhoud van deze brief - in het bijzonder de daarin gestelde eis het GVB tevoren op de hoogte te stellen van de exacte startdatum van de werkzaamheden - neemt het hof als vaststaand aan dat het GVB, zou het op de hoogte zijn geweest van die startdatum, de start en het verdere verloop van de werkzaamheden gecontroleerd zou hebben. Door deze werkzaamheden te (doen) beginnen zonder over de daartoe vereiste ontheffing te beschikken, heeft G&S het voor het GVB onmogelijk gemaakt controle uit te oefenen over de werkzaamheden. Die controle strekte klaarblijkelijk ertoe dat het GVB in staat zou worden gesteld in een zo vroeg mogelijk stadium in te grijpen indien de werkzaamheden effecten zouden kunnen hebben op het metroviaduct en de veiligheid ervan. Van de zijde van de Gemeente is toegelicht dat de gebruikelijke gang van zaken is dat een monitorplan wordt opgesteld waarbij gekeken wordt hoe gevoelig een object is voor de bouwwerkzaamheden en waarbij wordt bepaald wat aan trillingen en vervormingen kan worden toegelaten, waarna een plan wordt opgesteld met referenties die ertoe moeten leiden dat vanaf een zekere vervorming wordt gestopt met de werkzaamheden om te zien welke maatregelen moeten worden getroffen. Er bestaat voor het hof geen reden aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen. Het hof gaat er voorshands van uit dat de grondverplaatsing niet zou zijn opgetreden indien het GVB in de gelegenheid zou zijn gesteld de start en het verdere verloop van de werkzaamheden te controleren. G&S zal echter op dit punt tegenbewijs mogen leveren. Het hof gaat ervan uit dat het causaal verband tussen de opgetreden grondverplaatsingen als gevolg van de damwandverplaatsing en de schade aan de pijlers van het metroviaduct in voldoende mate vast staat.

2.3.

G&S heeft laten weten dat zij tegenbewijs wenst te leveren door middel van een deskundigenbericht. Het hof zal daarom een deskundigenbericht bevelen. In hetgeen de Gemeente in haar beide aktes naar voren heeft gebracht, ziet het hof geen aanleiding terug te komen van deze bij het tussenarrest in het vooruitzicht gestelde mogelijkheid.

2.4.

Naar aanleiding van de uitlating van partijen zal het hof drie deskundigen benoemen: ir. A.F. van Weele (IFCO Funderingsexpertise B.V. te Waddinxveen) op voorstel van G&S, ir. J. Herbschleb (Royal HaskoningDHV Nederland B.V. te Amsterdam) op voorstel van de Gemeente en prof. mr. M.A.M.C. van den Berg (Van den Berg Adviesbureau Bouwrecht). Het hof zal de laatstgenoemde deskundige benoemen op gezamenlijk voorstel van ir. Van Weele en ir. Herbschleb. Partijen hebben aan het hof bericht dat zij de door de deskundigen gehanteerde voorwaarden aanvaarden.

2.5.

Zoals in het tussenarrest is overwogen (en zoals hierboven ook is weergegeven) had het GVB het voornemen de start en het verdere verloop van de werkzaamheden te controleren, welke controle ertoe strekte dat het GVB in staat zou worden gesteld in een zo vroeg mogelijk stadium in te grijpen indien deze werkzaamheden effecten zouden kunnen hebben op het metroviaduct en de veiligheid ervan. De Gemeente heeft toegelicht dat het gebruikelijk is dat een monitorplan wordt opgesteld waarbij gekeken wordt hoe gevoelig een object is voor de bouwwerkzaamheden en waarbij wordt bepaald wat aan trillingen en vervormingen kan worden toegelaten, waarna een plan wordt opgesteld met referenties die ertoe moeten leiden dat vanaf een zekere vervorming wordt gestopt met de werkzaamheden om te zien welke maatregelen moeten worden getroffen. Zoals eveneens eerder overwogen, neemt het hof voorshands aan dat de grondverplaatsing niet zou zijn opgetreden indien het GVB door G&S in de gelegenheid zou zijn gesteld de start en het verdere verloop van de werkzaamheden (op bovenvermelde wijze) te controleren. Het hof wenst van de deskundigen te vernemen of deze aanname juist is dan wel of er gronden zijn om deze aanname te verwerpen (en, zo ja, welke die gronden zijn). Aan de deskundigen zal worden gevraagd hun bevindingen te motiveren. Het hof neemt de suggesties van partijen om andere en/of gedetailleerdere vragen te stellen niet over.

2.6.

In het tussenarrest heeft het hof reeds overwogen dat het onzorgvuldig handelen van G&S een onrechtmatige daad oplevert tegenover de Gemeente. In dat gegeven ziet het hof aanleiding te bepalen dat het voorschot voor het deskundigenbericht wordt gedeponeerd door G&S.

2.7.

Als de deskundigen hun rapport bij het hof hebben ingediend, zal het hof partijen – eerst G&S en daarna de Gemeente – in de gelegenheid stellen bij memorie op het deskundigenrapport te reageren.

2.8.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

3 Beslissing

Het hof:

beveelt een onderzoek door deskundigen ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Acht u de voorlopige aanname van het hof juist dat de grondverplaatsing niet zou zijn opgetreden indien het GVB door G&S in de gelegenheid zou zijn gesteld de start en het verdere verloop van de werkzaamheden op de hiervoor onder 2.5 omschreven wijze te controleren of zijn er gronden (zo ja: welke?) om deze aanname te verwerpen? Wilt u uw bevindingen motiveren?

2. Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?

benoemt tot deskundigen om dit onderzoek te verrichten:

1.ir. A.F. van Weele, IFCO Funderingsexpertise B.V. te Waddinxveen,

2.ir. J. Herbschleb, Royal HaskoningDHV te Amsterdam,

3.prof. mr. M.A.M.C. van den Berg (Van den Berg Adviesbureau Bouwrecht);

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundigen zal toezenden;

bepaalt dat beide partijen vóór 11 juli 2017 kopieën van de overige gedingstukken aan de deskundigen zullen doen toekomen, alsmede, na een verzoek daartoe van de deskundigen, de andere door deze noodzakelijk geachte stukken, voor zover mogelijk;

wijst de deskundigen op het bepaalde in artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met name op de verplichting om bij het onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en om in het schriftelijk bericht te doen blijken dat aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de inhoud van de opmerkingen en/of verzoeken;

bepaalt dat de deskundigen het onderzoek overigens zelfstandig – in de zin van artikel 198 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat wil zeggen niet onder leiding van het hof – zullen verrichten;

bepaalt dat de deskundigen een voorschot toekomt van € 58.080,- (inclusief btw);

bepaalt dat G&S als voorschot op de kosten van de deskundigen voornoemd bedrag dient te voldoen; G&S zal daarvoor van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak een nota ontvangen met betaalinstructies;

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van het desbetreffende voorschot de deskundigen hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundigen pas dan met het onderzoek behoeven te beginnen;

bepaalt dat de deskundigen een schriftelijk, ondertekend bericht zullen inleveren ter griffie van het hof vóór 12 december 2017;

bepaalt dat de deskundigen tegelijk met dit bericht hun declaratie ter griffie zullen indienen onder vermelding van zaaknummer 200.078.567/01;

verwijst de zaak naar de rol van 12 december 2017 voor deskundigenbericht;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, D.J. van der Kwaak en E.M. Polak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2017.