Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2105

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
200.175.393/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:8151, Overig
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2015:5372
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:1465
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:3635
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2020:1339
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:GHAMS:2016:1465 en ECLI:NL:GHAMS:2016:3635; verdere voorbereiding deskundigenonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel en belastingrecht, team III

zaaknummer : 200.175.393/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/560417/HA ZA 14-231

arrest van de meervoudige familiekamer van 6 juni 2017

inzake

[X] ,

wonend te [woonplaats] ,

APPELLANT,

advocaat: mr. R.A. Korver te Amsterdam,

tegen:

de stichting WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. A.M. van der Vliet te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna opnieuw [X] en WSSjbjr genoemd.

Het hof heeft in deze zaak op 6 september 2016 een tussenarrest uitgesproken.

Voor het verloop van het geding tot die dag verwijst het hof naar dat arrest.

Na het tussenarrest heeft eerst [X] en vervolgens WSSjbjr zich bij akte uitgelaten. WSSjbjr heeft bovendien bij haar akte producties in het geding gebracht.

Tot de gewisselde stukken behoort in het bijzonder correspondentie waaruit kenbaar is dat het hof na het tussenarrest van 6 september 2016 geschikte deskundigen heeft gezocht en zich daarover heeft verstaan met partijen.

Tot slot hebben beide partijen arrest gevraagd.

2 Beoordeling

2.1

Het hof blijft bij hetgeen het in zijn tussenarrest van 6 september 2016 heeft overwogen en beslist, met dien verstande dat de datum waarop de betrokkenheid van WSSjbjr bij [X] is geëindigd verbetering behoeft. Partijen zijn het eens dat de taak van Wssjbjr als gezinsvoogdij-instelling op 14 januari 2009 is geëindigd, doordat zij die dag het dossier heeft overgedragen aan Bureau Jeugdzorg agglomeratie Amsterdam. In zoverre dient de feitenvaststelling van het hof in zijn arrest van 19 april 2016 verbeterd te worden gelezen.

2.2

De door WSSjbjr in het geding gebrachte hulpverleningsplannen c.a. hebben [X] aanleiding gegeven om aanvullende vragen voor te stellen. WSSjbjr heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat geen van de voorgestelde vragen door het hof zou moeten worden overgenomen. Zij heeft daarvoor verschillende redenen aangevoerd.

2.3

Het hof brengt in herinnering dat het tussenarrest van 6 september 2016 heeft geleid tot de volgende vragenlijst:

a. Hoe kon bij [X] het verschil tussen ‘op zwakzinnig niveau functioneren’ en een aangeboren verstandelijke beperking worden vastgesteld? Zijn de toentertijd daarvoor beschikbare mogelijkheden benut? Zo neen, welk alternatief/welke alternatieven zijn onbenut gebleven?
b. Had het verschil voor de te kiezen aanpak gemaakt als WSSjbjr de onder a. verwoorde vraag vanaf aanvang van haar uitvoering van de ondertoezichtstelling en vervolgens bij iedere (op zijn minst jaarlijkse) evaluatie was blijven stellen?
c. Is naar uw deskundig oordeel het door WSSjbjr in de loop der jaren gekozen hulpverleningsbeleid bestendig? Zo ja, kunt u uiteenzetten, waarin die bestendigheid schuilt? Zo neen, kunt u uiteenzetten, waarin het gebrek aan bestendigheid schuilt en kunt u aangeven welk(e) redelijk(e) alternatief (alternatieven) WSSjbjr toentertijd ten dienste stond(en) en wat, naar redelijkerwijs valt aan te nemen, de gevolgen zijn geweest voor [X] van het niet-toepassen van dat alternatief of die alternatieven?
d. Passen de plaatsen waar WSSjbjr [X] heeft doen opgroeien bij zijn beperkingen en mogelijkheden?
e. Passen de plaatsen waar WSSjbjr [X] heeft doen scholen bij zijn beperkingen en mogelijkheden?
f. Valt de afweging die WSSjbjr ertoe heeft gebracht om [X] te laten opgroeien tussen kinderen met beperkter verstandelijke vermogens naar uw deskundig inzicht te billijken met het oog op zijn (gedrags-)problematiek? Zo ja, waarom? Zo neen, waarom niet?
g. Ingeval van een ontkennende beantwoording van de onder d., e. en f. geformuleerde vragen: was of waren er toentertijd redelijke alternatieven waarvoor WSSjbjr had kunnen kiezen? Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn geweest voor [X] van het niet-toepassen van dat alternatief of die alternatieven?
h. Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?

Het hof brengt voorts in herinnering dat het van de te benoemen deskundigen verwacht dat zij zich bij de beantwoording van de vragen richten op het niveau van kennis en kunde dat vanaf 1998 redelijkerwijs voor WSSjbjr beschikbaar was.

2.4

[X] heeft acht nieuwe vragen voorgesteld. Het hof zal deze niet overnemen om de hierna te bespreken redenen.

De eerste vraag behoeft geen afzonderlijke vermelding. Hetgeen [X] met die vraag kennelijk aan de orde wil stellen, wordt al bestreken door de door het hof onder woorden gebrachte vragen, in het bijzonder de vragen a., b. en d.

Hetzelfde geldt voor de tweede aanvullende vraag van [X] . Deze wordt bestreken door de vragen c. en d. van het hof.

De derde en vierde vraag stellen al evenmin iets nieuws aan de orde. De vragen a. en b. van het hof gaan daarover.

De vijfde vraag is te algemeen en voegt om die reden weinig toe.

Het antwoord op de zesde vraag helpt niet, omdat [X] niet zozeer aan WSSjbjr verwijt dat zij haar hulpverleningsplannen niet althans niet goed heeft uitgevoerd, als wel dat haar hulpverleningsplannen niet goed aansloten bij hetgeen [X] nodig had.

De zevende en achtste vraag zal het hof niet overnemen, omdat deze uitgaan van vooronderstellingen die niet zonder meer hun bevestiging vinden in de feiten die tussen partijen kunnen worden vastgesteld.

Hetgeen [X] in zijn akte na het meest recente tussenarrest heeft aangevoerd, geeft ook overigens geen aanleiding om de aan de deskundigen te stellen vragen aan te vullen. Daaraan zij nog toegevoegd dat in het tussenarrest van 19 april 2016 is opgenomen dat mevrouw J. Aalbers heeft gerapporteerd over [X] (r.o. 3.4.4) en dat de voetbaltrainer voor een schriftelijke verklaring heeft gezorgd (r.o. 3.4.6). Deze informatie, alsmede de overige door [X] onder randnummers 7 tot en met 10 vermelde informatie, is dus kenbaar voor de deskundigen; zij kunnen daarmee doen, wat hun geraden voorkomt.

2.5

Het hof heeft de volgende deskundigen bereid gevonden om het door het hof beoogde onderzoek te verrichten:

prof. dr. R.J. van der Gaag, psychiater,
prof. dr. G.J.J.M. Stams, orthopedagoog.

De door partijen genoemde psychiater bleek niet beschikbaar voor het door het hof beoogde onderzoek. Partijen hebben desgevraagd niet van bezwaar doen blijken tegen de door het hof aangezochte psychiater.

De door partijen genoemde psycholoog bleek niet voldoende vrij te staan ten opzichte van WSSjbjr. Daarom heeft het hof ervoor gekozen hem in deze zaak niet als deskundige te benoemen.

2.6

Het is het hof tot nu toe niet gelukt om een psycholoog te vinden die voldoende vrij staat.

Bij deze stand van zaken komt het het hof verstandig voor om met partijen tijdens een zitting van gedachten te wisselen over de inrichting van het deskundigenonderzoek.

Het hof wil met partijen bespreken, welke psycholoog bereid en in staat zou zijn het door het hof beoogde onderzoek uit te voeren. Voor het geval ermee rekening moet worden gehouden dat het niet lukt om een geschikte psycholoog te vinden, wil het hof met partijen bespreken of een doeltreffend onderzoek kan plaatshebben met twee deskundigen zonder inbreng van psychologische expertise. In dit verband brengt het hof in herinnering dat het in de bedoeling van het hof ligt dat de deskundigen gezamenlijk de door het hof gestelde vragen beantwoorden met behulp van de specifieke expertise die elk van hen eigen is.

2.7

Bij de voorbereiding van het deskundigenonderzoek heeft het hof ondervonden dat doel en strekking van het beoogde onderzoek niet zo gemakkelijk te doorgronden zijn. Teneinde te voorkomen dat doel en strekking van dat onderzoek worden misverstaan wil het hof daarover van gedachten wisselen met partijen in aanwezigheid van de twee aangezochte deskundigen.

2.8

Het hof heeft daarom het voornemen opgevat om opnieuw een comparitie van partijen te gelasten om daarover te spreken. Het hof wil de onder 2.5 genoemde deskundigen Van der Gaag en Stams voor die zitting uitnodigen teneinde hen bij die gedachtewisseling te betrekken.

2.9

Het hof wil die gelegenheid bovendien benutten om met partijen te spreken over de verdere voortgang van de procedure. Anders dan zich liet aanzien tijdens de eerder op 4 februari 2016 gehouden comparitie hebben partijen niet vlot voortgeprocedeerd. De vraag is wat dat betekent voor het traject dat partijen nog voor de boeg hebben.

2.10

Het hof wil partijen tot slot nu reeds op de hoogte brengen van de omstandigheid dat mr. Van der Reep vanwege haar pensionering niet aan de comparitie zal deelnemen.

2.11

Voor het overige zal iedere beslissing worden aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

bepaalt dat partijen in persoon ( [X] ) respectievelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is (WSSjbjr), tezamen met hun advocaten, tot de hierboven omschreven doeleinden zullen verschijnen voor het hof, dat daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader met alle betrokkenen af te stemmen datum en tijdstip;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen en vastgesteld op 30 mei 2017 door mrs. G.B.C.M. van der Reep, M.F.G.H. Beckers en H.A. van den Berg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2017.