Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2055

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-05-2017
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
200.190.769/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Proceskosten op grond van artikel 1919h Rv.

Toepassing indicatietarieven in IE-zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.190.769/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/597769 / KG ZA 15-1432

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 mei 2017

inzake

BUSINESSCOMPLEET B.V.,

gevestigd te Abcoude,

appellante,

advocaat: mr. M. Weij te Amsterdam,

tegen

THE VALLEY B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. S.C. van Loon te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Businesscompleet en The Valley genoemd.

Businesscompleet is bij dagvaarding van 29 januari 2016, hersteld bij exploot van 22 maart 2016, in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 4 januari 2016, onder bovenvermeld zaaknummer in kort geding gewezen tussen Businesscompleet als eiseres en The Valley als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte van de zijde van Businesscompleet, met een productie;

- antwoordakte van de zijde van The Valley, met een productie.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Businesscompleet heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor wat betreft het dictum onder 5.2 en 5.3 en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, primair de proceskosten ex artikel 1019h Rv te begroten op € 15.000,- en de kosten van de partijdeskundige ad € 9.075,- geheel, althans voor de helft, voor rekening van The Valley te laten komen althans een redelijke vergoeding voor deze kosten toe te wijzen, subsidiair de proceskosten ex artikel 1019h Rv te begroten op € 25.000,- inclusief de kosten van de partijdeskundige, een en ander met veroordeling van The Valley in de kosten van het geding in hoger beroep, met rente.

The Valley heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Businesscompleet in de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv van, naar het hof begrijpt, het geding in hoger beroep, met nakosten.

Businesscompleet heeft zich verzet tegen toewijzing van de volledige proceskosten in hoger beroep.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.9 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof tot uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1

Businesscompleet heeft in eerste aanleg gevorderd, voor zover in hoger beroep van belang, The Valley bij wijze van voorlopige voorziening te bevelen de inbreuken op de databankrechten van Businesscompleet te staken, met nevenvoorzieningen, en The Valley te veroordelen haar een voorschot te betalen op de schadevergoeding, met veroordeling van The Valley in de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv. The Valley heeft verweer gevoerd en van haar zijde gevorderd Businesscompleet te veroordelen in de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv.

3.1.2

De voorzieningenrechter heeft de door Businesscompleet gevorderde voorzieningen geweigerd en Businesscompleet veroordeeld in de volledige proceskosten, gevallen aan de zijde van The Valley. De proceskosten zijn door de voorzieningenrechter begroot op een bedrag van in totaal € 51.556,20, samengesteld uit een bedrag van € 1.909,- aan griffierecht en, op basis van een door The Valley overgelegde specificatie, een bedrag van € 49.647,20 aan salaris advocaat (hof: inclusief kosten deskundige ad € 9.075,-). De enige grief van Businesscompleet is gericht tegen de begroting en toewijzing van dit bedrag als zijnde de redelijke en evenredige kosten die The Valley heeft gemaakt.

3.2

Het hof stelt vast dat Businesscompleet geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat zij als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten dient te worden veroordeeld en evenmin tegen het toepassen van artikel 1019h Rv ter begroting van het toe te wijzen bedrag aan proceskosten. Aan het hof is slechts voorgelegd of een juist bedrag aan kosten is begroot en toegewezen.

3.3

Businesscompleet voert bij haar grief onder meer aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet in haar oordeel heeft betrokken dat The Valley een rechtsbijstandverzekering heeft. The Valley heeft niet prijs willen geven wat haar eigen risico is, terwijl de kosten die door de verzekeraar worden gedekt, niet onder de reikwijdte van artikel 1019h Rv vallen, aldus Businesscompleet. The Valley betwist dat zij een rechtsbijstandverzekering heeft. Zij voert aan dat zij een beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft die onder voorwaarden (een deel van) de door haar gemaakte kosten dekt. De kosten zijn ten behoeve van The Valley gemaakt en de facturen zijn aan haar gericht. Het maakt voor de toepassing van artikel 1019h Rv geen verschil, zo stelt The Valley, of de kosten uiteindelijk door haar of door haar verzekeraar worden gedragen.

3.4

Het hof overweegt het volgende. The Valley heeft in eerste aanleg specificaties overgelegd, laatstelijk bij haar faxbericht van 16 december 2016, van de door haar advocaat aan de zaak in eerste aanleg bestede tijd en de ter zake te declareren bedragen. De specificatie bevat tevens een post ‘rekening deskundige’. Het moet bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel ervoor worden gehouden dat het hierbij gaat om gerechtskosten en andere kosten die The Valley heeft gemaakt, een en ander in de zin van artikel 1019h Rv en dus om kosten die in beginsel op grond van dat wetsartikel in de proceskostenveroordeling kunnen worden betrokken. Dat The Valley die kosten achteraf ten dele kan verhalen bij haar verzekeraar, doet daaraan niet af. De grief faalt op dit onderdeel.

3.5

Businesscompleet betoogt daarnaast dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen aansluiting heeft gezocht bij de indicatietarieven in IE-zaken, althans de redelijkheids- en evenredigheidstoets van artikel 1019h Rv niet heeft toegepast. Zij verwijst naar de op www.rechtspraak.nl gepubliceerde versie van het in samenspraak met de Orde van Advocaten opgestelde stuk van september 2014 getiteld ‘Indicatietarieven in IE-zaken’. Naar het hof begrijpt gaat Businesscompleet uit van een maximaal tarief van € 15.000,- zoals in vorenbedoeld stuk is vermeld voor de categorie ‘overige korte gedingen’. Businesscompleet voert aan dat The Valley meer dan driemaal dit maximale indicatietarief heeft gevorderd maar niet althans onvoldoende heeft onderbouwd op grond waarvan zij aanspraak zou maken op deze afwijking van het indicatietarief.

3.6

The Valley stelt daar tegenover dat de indicatietarieven geen vaste tarieven zijn en dat uitgangspunt is dat de daadwerkelijk gemaakte kosten worden vergoed. Zij wijst voorts erop dat de door haar opgevoerde kosten redelijk en evenredig zijn. The Valley had naar haar zeggen een korte voorbereidingstijd, er moest een deskundigenrapport worden opgemaakt en het betrof een technisch complexe kwestie. Dit alles rechtvaardigt de inzet van twee advocaten. Businesscompleet had bovendien kort voor de zitting haar eis aanzienlijk vermeerderd, en mede als gevolg van het zeer uitgebreide pleidooi van Businesscompleet heeft er een tweede zitting plaatsgevonden.

3.7

Het hof overweegt dat bij toepassing van artikel 1019h Rv als uitgangspunt geldt dat de werkelijk gemaakte proceskosten worden vergoed. Wel geven de, in het door Businesscompleet genoemde stuk gegeven tarieven een indicatie van het maximale bedrag aan proceskosten dat in de regel nog als redelijk en evenredig kan worden aangemerkt. De tarieven staan er niet aan in de weg dat een afwijkend bedrag wordt vastgesteld. Tot een afwijking daarvan is evenwel geen grond te vinden in de door The Valley gestelde, verder niet toegelichte, korte voorbereidingstijd. Dat is immers gebruikelijk bij een kort geding. Evenmin kan daartoe dienen het enkele feit dat er een deskundigenbericht moest worden opgemaakt. De kosten van de deskundige kunnen immers, zoals hierna zal worden besproken, naast het indicatietarief, afzonderlijk worden opgevoerd. The Valley heeft niet toegelicht dat en waarom het inschakelen van een deskundige nog tot andere extra kosten heeft geleid. The Valley heeft evenmin toegelicht waarom een kort voor de zitting aangekondigde eisvermeerdering tot (substantiële) extra kosten heeft geleid. Ook heeft The Valley geen verdere inhoud gegeven aan haar stelling dat sprake is van een technisch complexe kwestie. Dit had wel op haar weg gelegen, te meer daar ook een indicatietarief van maximaal € 6.000,- bestaat voor de categorie ‘eenvoudig kort geding’ zodat uitleg verdient waarom de onderhavige – volgens The Valley: complexe - zaak niet zou vallen in de categorie ‘overige korte gedingen’.

3.8

Het hof is evenwel van oordeel dat het houden van een tweede zitting aanleiding geeft voor een afwijking van het indicatietarief naar boven toe. Het houden van een tweede zitting is immers niet gebruikelijk bij het voeren van een kort geding en levert extra tijdsbeslag op. Businesscompleet heeft bovendien niet aangevoerd dat de extra kosten voor deze tweede zitting niet in redelijkheid zijn gemaakt. Het hof zal bij wijze van schatting een correctie op het indicatietarief toepassen van 50% naar boven toe. Er kan immers van worden uitgegaan dat de voorbereiding op de tweede zitting substantieel minder tijd heeft gekost dan de voorbereiding op de eerste zitting terwijl de tweede zitting ook een half uur korter heeft geduurd dan de eerste. Dit betekent dat aan advocaatkosten toewijsbaar is een bedrag van in totaal € 22.500,- (het indicatietarief van € 15.000,- vermeerderd met 50%). De grief slaagt op dit onderwerp dan ook deels.

3.9

Businesscompleet uit bij haar grief voorts bezwaren tegen de toewijzing van de kosten van de deskundige. Zij voert aan dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen de inhoud van het deskundigenrapport, dat het rapport niet heeft bijgedragen aan opheldering van het geschil en dat in het vonnis niet naar dit rapport wordt verwezen. The Valley heeft voorts niet onderbouwd op grond waarvan zij BTW vordert over de kosten van de deskundige, zo stelt Businesscompleet.

3.10

Het hof overweegt dat Businesscompleet onvoldoende heeft aangevoerd om te concluderen dat The Valley de kosten voor de deskundige nodeloos heeft gemaakt. Daartoe kan niet dienen dat zij het niet eens is met de inhoud daarvan. Dat het rapport niet in het vonnis wordt genoemd, biedt daartoe evenmin voldoende grond. Het hof is dan ook van oordeel dat de kosten van de deskundige kunnen worden meegenomen in de kostenveroordeling. The Valley voert nog aan dat zij de BTW over de kosten van de deskundige ad € 1.575,- niet op Businesscompleet zal verhalen. Het hof leidt hieruit af dat zij erkent dat Businesscompleet haar dit bedrag niet verschuldigd is. Het hof zal deze post dan ook alsnog afwijzen. Toewijsbaar is een bedrag aan deskundigenkosten van € 7.500,-. Niet is gebleken dat deze kosten onredelijk hoog zijn. Dit onderdeel van de grief slaagt al met al eveneens deels.

3.11

Het hof zal tevens het in eerste aanleg gevallen griffierecht meenemen in de redelijke en evenredige proceskosten. Businesscompleet heeft daartegen geen grief gericht en deze kosten vallen buiten de te hanteren indicatietarieven. Toewijsbaar is aldus een bedrag van € 31.909,- (€ 22.500,- aan advocaatkosten plus € 7.500,- aan kosten deskundige plus € 1.909,- aan griffierecht).

3.12

De grieven slagen deels. Het vonnis waarvan beroep zal deels worden vernietigd en er zal worden beslist zoals hierna is weergegeven. De proceskosten van dit hoger beroep zullen worden gecompenseerd nu partijen daarin over en weer in het ongelijk zijn gesteld.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover de proceskosten aan de zijde van The Valley daarbij zijn begroot op € 51.556,20,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

begroot de proceskosten aan de zijde van The Valley (in eerste aanleg gevallen) op een bedrag van € 31.909,-;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten van dit hoger beroep draagt;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, M.L.D. Akkaya en H.M.M. Steenberghe en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2017.