Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-01-2017
Datum publicatie
05-01-2017
Zaaknummer
23-000960-16
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak art. 6 WVW. Veroordeling art. 5 WVW. Onvoldoende grond voor de conclusie dat de verdachte met een zeer, althans aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en/of oplettendheid heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000960-16

datum uitspraak: 11 november 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 februari 2016 in de strafzaak onder parketnummer

15-179725-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

28 oktober 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
zij op of omstreeks 12 juli 2014 in de gemeente Purmerend als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Volkswagen, type Polo, kenteken [kenteken 1]), daarmede rijdende over de weg, de Laan der Continenten, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, aldaar op de (in twee rijstroken verdeelde) rijbaan van die weg niet zoveel mogelijk rechts te houden maar (grotendeels) te gaan rijden op het weggedeelte dat bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer, ten gevolge waarvan zij, met dat door haar bestuurde motorrijtuig, in botsing of aanrijding is gekomen met een haar op dat deel van de weg tegemoet rijdende personenauto (merk Opel, type Meriva, kenteken [kenteken 2]), waardoor aan de bestuurder van die auto (genaamd [naam]) zwaar lichamelijk letsel, (te weten een gebroken ruggenwervel), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair:
zij op of omstreeks 12 juli 2014 in de gemeente Purmerend als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Laan der Continenten, op de (in twee rijstroken verdeelde) rijbaan van die weg niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, maar (grotendeels) is gaan rijden op het weggedeelte dat bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer, waarna zij in botsing of aanrijding is gekomen met een haar tegemoet rijdende personenauto (merk Opel, type Meriva, kenteken [kenteken 2]). door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bespreking bewijsverweren

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 wettig en overtuigend bewezen zal verklaren, nu sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Hij heeft hierbij onder meer gewezen op het feit dat de verdachte met haar auto geheel aan de andere kant van de weg terecht is gekomen, terwijl geen sprake was van omstandigheden waarom het handelen niet verwijtbaar zou zijn geweest. Daarbij is de verdachte frontaal op haar tegenligger, [naam], gebotst, die op de andere weghelft voor het tegemoetkomende verkeer reed. Hij is door het ongeval zwaar gewond geraakt.

De raadsman heeft aan de hand van zijn pleitnotitie betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Anders dan de rechtbank heeft overwogen kan niet worden vastgesteld dat de verdachte seconden lang de verkeerde manoeuvre heeft gemaakt door op de verkeerde weghelft te rijden. Een moment van onoplettendheid levert geen schuld op in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De raadsman refereert zich aan het oordeel van het hof ter zake de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. De verdachte is op 12 juli 2014 met haar personenauto, een Volkswagen Polo, over de Laan der Continenten in Purmerend gereden, komende vanuit de richting van de Aziëlaan en gaande in de richting van de Zambezilaan. De Laan der Continenten bestond ter plaatse uit een rijbaan die door een onderbroken streep was verdeeld in twee rijstroken bestemd voor het verkeer in beide richtingen. Het slachtoffer [naam] kwam met zijn personenauto, een Opel Meriva, uit tegengestelde richting rijden. De verdachte is vervolgens met haar auto naar het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomend verkeer gereden en frontaal op de Opel van het slachtoffer gebotst. [naam] heeft verklaard dat hij een Volkswagen Polo opeens zijn kant op zag komen. [naam] is bij de botsing gewond geraakt en heeft een fractuur van de ruggenwervel opgelopen. De verdachte heeft verklaard zich niets van de toedracht van het ongeval te kunnen herinneren.

Bij de beoordeling van de vraag of bewezen kan worden dat door de gedragingen van de verdachte sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 dienen deze gedragingen aangemerkt te kunnen worden als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het hof heeft in dit geval het volgende in aanmerking genomen.

Vaststaat dat de verdachte met de door haar bestuurde auto op de verkeerde weghelft is terecht gekomen en dat zij daardoor in botsing is gekomen met haar tegenligger. Dit duidt op één verkeersfout. Naar het oordeel van het hof vormt deze fout onvoldoende grond voor de conclusie dat de verdachte met een zeer, althans aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en/of oplettendheid heeft gehandeld, zodat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd. Het hof zal de verdachte daarom van het primair tenlastegelegde vrijspreken.

Wel acht het hof de verdachte schuldig aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet. Het rijden op de tegengestelde weghelft kan niet anders worden aangeduid dan als een gevaarzettende gedraging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:
zij op 12 juli 2014 in de gemeente Purmerend als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de weg, de Laan der Continenten, op de in twee rijstroken verdeelde rijbaan van die weg niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, maar is gaan rijden op het weggedeelte dat bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer, waarna zij in botsing of aanrijding is gekomen met een haar tegemoet rijdende personenauto (merk Opel, type Meriva, kenteken [kenteken 2]), door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 90 uren, subsidiair 45 dagen vervangende hechtenis, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 dagen, waarvan 15 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 door op de verkeerde weghelft te rijden. Dit betreft een ernstige verkeersovertreding, die tot een botsing met een tegenligger heeft geleid. Het slachtoffer heeft hierbij letsel (een gebroken ruggenwervel) opgelopen, waarvan hij nog dagelijks de consequenties ondervindt. De verdachte heeft door aldus te handelen de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.

Het hof weegt in het nadeel van de verdachte mee dat uit een uittreksel justitiële documentatie van

18 oktober 2016 blijkt dat de verdachte eerder strafrechtelijk onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf alsmede een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.M. van der Nat en mr. R.M. Vennix, in tegenwoordigheid van

mr. M. Venderbosch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

11 november 2016.

Mrs. Van der Nat en Vennix zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]

.