Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1923

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
29-05-2017
Zaaknummer
23-003188-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal met braak. Bewijsoverweging, DNA spoor verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003188-16

datum uitspraak: 9 maart 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 augustus 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-800333-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1955,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen genoemd vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 10 september 2015 te Hoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een tablet en/of een of meer telefoon(s) en/of geld en/of een tablethoes en/of een telefoonhoes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of voornoemde weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

2:
hij op of omstreeks 06 augustus 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard, of terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde en mede daardoor tot een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De verdachte is bij beschikking van de staatssecretaris van Justitie van 8 december 2011, verzonden op dezelfde datum, tot ongewenst vreemdeling verklaard. Het hof leidt uit de voorhanden zijnde dossierstukken en het verhandelde ter terechtzitting af dat de verdachte de Kroatische nationaliteit heeft

en derhalve sinds 1 juli 2013 burger van de Europese Unie is.

Er bestaan sinds 20 oktober 2008 voor het openbaar ministerie geldende gedragsregels waarin onder meer is ingegaan op de invoering van de Richtlijn 2004/38 en de gevolgen daarvan voor ongewenst verklaarde burgers van de Europese Unie. Deze interne gedragsregels zijn weergegeven in een beleidsbrief van het College van Procureurs-Generaal van 20 oktober 2008 inzake de opsporing en vervolging ter zake van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, de ongewenstverklaarde vreemdeling (PaG/HB/13161-beleidsbrief, hierna te noemen: de beleidsbrief)).

Gelet op het verhandelde ter terechtzitting houdt het hof het ervoor dat de beleidsbrief niet is ingetrokken en thans nog geldt.

Uit deze beleidsbrief blijkt dat indien, zoals in het onderhavige geval, een persoon op het moment van afgifte van de beschikking tot ongewenst verklaring geen EU-onderdaan was, maar op het moment van aanhouding wel, behoudens een zich hier niet voordoende uitzondering, geen grond bestaat voor vervolging van deze persoon.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting –kortgezegd- op het standpunt gesteld dat, gelet op het voorgaande ter zake van feit 2 niet tot strafvervolging van de verdachte had mogen worden overgegaan nu dit in strijd was met de inhoud van de beleidsbrief en gevorderd het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging ten aanzien van dit feit.

Het hof zal, in lijn met de desbetreffende vordering van de advocaat-generaal en op grond van de motivering daarvan, als bepleit door de raadsvrouw van de verdachte, dienovereenkomstig beslissen.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het speekselspoor dat in de woning aan de [adres] is aangetroffen, waarvan het DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte, onvoldoende is om tot een bewezen verklaring van het ten laste gelegde te komen. Uit het dossier blijkt slechts dat het speeksel bij het raam met boorgaten is aangetroffen. Nergens uit blijkt of het speeksel in het boorgat of daarnaast is aangetroffen. Het dossier bevat te veel onduidelijkheden om het speekselspoor als daderspoor aan te merken.

Het hof overweegt het volgende.

Het bewijs van betrokkenheid van de verdachte aan de inbraak in de woning aan de [adres] in Hoorn zou in doorslaggevende mate moeten volgen uit de door het Nederlands Forensisch Instituut gerapporteerde match tussen het bij het raam van de woning aangetroffen en onderzochte biologische spoor en het in de Nederlandse DNA-databank opgenomen DNA-profiel van de verdachte.

Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat het aantreffen van een spoor met daarop lichaamsmateriaal waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte niet zonder meer betekent dat het de verdachte moet zijn geweest die de ten laste gelegde inbraak heeft gepleegd. Daarvoor is mede bepalend wat de aard van het spoor is, op welke specifieke plaats het spoor is aangetroffen en of aangenomen moet worden dat het spoor daar door de dader is achtergelaten.

Uit de stukken in het dossier kan het volgende worden vastgesteld.

Op 10 september 2015 is tussen 00.30 uur en 07.10 uur ingebroken in de woning aan de [adres] in Hoorn. De woning is via een raam aan de achterzijde betreden. Dit was een uitzetraam, dat aan de binnenzijde was voorzien van twee raamboompjes. Bij de inbraak zijn aan de onder- en bovenzijde van de raamboompjes gaten geboord, waardoor het mogelijk was de raamboompjes te ontsluiten en het raam te openen om tenslotte door middel van inklimming de woning te betreden. In de directe nabijheid van één van de genoemde boorgaten is speeksel aangetroffen, waarvan het DNA-profiel met de hoogst mogelijke waarschijnlijkheidsgraad matcht met dat van de verdachte.

Gelet op de plaats waar het speeksel is aangetroffen, is naar het oordeel van het hof sprake van een daderspoor. Dat uit het dossier niet precies blijkt of het speeksel in of buiten het boorgat is veiliggesteld, doet aan het bovenstaande niet af, nu uit het dossier wel blijkt dat het speeksel in ieder geval in de directe nabijheid van het boorgat is veiliggesteld.

Verder heeft de verdachte geen enkele aannemelijke, hem ontlastende, verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn speeksel op die plaats.

Het hof gaat er, gelet op het voorgaande, derhalve van uit dat de verdachte het speekselspoor heeft achtergelaten bij het plegen van de ten laste gelegde woninginbraak en acht het onder 1 ten laste gelegde dus wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 september 2015 te Hoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een tablet en telefoons en geld en een tablethoes en een telefoonhoes, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en voornoemde weg te nemen goederen en geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft in de nachtelijke uren ingebroken in een woning van een gezin met kinderen. Men behoort zich bij uitstek in de eigen woning veilig te kunnen voelen. De verdachte heeft door aldus te handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van dat gezin en aangetoond geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 februari 2017 is hij eerder ter zake van (poging tot) gekwalificeerde diefstal onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 988,08, bestaande uit € 588,08 aan materiële schade en € 400 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 338,08. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 88,08 aan materiële schade, bestaande uit reiskosten en kosten voor het opnemen van een verlofdag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 september 2015.

De materiële schade voor de aanschaf van een alarminstallatie houdt onvoldoende verband met deze strafzaak en is bovendien niet onderbouwd.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is thans onvoldoende gebleken van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek nu deze gestelde schade niet is onderbouwd met enig bescheid. Evenmin is gesteld of anderszins gebleken dat sprake is geweest van letsel of een inbreuk op de integriteit van de persoon van de benadeelde partij in de zin van vorenbedoelde wettelijke bepaling op grond waarvan de vordering tot vergoeding wegens immateriële schade zonder meer toewijsbaar is.

Naar het oordeel van het hof vormt behandeling van de vordering voor zover deze uitgaat boven het hiervoor vermelde bedrag van € 88,08 dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom in zoverre in de vordering niet worden ontvangen en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 488,08, bestaande uit € 88,08 aan materiële schade en € 400,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 338,08. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 88,08 aan materiële schade, bestaande uit reiskosten en kosten voor het opnemen van een verlofdag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 september 2015.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is thans onvoldoende gebleken van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek nu deze gestelde schade niet is onderbouwd met enig bescheid. Evenmin is gesteld of anderszins gebleken dat sprake is geweest van letsel of een inbreuk op de integriteit van de persoon van de benadeelde partij in de zin van vorenbedoelde wettelijke bepaling op grond waarvan de vordering tot vergoeding wegens immateriële schade zonder meer toewijsbaar is.

Naar het oordeel van het hof vormt behandeling van de vordering voor zover deze uitgaat boven het hiervoor vermelde bedrag van € 88,08 dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom in zoverre in de vordering niet worden ontvangen en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 400 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is thans onvoldoende gebleken van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek nu deze gestelde schade niet is onderbouwd met enig bescheid. Evenmin is gesteld of anderszins gebleken dat sprake is geweest van letsel of een inbreuk op de integriteit van de persoon van de benadeelde partij in de zin van vorenbedoelde wettelijke bepaling op grond waarvan de vordering tot vergoeding wegens immateriële schade zonder meer toewijsbaar is. Naar het oordeel van het hof vormt behandeling van de vordering dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 400 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is thans onvoldoende gebleken van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek nu deze gestelde schade niet is onderbouwd met enig bescheid. Evenmin is gesteld of anderszins gebleken dat sprake is geweest van letsel of een inbreuk op de integriteit van de persoon van de benadeelde partij in de zin van vorenbedoelde wettelijke bepaling op grond waarvan de vordering tot vergoeding wegens immateriële schade zonder meer toewijsbaar is. Naar het oordeel van het hof vormt behandeling van de vordering dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 88,08 (achtentachtig euro en acht cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 88,08 (achtentachtig euro en acht cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 88,08 (achtentachtig euro en acht cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 88,08 (achtentachtig euro en acht cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. W.M.C. Tilleman en mr. J.H. Wesselink, in tegenwoordigheid van mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 maart 2017.

Mr. Wesselink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]