Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1919

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
29-05-2017
Zaaknummer
23-001341-16
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

handelen in strijd met gedragsaanwijzing. strafmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001341-16

datum uitspraak: 9 maart 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 april 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-741065-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 augustus 2016, 8 november 2016 en 23 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen genoemd vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 maart 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 25 maart 2016 gegeven door de officier van justitie te Amsterdam immers heeft verdachte opzettelijk zich bevonden in het Flevohuis gelegen aan [adres 2].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 maart 2016 te Amsterdam opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 25 maart 2016 gegeven door de officier van justitie te Amsterdam, immers heeft verdachte opzettelijk zich bevonden in het Flevohuis gelegen aan [adres 2].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een gebiedsverbod voor de duur van 6 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich onder toezicht zal stellen van Reclassering Inforsa.

De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd dat opnieuw een gebiedsverbod zal worden opgelegd betreffende het Flevohuis in Amsterdam.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft verbleven in het Flevohuis, terwijl hem de toegang daartoe rechtsgeldig was ontzegd op grond van een gedragsaanwijzing van de officier van justitie. De verdachte heeft hierdoor de naleving van een door het bevoegd gezag aan een burger gegeven bevel bewust genegeerd. Door aldus te handelen heeft de verdachte bovendien overlast veroorzaakt voor de bewoners van het Flevohuis en de overige betrokkenen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 februari 2017 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken. De verdediging heeft aangevoerd dat de afgelopen maanden is getracht de verdachte uit de Top-600 te laten stromen en huisvesting voor hem te vinden. Het gemis aan woonruimte is voor de verdachte immers de belangrijkste oorzaak voor het plegen van strafbare feiten. De uitlooptermijn hiervoor betrof drie maanden. Deze termijn is inmiddels verstreken en de verdachte is inmiddels uitgestroomd uit de Top-600. Binnen de genoemde termijn is het echter niet gelukt huisvesting voor de verdachte te realiseren. De verdachte geraakt daardoor momenteel tussen de wal en het schip, nu er geen formeel kader en dus geen financiering meer is voor begeleiding bij het vinden van woonruimte.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden, waarbij als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte begeleid wordt door Reclassering Inforsa, op de wijze zoals hieronder staat aangegeven, zodat onder meer kan worden doorgegaan met het reeds opgestarte huisvestingstraject. Gelet op het voorgaande zal aan de verdachte geen gebiedsverbod worden opgelegd met betrekking tot het Flevohuis, omdat dit thans niet meer actueel voorkomt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 184a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Inforsa Amsterdam, zo lang en frequent als de reclassering nodig acht en zich houdt aan de door of namens de reclassering te geven aanwijzingen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. F.M.D. Aardema en mr. J.H. Wesselink, in tegenwoordigheid van

mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 maart 2017.

Mr. Wesselink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]