Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1884

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-05-2017
Datum publicatie
26-05-2017
Zaaknummer
200.205.880/01 GDW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TGDKG:2016:88
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klachten tegen een gerechtsdeurwaarder (onderdelen a tot en met h). In zijn algemeenheid gaat de klacht over het maken van onnodige kosten, het onaangekondigd leggen van derdenbeslag, geen verantwoordelijkheid nemen voor ambtshandelingen, het niet beantwoorden van brieven/e-mails en het intimeren van klager door hem aansprakelijk te stellen voor de gemaakte kosten in het kader van de tuchtprocedure.

De kamer heeft de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel.

Het hof laat - alvorens nader te beslissen - klager toe (door middel van het indienen van een geluidsfragment) het bewijs te leveren van zijn stelling dat de gerechtsdeurwaarder hem heeft geïntimideerd door hem (tijdens een telefoongesprek) aansprakelijk te stellen voor de gemaakte kosten in het kader van de tuchtprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.205.880/01 GDW

nummer eerste aanleg : 461.2015

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 23 mei 2017

inzake

[naam],

wonend te [plaats],

appellant,

tegen

[naam],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: klager) heeft op 18 december 2016 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 22 november 2016 (ECLI:NL:TGDKG:2016:88). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) gedeeltelijk gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel.

1.2.

De gerechtsdeurwaarder heeft op 4 januari 2017 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 april 2017. Klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; klager aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Bij exploot van 14 oktober 2014 heeft de gerechtsdeurwaarder op verzoek van (destijds genaamd) [naam gerechtsdeurwaarderskantoor] (hierna: [Y]) als eisende partij klager gedagvaard te verschijnen voor de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant.

3.2.2.

In bovenvermeld exploot staat onder meer vermeld dat de hoofdsom € 202,88 bedraagt en het salaris gemachtigde € 60,-.

3.2.3.

Bij vonnis van 23 april 2015 heeft de kantonrechter klager veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag en hem in de proceskosten veroordeeld.

3.2.4.

Bij exploot van 28 april 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder (op verzoek van [Y]) voormeld vonnis aan klager betekend met bevel tot betaling aan de gerechtsdeurwaarder van een bedrag van € 538,93 en aanzegging van executiemaatregelen bij niet betaling.

3.2.5.

Bij brief van 29 april 2015 heeft klager aan de gerechtsdeurwaarder medegedeeld dat onnodige kosten zijn gemaakt (door het betekenen van het vonnis), dat de gevorderde rente van 1 procent per maand excessief is en dat dit niet past bij de ministerieplicht voor het verrichten van ambtshandelingen. Klager heeft in diezelfde brief voorgesteld om het bedrag van € 538,93 te verminderen tot (afgerond) € 440,- en dit bedrag in vier maandelijkse termijnen te betalen. De brief is in kopie verzonden naar [Y].

3.2.6.

De gerechtsdeurwaarder heeft bij exploot van 12 mei 2015 op verzoek van [Y] ten laste van klager derdenbeslag gelegd voor een bedrag van in totaal € 767,80.

3.2.7.

Alle door de gerechtsdeurwaarder uitgebrachte exploten zijn gesteld op explootpapier van [Y].

3.2.8.

Op 15 mei 2015 hebben klager en de gerechtsdeurwaarder telefonisch contact met elkaar gehad.

3.2.9.

Diezelfde dag heeft klager per e-mail aan de gerechtsdeurwaarder onder meer bericht:

“Aansluitend op ons telefonisch onderhoud van hedenochtend hierbij nogmaals mijn klachten.

U heeft de exploten betekend en woonplaats gekozen op uw kantoor dus u bent voor mij het (eerste) aanspreekpunt. U heeft niet gereageerd op mijn brief van 29 april 2015 waarin ik mij heb beklaagd over de onnodige kosten. (..) In dit geval had u moeten weigeren of tenminste met mij in contact treden of met [Y] moeten overleggen. Het was u namelijk bekend dat het vonnis pas 1 (werk)dag oud was en de hoofdsom gering. Het is bovendien stuitend dat u zojuist aankondigde om uw uren en kosten gemoeid met een eventuele klacht bij mij in rekening te brengen.”

3.2.10.

De gerechtsdeurwaarder heeft bij e-mail van 19 mei 2015 aan klager onder meer medegedeeld:

“(..) Ik zal het telefonisch onderhoud en hetgeen met u besproken Is nogmaals uiteenzetten;

(..)

Deurwaarder [Y] heeft zelf deze zaak inhoudelijk in Behandeling. Ik wordt enkel ingeschakeld voor ambtelijke Werkzaamheden omdat [Y] hiertoe niet bevoegd is, Omdat dit een eigen zaak van hemzelf betreft.

Deze opdrachten voer ik als een goed gerechtsdeurwaarder uit en dit is ook bij u zo geschiedt.

Zoals ik u vrijdag ook al medegedeeld heb, neem contact op met deurwaarder [Y] en tracht deze zaak met hem op te lossen. (..)”

3.2.11.

Bij e-mail van 20 mei 2015 heeft klager de gerechtsdeurwaarder verzocht de in het exploot van 12 mei 2015 opgenomen executiekosten van € 122,18 te specificeren, meer in het bijzonder het niet te herleiden bedrag van € 45,63 (executiekosten van € 122,18 minus kosten betekening van € 76,55).

4 Standpunt van klager

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder het volgende.

a. De gerechtsdeurwaarder heeft in het exploot van 14 oktober 2014 een bedrag van € 60,- aan ‘salaris gemachtigde’ opgenomen, terwijl [Y] zelf procedeerde en een liquidatietarief derhalve niet aan de orde was.

b. De gerechtsdeurwaarder heeft onnodige kosten gemaakt door het vonnis direct te betekenen. Deze kosten staan bovendien niet in verhouding tot de oorspronkelijke hoofdsom.

c. De gerechtsdeurwaarder heeft – in plaats van te reageren op het betalingsvoorstel van klager in zijn e-mail van 29 april 2015 – onaangekondigd derdenbeslag gelegd.

d. De gerechtsdeurwaarder heeft zich laten meeslepen door emoties en/of druk van [Y] en hij heeft nagelaten de zaak professioneel en onafhankelijk te beoordelen in zijn ambt als gerechtsdeurwaarder.

e. De gerechtsdeurwaarder verschuilt zich achter [Y] en neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn ambtshandelingen; hij ontkent zelfs iets te maken te hebben met de inhoud van de bevelen.

f. De gerechtsdeurwaarder heeft klager geïntimideerd door hem tijdens het telefonisch contact op 15 mei 2015 aansprakelijk te stellen voor de gemaakte kosten in het kader van de tuchtprocedure.

g. Brieven/e-mails van klager worden door de gerechtsdeurwaarder niet beantwoord, meer in het bijzonder de e-mail van 20 mei 2015 van klager (waarin klager heeft verzocht om een specificatie van de executiekosten).

h. Het correct uitvoeren van ambtshandelingen is voor de gerechtsdeurwaarder ondergeschikt aan omzetmaximalisatie.

5 Standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6. Beoordeling

Klachtonderdeel a.

6.1.

Het hof volgt klager niet in zijn stelling dat de gerechtsdeurwaarder in het exploot van 14 oktober 2014 ten onrechte een bedrag van € 60,- aan ‘salaris gemachtigde’ heeft opgenomen. De dagvaarding was niet opgesteld door de gerechtsdeurwaarder, maar door zijn opdrachtgever [Y] De gerechtsdeurwaarder was slechts ingeschakeld om de dagvaarding aan klager te betekenen, waarna hij de uitgebrachte dagvaarding weer retour diende te sturen aan zijn opdrachtgever. Klager diende eventuele betalingen ook niet aan de gerechtsdeurwaarder, maar aan zijn opdrachtgever te doen. Het is niet de taak van de gerechtsdeurwaarder die de dagvaarding betekent om te controleren of de in rekening te brengen bedragen juist zijn. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel b.

6.2.

Klager heeft aangevoerd dat hij geen enkele mogelijkheid heeft gekregen om vrijwillig te voldoen aan de inhoud van het vonnis. Klager heeft het vonnis zelf op vrijdag 24 april/zaterdag 25 april 2015 ontvangen van de rechtbank en de gerechtsdeurwaarder heeft dit vonnis direct de volgende werkdag (dinsdag 28 april 2015) aan hem betekend.

6.3.

Met de kamer is het hof van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder op grond van zijn ministerieplicht (artikel 11 van de Gerechtsdeurwaarderswet) gehouden was om aan de opdracht van [Y], inhoudende betekening van de grosse van het vonnis, te voldoen. Het was niet aan de gerechtsdeurwaarder om klager te verzoeken vrijwillig over te gaan tot betaling. Van het maken van onnodige kosten is het hof, evenals de kamer, niet gebleken. De kosten voor het betekenen van het vonnis zijn berekend volgens het Besluit Tarieven Ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

6.4.

Klager heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder heeft betekend zonder dat hij de beschikking had over de grosse van het vonnis. Volgens hem is dit eveneens klachtwaardig. Het hof kan van deze klacht geen kennis nemen, aangezien deze voor het eerst in hoger beroep naar voren is gebracht. Klager zal dan ook in de uitbreiding van het klachtonderdeel b. niet-ontvankelijk worden verklaard.

Klachtonderdeel c.

6.5.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de gerechtsdeurwaarder ten tijde van het betalingsvoorstel heeft verzuimd klager mee te delen dat hij dat voorstel met [Y] diende te bespreken en niet met hem, omdat hij slechts had te gelden als uitvoerder van de ambtelijke werkzaamheden. Naar het oordeel van het hof had de gerechtsdeurwaarder deze mededeling wel aan klager moeten doen, te meer nu de gerechtsdeurwaarder in zijn exploot van 28 april 2015 (kennelijk per abuis) had opgenomen dat aan hem (en niet aan [Y]) moest worden betaald.

6.6.

De gerechtsdeurwaarder was ervan op de hoogte dat klager een betalingsvoorstel had gedaan. Onder deze omstandigheid diende de gerechtsdeurwaarder te verifiëren of [Y] het betalingsvoorstel van klager in goede orde had ontvangen en daarop had gereageerd voordat hij kon overgaan tot het inzetten van een ingrijpend middel als beslaglegging. Niet is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder dat heeft gedaan, integendeel. Hij heeft voetstoots erop vertrouwd dat [Y] daarover met klager had gesproken/gecorrespondeerd. Het hof acht dit onzorgvuldig en klachtwaardig.

6.7.

Gelet op het vorenstaande is dit klachtonderdeel, zoals ook de kamer heeft geoordeeld, gegrond.

Klachtonderdeel g.

6.8.

Vast staat dat de gerechtsdeurwaarder niet heeft gereageerd op de e-mail van klager van 20 mei 2015. Het hof is - anders dan de kamer - van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken, aangezien hij klager reeds tweemaal (op 15 en 19 mei 2015) erop had gewezen dat hij zijn vragen over de zaak niet aan hem moest stellen, maar aan [Y] (de inhoudelijke behandelaar van de zaak). Naar het oordeel van het hof behoefde de gerechtsdeurwaarder overigens niet op voorhand te twijfelen aan de juistheid van de opgenomen executiekosten in het exploot van 12 mei 2015, mede gelet op de hoogte ervan (€ 45,63). Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Klachtonderdelen d., e. en h.

6.9.

Het hof is van oordeel dat deze klachtonderdelen geen doel treffen. Klager heeft zijn stellingen dienaangaande onvoldoende onderbouwd. Deze klachtonderdelen zijn dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel f.

6.10.

Klager stelt dat de gerechtsdeurwaarder hem tijdens het telefonisch contact op 15 mei 2015 op intimiderende wijze heeft meegedeeld klager aansprakelijk te stellen voor de gemaakte kosten in het kader van de tuchtprocedure. De gerechtsdeurwaarder heeft deze stelling van klager betwist.

6.11.

Klager heeft bewijs aangeboden van zijn stelling. Hij stelt dat bewijs te kunnen leveren door het afspelen van een opname van bedoeld telefoongesprek.

6.12.

Het bewijsaanbod is voldoende gespecificeerd. Teneinde de gegrondheid van dit klachtonderdeel te kunnen beoordelen, zal het hof klager in de gelegenheid stellen bewijs te leveren door – zoals verzocht – het in het geding brengen van een door hem gemaakte geluidsopname van het telefoongesprek op 15 mei 2015 tussen klager en de gerechtsdeurwaarder.

6.13.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6.14.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in de klacht over het niet beschikken over de grosse;

- laat klager toe - door middel van het in tweevoud indienen van het gehele geluidsfragment van het telefoongesprek op 15 mei 2015 tussen klager en de gerechtsdeurwaarder - het bewijs te leveren van zijn stelling dat de gerechtsdeurwaarder hem heeft geïntimideerd door hem tijdens het telefonisch contact op 15 mei 2015 aansprakelijk te stellen voor de gemaakte kosten in het kader van de tuchtprocedure;

- stelt klager in de gelegenheid om - binnen twee weken na de datum van deze beslissing - voormeld geluidsfragment op een memorystick in tweevoud bij het hof in te dienen (onder vermelding van bovenstaand zaaknummer) onder toevoeging van een op schrift uitgewerkte versie van dat gedeelte van het gesprek;

- stelt de gerechtsdeurwaarder in de gelegenheid om vervolgens - binnen twee weken na toezending van het geluidsfragment door het hof - schriftelijk te reageren (eveneens onder vermelding van bovenstaand zaaknummer);

- bepaalt dat een nieuwe mondelinge behandeling zal worden gehouden indien een van partijen daarom verzoekt;

- houdt elke verdere beslissing aan.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2017 door de rolraadsheer.