Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:174

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
16/00039
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof acht de kosten die voortvloeien uit een Interest Rate Swap niet aftrekbaar als kosten met betrekking tot de eigen woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/290
FutD 2017-0369 met annotatie van Fiscaal up to Date
Viditax (FutD), 13-10-2017
NTFR 2017/901 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 16/00039

10 januari 2017

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

De inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

tegen de uitspraak van 30 december 2015 in de zaak met kenmerk HAA 14/4757 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

[X] te [Z] ,
gemachtigde: mr. L.A. van Dijk en mr. S.I. Hoogenberg (beiden: RechtStaete vastgoedadvocaten & belastingadviseurs te Amsterdam),

en

de inspecteur.

1
1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 5 juli 2013 aan belanghebbende voor het jaar 2009 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.687 (waarin ligt besloten de beschikking van de inspecteur om het verlies uit werk en woning vast te stellen op nihil) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.616.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 10 oktober 2014, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.165 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0.

1.3.

Het tegen deze uitspraak ingestelde beroep heeft de rechtbank in haar uitspraak gegrond verklaard. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van (negatief) € 17.500 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0, en heeft de inspecteur veroordeeld in de proceskosten en hem opgedragen het griffierecht te vergoeden.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 4 februari 2016 en aangevuld bij brief van 29 februari 2016. Namens belanghebbende is een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2016. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.6.

Ter zitting heeft het Hof partijen verzocht nadere inlichtingen te verstrekken.
Deze inlichtingen zijn verstrekt bij brief van de inspecteur van 16 december 2016, waarvan een afschrift aan de wederpartij is toegezonden. Na ontvangst van deze brief heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 1 tot en met 9 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’:


“1. Eiseres, geboren in 1958, woont ongehuwd samen met de heer [B] , geboren in 1953. Zij hebben bij het doen van aangifte gekozen voor fiscaal partnerschap.

2. In het jaar 2009 woonden zij tot 28 oktober op het adres [adres 1 A] en vanaf deze datum op het adres [adres 2] . De woning [adres 2] behoorde tot 28 oktober 2009 tot de rendementsgrondslag van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van eiseres en haar partner. Tot de rendementsgrondslag van box 3 behoorden verder het gehele jaar 2009 de woningen [adres 1 B] en [adres 3] .

3. Het gehele pand [adres 1A en 1B] was gefinancierd met hypothecaire geldleningen bij F. van Lanschot Bankiers N.V. De totale hypotheekschuld bedroeg € 1.690.541,75, waarvan 53/100 (€ 895.988) toegerekend werd aan de (eigen) woning [adres 1 A] .

Ter zake van het pand [adres 2] waren twee hypothecaire geldleningen afgesloten bij de Postbank , van in totaal € 278.359,30.

Per juli 2008 is de financiering van de panden gewijzigd en zijn de hiervoor genoemde hypothecaire geldleningen afgelost. Ter zake van de financiering van de beide panden is een tweetal hypothecaire geldleningen van in totaal € 2.300.000 aangegaan bij de [naam bank] :

- een aflossingsvrije geldlening ad € 900.000 met een looptijd van 25 jaar;

- een aflossingsvrije geldlening ad € 1.400.000 met een looptijd van 25 jaar.

Op de met de [naam bank] overeengekomen hypothecaire geldleningen (de overeenkomsten worden hierna ook verkort aangeduid als de hypothecaire leningen) is een variabele rente van toepassing, het driemaands Euribor Roll-over tarief. De partner van eiseres heeft aan de [naam bank] op 10 juli 2008 op beide panden hypotheek verleend tot een gezamenlijk bedrag van € 3.000.000, vermeerderd met renten en kosten ad € 1.050.000, derhalve in totaal
€ 4.050.000. In de hypotheekakte staat geen specificatie per pand of woning vermeld.

4. De partner van eiseres heeft met de [naam bank] diverse financiële overeenkomsten gesloten. Het dossier bevat ter zake onder meer de volgende stukken:

- 30 mei 2008: Overeenkomst Financiële Derivaten.

- 5 juni 2008: financieringsvoorstel ad € 2.400.000 betreffende:

- een aflossingsvrije geldlening ad € 900.000 met een looptijd van 25 jaar, uitsluitend bestemd voor herfinanciering van een box 1 lening van derden;

- een aflossingsvrije geldlening ad € 1.400.000 met een looptijd van 25 jaar, uitsluitend bestemd voor herfinanciering van leningen bij derden en

- een krediet rekening-courant ad € 100.000 voor onbepaalde tijd, uitsluitend bestemd voor de financiering van de bedrijfs- of beroepsuitoefening van de partner van eiseres.

- 18 juni 2008: bevestiging van een Cancellable Swap voor een nominaal bedrag van
€ 2.300.000, ingangsdatum 1 juli 2008, einddatum 1 juli 2018, vaste rente te betalen door (de partner van) eiseres 4,67% en variabele rente te betalen door de [naam bank] EUR-Euribor-Reuters;

- 17 december 2009: bevestiging van een Cancellable Swap voor een nominaal bedrag van
€ 1.052.000, ingangsdatum 21 december 2009, einddatum 1 juli 2018, vaste rente te betalen door (de partner van) eiseres 4,67% en door de [naam bank] te betalen variabele rente EUR-Euribor-Reuters;

- 17 december 2009: bevestiging beëindiging per 21 december 2009 van de transactie Cancellable Swap met ingangsdatum 1 juli 2008 en nominaal bedrag van € 2.300.000, waarbij door de [naam bank] € 199.000 te betalen premie aan (de partner van) eiseres in rekening wordt gebracht;

- 29 december 2009: Overeenkomst Financiële Derivaten;

De (opvolgende) Cancellable Swap overeenkomsten worden hierna aangeduid als de renteswapovereenkomst en de op basis daarvan aan de bank verschuldigde rente de swaprente.

5. Op 2 november 2009 is de woning [adres 1 A] verkocht voor € 1.335.000.

Op 23 december 2009 is de hypothecaire geldlening ad € 900.000 geheel afgelost.

Tevens is in december 2009 de oorspronkelijke renteswapovereenkomst aangepast.

Het nominale bedrag is verlaagd van € 2.300.000 naar € 1.052.000.

6. Per 1 januari 2009 bedroeg de eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a van de Wet IB 2001 € 1.052.040. Op 31 december 2009 bedroeg de eigenwoningschuld € 236.488.

7. De negatieve waarde in het economische verkeer van de renteswapovereenkomst bedroeg per 1 januari 2009 € 245.851 en per 31 december 2009 € 133.576.

8. Eiseres heeft aangifte ib/pvv over het jaar 2009 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 147.874 (en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil na persoonsgebonden aftrek). In deze aangifte heeft zij onder meer een negatief saldo inkomsten uit eigen woning van € 188.433 in aanmerking genomen, waaronder swaprente en een deel van de aan de [naam bank] betaalde premie van € 199.000 ter zake van de beëindiging van de renteswapovereenkomst van 1 juli 2008.

9. Verweerder heeft bij de aanslagregeling onder meer de aftrekbare rente en kosten eigen woning gecorrigeerd met € 168.792. Daarbij heeft verweerder in totaal € 24.879 als aftrekbare rente geaccepteerd, te weten de variabele Euribor-rente (€ 24.164 over de periode tot 29 oktober 2009 en € 715 over de periode van 29 oktober 2009 tot 31 december 2009). De in de aangifte afgetrokken swaprente en beëindigingspremie zijn niet geaccepteerd door verweerder. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de waarde in het economische verkeer van de renteswapovereenkomst in aanmerking genomen bij de rendementsgrondslag van box 3.”


Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank zijn door partijen geen bezwaren aangevoerd. Het Hof zal derhalve ook uitgaan van die feiten en voegt daar nog het volgende aan toe.

2.2.1.

In een stuk genoemd ‘Bijlage Verschaffing van Dekking’ van [naam bank] , naar het Hof begrijpt: behorend bij de ‘Overeenkomst Financiële Derivaten’ (als vermeld in onderdeel 4 van de uitspraak van de rechtbank), is onder meer het volgende vermeld:


“2. MTM waarde van Transacties
Aan een Transactie die met u wordt afgesloten wordt door de Bank een waarde toegekend volgens de marked-to market- methodiek (de “MTM waarde”).
(…)
De MTM waarde die een door u verrichte Transactie op een bepaald moment heeft is het bedrag dat, volgens de standaard berekeningsmethoden van de Bank, op dat moment bij beëindiging van die Transactie door u aan de Bank betaald moet worden of door u van de Bank ontvangen wordt om uw positie ten opzichte van de Bank uit hoofde van de desbetreffende Transactie te neutraliseren (…), uitgaande van de marktomstandigheden van dat moment.
(…)
4. Wat geldt als Dekking?
Als Dekking voor uw Mogelijke Financiële Verplichtingen geldt het totaal van de voor u positieve MTM waarden van met u afgesloten Transacties. Verder wordt met u een bedrag afgesproken waarmee het totaal van de voor u negatieve MTM waarden van Transacties, het totaal van de voor u positieve MTM waarden van Transacties mag overschrijden (het “Afgesproken Bedrag”).”

2.2.2.

Volgens een op 12 juni 2009 door [B] (en voor toestemming eveneens door belanghebbende) ondertekend Treasury Inventarisatie Formulier bedraagt het onder 2.2.1 vermelde ‘Afgesproken Bedrag’ € 469.000.

2.3.

In een brief van 5 juni 2013 van [naam medewerker] , Hoofd Treasury Regio Noordwest van [naam bank] , aan [B] is onder meer het volgende vermeld:


“Op uw verzoek stuur ik u hierbij een korte uitleg over hoe de Interest Rate Swap (hierna: ‘renteswap’) zich verhoudt tot uw financiering.
(…)
De renteswap dient een financiering af te dekken
[naam bank] heeft als beleid dat een renteswap bij klanten die volgens de Wet op het financieel toezicht als niet-professioneel zijn geclassificeerd daadwerkelijk aan een lening gekoppeld moet zijn. Als dit niet het geval is, bijvoorbeeld door een vervroegde aflossing op de lening, dan heeft de [naam bank] het recht om de renteswap gedeeltelijk te beëindigen zodat de renteswap en de lening weer gelijk lopen.”

2.4.

In een brief aan belanghebbende en [B] van 17 december 2013 van drs. [naam medewerker] , Directeur Wholesale van [naam bank] , is onder meer het volgende vermeld:


“In uw brief van 25 september heeft u [naam bank] Haarlem aansprakelijk gesteld vanwege de door u gestelde schade voortvloeiend uit een door u in 2008 bij [naam bank] afgesloten financiering met rente transactie (zijnde een Cancellable Swap welke is afgesloten op 5 juni 2008, met ingangsdatum 1 juli 2008, einddatum 1 juli 2018 en met oorspronkelijke hoofdsom van € 2.300.000,-). De fiscus stelt zich op het standpunt dat de door u betaalde rente onder de rente transactie, voor zover die betrekking heeft op uw eigen woning, niet fiscaal aftrekbaar is in box 1 (althans slechts Euribor + opslag).
acht het passend om u een vergoeding te bieden op basis van uw (verwachte) werkelijke nadeel. Bij de berekening daarvan hanteren wij de volgende uitgangspunten.
De rente transactie is op 17 december 2009 deels beëindigd. In 2009 heeft u namelijk, bij de verkoop van de woning aan de [adres 1 A] , de door u afgesloten rente transactie gedeeltelijk afgekocht. Het aan uw box 1 lening toe te schrijven deel van de met deze afkoop gepaard gaande afkoopsom bedroeg € 142.869,-. Aangezien u deze kosten niet had gehad als u de woning had verkocht zonder dat u een afzonderlijke rente transactie had, is [naam bank] bereid deze kosten ad € 142.869,- aan u te vergoeden.
U geeft tevens aan nadeel te hebben ondervonden van het niet aftrekbaar zijn van het renteverschil tussen de door u te betalen vaste rente welke voortvloeit uit de rente transactie en het rentetarief dat de fiscus als aftrekbare rente beschouwt (Euribor + opslag).
Dat begrijpen wij tot aan de verkoop van de woning aan de [adres 1 A] . (…)
De fiscus heeft in oktober 2009 uw maximale eigen woningschuld vastgesteld op € 236.488,-.
(…)
Naar de mening van [naam bank] is er een bij het uitbrengen van de offerte niet voorzienbaar negatief effect van het niet aftrekbaar zijn in box 1 van een deel van de door u te betalen rente over het bedrag van € 236.488,-. Daarnaast is er een positief effect dat u ondervindt van de aftrekbaarheid in box 3 van de negatieve waarde van de rente transactie. Om u toch tegemoet te komen voor een deel van het verschil in de afgelopen jaren en de resterende looptijd van de rente transactie is [naam bank] bereid om het eerder genoemde bedrag ad € 142.869,- af te ronden op € 150.000,-.”

2.5.

In de brief van de inspecteur van 16 december 2016 is onder meer het volgende vermeld:


“Tijdens de zitting d.d. 7 december 2016 (…) heeft uw Hof vragen gesteld aan belanghebbende en aan de inspecteur. In onderling overleg met de gemachtigde van belanghebbende is besloten één gezamenlijk antwoord aan uw Hof te zenden. Daarom bericht ik u namens beide partijen als volgt.

Uw Hof heeft belanghebbende verzocht een specificatie te verstrekken van de in

bijlage 1.2 van het bezwaarschrift als aftrekbare rente en financieringskosten

opgenomen bedragen. Uit de specificatie moet blijken of wel of niet sprake is van

een dubbeltelling.

Aan de inspecteur is verzocht te verklaren waarom in de uitspraak op bezwaar

uitgegaan wordt van een bedrag van -/- € 193.671 als in de aangifte vermelde

inkomsten uit de eigen woning, terwijl in de door belanghebbende ingezonden

aangifte het bedrag van -/- 194.413 vermeld staat.

Uit de stukken hebben beide partijen het volgende geconcludeerd


- In de op 17 juni 2011 ingediende aangifte is een bedrag van € 193.671

opgenomen als rente en kosten van de eigen woning.


- De inspecteur geeft in zijn brief d.d. 11 juni 2013 aan dat hij de aftrekbare

rente en kosten op basis van de overgelegde stukken berekend heeft op

€ 24.879.


- Eerst in het bezwaarschrift geeft belanghebbende aan dat de rente en kosten

€ 194.413 bedragen. Het in de aangifte opgenomen bedrag ad € 193.671 is

door de toenmalige gemachtigde van belanghebbende gecorrigeerd.


- Het verschil van € 742 tussen € 193.671 en € 194.413 is niet van invloed op

het standpunt van de inspecteur.


- Het bedrag van € 194.413 is opgebouwd uit

- Totale Euribor var. rente € 23.050,65 + € 36.469,06 € 59.520

- Variabele Euribor rente t/m okt € 52.828

- Deel eigen woning € 24.164

- Variabele Euribor rente vanaf nov € 6.692

- Deel eigen woning € 715

- In rekening gebracht[e] boete* € 199.000

- Deel eigen woning € 142.869

- Verschuldigd op swap t/m okt m.b.t. EW € 49.191

- Saldo t/m okt € 49.191 -/- € 24.164 € 25.028

- Verschuldigd op swap vanaf nov m.b.t. EW € 2.351

- Saldo vanaf nov € 2.351 -/- € 715 € 1.637

- Totaal € 194.413

- Het bedrag ad € 142.869 is niet meer in geschil.


- Belanghebbende is van mening dat de aftrekbare rente m.b.t. de EW € 51.544

(€ 24.164 + € 715 + € 25.028 + € 1.637) bedraagt.


- De inspecteur is van mening dat de aftrekbare rente m.b.t. de EW € 24.879

(€ 24.164 + € 715) bedraagt.


- Er is geen sprake van een dubbeltelling. Van de in totaal op de swap

verschuldigde bedragen wordt slechts het saldo in de berekening van het

aftrekbare bedrag betrokken.


- Belanghebbende en de inspecteur hebben onderliggende berekeningen van

bovenstaande opstelling bestudeerd. Over de berekening van bovenstaande

bedragen bestaat tussen partijen geen geschil.


*De inspecteur bestempelt dit als “premie”, belanghebbende als “boeterente”.


Zoals tijdens de zitting door beide partijen is verklaard, wordt ingestemd met het

doen van uitspraak zonder dat een nadere zitting zal plaatsvinden.”

3
3. Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of ter zake van de eigen woning van belanghebbende, naast de (variabele) rente + opslag die verschuldigd is uit hoofde van de (hypothecaire) eigenwoningschuld (onderdeel 3 uitspraak rechtbank), de kosten aftrekbaar zijn ad € 26.665 (= € 25.028 + € 1.637) die in 2009 voortvloeien uit de door belanghebbende met [naam bank] overeengekomen Interest Rate Swap (hierna: IRS; onderdeel 4 uitspraak rechtbank).

4
4. Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft het volgende overwogen:


“14. Artikel 3.110 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Belastbare inkomsten uit eigen woning zijn de voordelen uit eigen woning (…) verminderd met de op de voordelen uit eigen woning drukkende aftrekbare kosten.”

15. Ingevolge de artikelen 3.119a en 3.120 van de Wet IB 2001 zijn de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning het gezamenlijke bedrag van - voor zover hier van belang - renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die zijn aangegaan ter verwerving, verbetering of onderhoud van de eigen woning.

Artikel 3.123 van de Wet IB 2001 bepaalt dat schulden die zijn aangegaan tot verbetering of onderhoud van de eigen woning slechts in aanmerking worden genomen voor zover zij met schriftelijke bescheiden zijn te staven.

16. In geschil is of de swapovereenkomst een economisch zelfstandige overeenkomst is, dan wel dat deze in combinatie met de hypothecaire leningen als één geheel moet worden gezien. Het laatste brengt, naar tussen partijen ook niet in geschil is, mee dat de rentebetalingen uit hoofde van de swapovereenkomst als aftrekbare kosten in de zin van artikel 3.120 van de Wet IB 2001 kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat er tussen de swapovereenkomst en de hypothecaire leningen een zodanige samenhang bestaat, dat zij in economische zin als één geheel moeten worden beschouwd. De rechtbank acht daarbij van belang dat de swapovereenkomst en de hypothecaire leningen (nagenoeg) gelijktijdig zijn afgesloten, dat het nominale bedrag van de swapovereenkomst aanvankelijk gelijk was aan de bedragen van de hypothecaire leningen (€ 2.300.000) en dat het ook de bedoeling van beide contractspartijen – zowel van de [naam bank] als van eiseres – was om de hypothecaire leningen met een variabele rente middels het swapcontract om te zetten in leningen met een vaste rente. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank ook in de stelling van eiseres dat de [naam bank] aan niet-professionele klanten alleen een renteswap als de onderhavige verstrekt indien daaraan een lening is gekoppeld, zoals ook is weergegeven in de brief van de [naam bank] van 5 juni 2013 gericht aan de heer [B] . Verweerder heeft dit beleid van de [naam bank] onvoldoende weersproken.

Het enkele feit dat de renteswapovereenkomst (en bijbehorende documenten) en de hypothecaire leningen niet direct naar elkaar verwijzen doet aan het voorgaande, anders dan verweerder betoogt, niet af.

Dat de looptijd van beide overeenkomsten niet gelijk is – de hypothecaire leningen zijn afgesloten met een looptijd van 25 jaar en de renteswapovereenkomst met een looptijd van 10 jaar – kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Immers, ook bij een lening afgesloten voor 25 jaar is het mogelijk de rente voor een periode van 10 jaar vast te zetten.


Ook de omstandigheid dat een renteswapovereenkomst gedurende de looptijd van een lening afgesloten kan worden, maakt niet dat daarom sprake is van een losstaande overeenkomst, nu een afgesloten hypothecaire lening met een variabele rente eveneens gedurende de looptijd kan worden omgezet naar een lening met een vaste rente (en omgekeerd).
Tot slot doet ook het feit dat na verkoop van de woning [adres 1 A] een nieuwe renteswapovereenkomst is gesloten, waarbij het nominale bedrag is verminderd tot
€ 1.052.000, niet af aan de onderlinge verbondenheid, zoals verweerder heeft gesteld. Weliswaar komt het nominale bedrag van de renteswapovereenkomst vanaf 17 december 2009 niet meer overeen met het totaalbedrag van de hypotheekschuld op dat moment, maar dat maakt, gelet op het voorgaande nog niet dat de overeenkomsten in economische zin niet meer als één geheel moeten worden beschouwd. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting

bovendien onweersproken gesteld dat partijen destijds nog in de veronderstelling waren dat de eigenwoningschuld € 1.052.040 bedroeg en dat zij voor de omzetting van de variabele rente in vaste rente bij dit bedrag aansluiting hebben gezocht. Hieruit volgt veeleer de onderlinge verbondenheid van de overeenkomsten.

17. De onderhavige situatie dient derhalve economisch gezien gelijk gesteld te worden met de situatie waarbij een hypothecaire lening met een vaste rente is afgesloten, zodat de swaprente als rente ter zake van de eigen woning aftrekbaar is bij het belastbare inkomen uit werk en woning.

Bij dit oordeel van de rechtbank is tussen partijen niet in geschil dat alsdan een bedrag aan swaprente van € 26.665 op het belastbare inkomen uit werk en woning (box 1) in aftrek kan worden gebracht. Dit leidt tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 17.500 (€ 9.165 -/- € 26.665).

18. De rechtbank volgt verweerder voor zover hij (met een beroep op interne compensatie) het standpunt inneemt dat nu de swaprente wel tot aftrek in box 1 leidt, de waarde van de swapovereenkomst in zoverre niet tevens in box 3 in aanmerking moet worden genomen, zoals hij bij uitspraak op bezwaar heeft gedaan.

Naar tussen partijen niet in geschil is, dient het voordeel uit sparen en beleggen (voor persoonsgebonden aftrek) in dat geval te worden vastgesteld op € 110 (zoals volgt uit de bij het bezwaarschrift gevoegde herziene aangifte “primair”). De niet (in box 1) benutte persoonsgebonden aftrek bedraagt € 17.900. Na aftrek van de persoonsgebonden aftrek in box 3 resteert een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil en een restant persoonsgebonden aftrek van € 17.790.”

4.2.1.

Volgens de inspecteur heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat tussen de eigenwoningschuld en de IRS een zodanige samenhang bestaat dat zij in economische zin als één geheel moeten worden beschouwd, met als daaraan verbonden gevolg dat de kosten van de IRS als kosten van een eigenwoningschuld aftrekbaar zijn. De IRS is gesloten met het oogmerk een renterisico af te dekken. Deze overeenkomst fungeert niet ter financiering van de eigen woning. Uit de gedingstukken blijkt niet van enige ‘koppeling’ tussen de eigenwoningschuld en de IRS.

4.2.2.

Bovendien zijn de uit hoofde van de IRS verschuldigde kosten volgens de inspecteur geen kosten die rechtstreeks voortvloeien uit het opnemen, verlengen of aflossen van geldleningen als bedoeld in artikel 3.120, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). De inspecteur verwijst in dit verband naar het arrest HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2136, V-N 2016/47.8.

4.2.3.

Voorts betwist de inspecteur dat het niet mogelijk zou zijn geweest om ter financiering van de eigen woning een lening met een vaste rente te verkrijgen.

4.3.

Belanghebbende stelt dat bij haar in 2008 bij de herfinanciering van haar panden voorop stond daartoe een lening met een vaste rente aan te trekken. Volgens belanghebbende was het de wens van [naam bank] om daarvoor een financiering in de vorm van een lening met een variabele rente in combinatie met een IRS aanbieden. Volgens de bank werd daarmee tegemoetgekomen aan het uitgangspunt van belanghebbende, omdat de combinatie van de lening met variabele rente en de IRS economisch hetzelfde resultaat opleverde als een lening met een vaste rente.


Door belanghebbende en [naam bank] werden de eigenwoningschuld en de IRS als onlosmakelijk met elkaar verbonden beschouwd. Belanghebbende verwijst in dat verband naar de brief van [naam bank] van 5 juni 2013, alsmede naar de gang van zaken rond de gedeeltelijke aflossing van de eigenwoningschuld bij de verkoop van de (voormalige eigen) woning [adres 1 A] te Amsterdam eind 2009. Bij die gelegenheid was belanghebbende verplicht ook de IRS gedeeltelijk af te wikkelen, in verband waarmee
€ 199.000 aan [naam bank] moest worden betaald, waarvan € 142.869 toerekenbaar was aan de eigenwoningschuld. Belanghebbende verwijst in dit verband voorts naar de brief van drs. [naam medewerker] van 17 december 2013.

4.4.1.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank het juiste toetsingskader gehanteerd, door voor de vraag of de kosten die voor belanghebbende in 2009 voortvloeien uit de IRS (hierna ook: de IRS-kosten) aftrekbaar zijn, de artikelen 3.119a en 3.120 van de Wet voorop te stellen.

4.4.2.

Echter, door de IRS-kosten tot de kosten die zijn bedoeld in artikel 3.120, eerste lid, onderdeel a, van de Wet te rekenen, heeft de rechtbank aan de in die bepaling bedoelde kosten een te ruime uitleg gegeven. De IRS-kosten zijn op zichzelf immers geen renten van schulden, dan wel daaronder te begrijpen kosten van geldleningen; zij bestaan uit het saldo van een door [naam bank] aan belanghebbende verschuldigde variabele premie op basis van de variabele Euribor-rente (in 2009 € 24.879) en een door belanghebbende aan [naam bank] verschuldigde vaste premie op basis van een – naar het Hof begrijpt – per 1 juli 2008 geldende vaste rente van 4,67% (in 2009 € 51.542), berekend over een fictieve hoofdsom van € 2.300.000 vanaf 1 juli 2008 en van € 1.052.000 vanaf november 2009 (welke voor deze berekening slechts als rekengrootheid fungeert).
De IRS-kosten zijn overigens evenmin aan te merken als periodieke betalingen op grond van de rechten van erfpacht, opstal en beklemming tot de eigen woning als bedoeld in artikel 3.120, eerste lid, onderdeel b, van de Wet.

4.4.3.

Artikel 3:120, eerste lid, onderdeel a, van de Wet houdt in dat de in die bepaling bedoelde kosten in een voldoende rechtstreeks verband tot de eigenwoningschuld dienen te staan. Aan dat vereiste is naar ’s Hofs oordeel met betrekking tot de IRS-kosten niet voldaan, omdat – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – tussen de eigenwoningschuld en de IRS niet een zodanige samenhang bestaat dat zij als één geheel zouden moeten worden beschouwd. Het Hof stelt in dit verband voorop dat het op de weg van belanghebbende ligt om de gestelde samenhang aannemelijk te maken, nu de inspecteur gemotiveerd heeft betwist dat uit de tot de gedingstukken behorende overeenkomsten en uit de daarop betrekking hebbende stukken uit 2008 en 2009 zou volgen dat de eigenwoningschuld en de IRS voor de toepassing van artikel 3.120, eerste lid, van de Wet als één geheel zouden moeten worden beschouwd. Daar komt bij dat waar het gaat om overeenkomsten waarvan de financiële en fiscale gevolgen afhankelijk zijn van onzekere toekomstige factoren, redelijkerwijs van de belastingplichtige mag worden verwacht dat de samenhang waarop deze zich beroept van meet af aan voldoende duidelijk is vastgelegd.

4.4.4.

Naar het oordeel van het Hof is op grond van de stukken waarin de eigenwoningschuld en de IRS zijn aangeboden en vastgelegd niet, althans niet zonder meer aannemelijk te achten dat de wil van partijen bij het aangaan van de desbetreffende overeenkomsten – (aanvankelijk) in 2008 en (bij wijziging van de IRS) in 2009 – erop gericht was om de IRS te doen fungeren als een dekkingsinstrument (hedge) voor het renterisico dat voortvloeide uit

de eigenwoningschuld. Dit vindt bevestiging in de ‘Bijlage Verschaffing van Dekking’ en het daarop gebaseerde ‘Afgesproken Bedrag’ van € 469.000, aangezien het hier kennelijk een afzonderlijke vorm van zekerheid ten behoeve van de bank betreft, welke bij het ‘draaien’ van de ter zake van de eigenwoningschuld overeengekomen variabele rente in een vaste rente niet nodig lijkt te zijn.
4.4.5. Belanghebbende heeft de gestelde samenhang tussen de eigenwoningschuld en de IRS niet gebaseerd op stukken uit 2008 of 2009, maar op brieven van medewerkers van de [naam bank] van 5 juni 2013 en van 17 december 2013. Naar het oordeel van het Hof vormt het in de brief van 5 juni 2013 vermelde beleid van [naam bank] voor de aanwezigheid in 2008 en/of 2009 van een ‘rechtstreeks verband’ tussen de eigenwoningschuld en de IRS onvoldoende bewijs. Ook hetgeen omtrent die overeenkomsten in de brief van 17 december 2013 is vermeld, acht het Hof niet voldoende om een dergelijk verband aanwezig te achten. Daartoe acht het Hof hetgeen daarin omtrent de gang van zaken rond de gedeeltelijke aflossing van de eigenwoningschuld bij de verkoop van de woning [adres 1 A] te Amsterdam is vermeld, te indirect van belang voor de vraag wat ten tijde van het aangaan van de eigenwoningschuld en de IRS de wil van de daarbij betrokken partijen was.

4.5.

Het hiervoor overwogen leidt ertoe dat het Hof geen gronden ziet om de IRS-kosten op de voet van artikel 3.120, eerste lid, van de Wet als kosten met betrekking tot een eigen woning aftrekbaar te achten.

Slotsom
4.6. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof

het beroep ongegrond verklaren.

5
5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6
6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, en

- verklaart het beroep ongegrond.


De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen als griffier. De beslissing is op 10 januari 2017 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.