Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:173

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
23-001623-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vrijspraak artikel 6 Wegenverkeerswet. Het rijgedrag is naar het oordeel van het hof niet van dien aard dat geconcludeerd kan worden dat het roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend is geweest. Veroordeling artikel 5 WVW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001623-15

datum uitspraak: 25 januari 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 april 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15/713349-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1955,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 december 2016 en 11 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 31 augustus 2013 in de gemeente Schagen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Chrysler), daarmede rijdende over de weg, de Woudmeerweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de Speketersweg, een bord B7 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: Stop; verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg - en tevens op het wegdek een stopstreep was aangebracht geen gevolg te geven aan dat verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers heeft hij, verdachte geen en/of onvoldoende snelheid verminderd en/of is hij, verdachte (vervolgens) zonder te stoppen de kruising van die Woudmeerweg met de Speketersweg op of over gereden en/of heeft hij, verdachte, de bestuurster van een op die Speketersweg rijdende personenauto geen voorrang verleend en/of haar niet in staat gesteld ongehinderd haar weg te vervolgen, of immers is hij verdachte, vanuit stilstand met voor zijn auto (vrijwel) maximaal haalbare snelheid/versnelling en/of zo snel mogelijk accelererend, elk geval met hoge snelheid/versnelling vanaf de kruising Woudmeerweg/Speketersweg, die Speketersweg op of over gereden waarbij hij de bestuurster van de op die Speketersweg rijdende personenauto geen voorrang verleende, waarna een aanrijding is ontstaan tussen de door hem bestuurde personenauto en die op de Speketersweg rijdende personenauto, bestuurd door een vrouw, genaamd [slachtoffer] , waardoor zij zwaar lichamelijk letsel, te weten een gescheurd/gebroken borstbeen en/of diverse kneuzingen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair
hij op of omstreeks 31 augustus 2013 in de gemeente Schagen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Chrysler), daarmee rijdende op de weg, de Woudmeerweg, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de Speketersweg, een bord B7 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: Stop; verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg - en tevens op het wegdek een stopstreep was aangebracht geen gevolg te geven aan dat verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers heeft hij, verdachte geen en/of onvoldoende snelheid verminderd en/of is hij, verdachte (vervolgens) zonder te stoppen de kruising van die Woudmeerweg met de Speketersweg op of over gereden en/of heeft hij, verdachte, de bestuurster van een op die Speketersweg rijdende personenauto geen voorrang verleend en/of haar niet in staat gesteld ongehinderd haar weg te vervolgen, of immers is hij verdachte, vanuit stilstand met voor zijn auto (vrijwel) maximaal haalbare snelheid/versnelling en/of zo snel mogelijk accelererend, elk geval met hoge snelheid/versnelling vanaf de kruising Woudmeerweg/Speketersweg, die Speketersweg op of over gereden waarbij hij de bestuurster van de op die Speketersweg rijdende personenauto geen voorrang verleende waarna een aanrijding is ontstaan tussen de door hem bestuurde personenauto en die op de Speketersweg rijdende personenauto, bestuurd door een vrouw, genaamd [slachtoffer] , door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak primair tenlastegelegde

Het hof is – anders dan de advocaat-generaal – met de raadsvrouw van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd. Dat oordeel berust op het volgende.

In essentie wordt de verdachte verweten dat hij op 31 augustus 2013 in het verkeer roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend heeft gehandeld, doordat hij met zijn personenauto niet voor de kruising van de Woudmeerweg met de Speketersweg te Schagen is gestopt, dan wel dat hij vanuit stilstand met hoge snelheid deze kruising is opgereden, en ten onrechte heeft nagelaten aan de door het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) bestuurde personenauto voorrang te verlenen.

Uit het rapport van verkeersongevallendeskundige [naam 1] van 3 februari 2015 komt naar voren dat de eerder door de aan bureau VOA verbonden brigadiers [naam 2] en [naam 3] getrokken conclusie dat het, gelet op hun bevindingen, onwaarschijnlijk is dat de verdachte met zijn voertuig voor het kruisingsvlak van voorgenoemde wegen is gestopt, technisch gezien niet houdbaar is. In het verlengde daarvan geldt, aldus [naam 1], dat de lezing van de verdachte dat hij vanuit stilstand voor het kruispunt de kruising is opgereden en daarbij – ongeveer – voornoemde snelheid heeft bereikt, technisch gezien mogelijk is.

Mede op grond van dit rapport is het hof van oordeel dat niet worden uitgesloten dat de verdachte, zoals hij van meet af aan heeft verklaard, voor de kruising is gestopt voordat hij deze opreed. Het hof baseert dit oordeel voorts op hetgeen is waar te nemen op de foto’s van de situatie ter plaatse. Daaruit blijkt dat de kruising aan de, gezien de rijrichting van de verdachte, linkerzijde tamelijk onoverzichtelijk was en er daarom reden is te veronderstellen dat de verdachte met het oog op eventueel van links komend verkeer de kruising voorzichtig heeft benaderd. Het hof acht daarom niet bewezen dat de verdachte niet voor de kruising van de Woudmeerweg en de Speketersweg is gestopt. De verklaring van [slachtoffer] dat de verdachte niet is gestopt, acht het hof van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen.

De verdachte heeft verklaard dat hij voor de kruising is gestopt en vervolgens ‘vol gas’ is opgetrokken om de Speketersweg over te steken en uit het dossier blijkt dat de auto van de verdachte op het moment van de botsing een snelheid van ongeveer 33 kilometer per uur had. Niet is echter gebleken dat de wijze waarop de verdachte is opgetrokken in strafrechtelijk relevante zin van invloed is geweest op het ontstaan van het ongeval. Daarmee resteert als het aan de verdachte te maken verwijt dat hij het voertuig van [slachtoffer] niet heeft gezien, hoewel het wel zichtbaar voor hem moet zijn geweest, en hij haar om die reden geen voorrang heeft verleend. Dit rijgedrag is naar het oordeel van het hof niet van dien aard dat geconcludeerd kan worden dat het roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend is geweest.

Om die redenen is niet komen vast te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 31 augustus 2013 in de gemeente Schagen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Chrysler), daarmee rijdende op de weg, de Woudmeerweg, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de Speketersweg, een bord B7 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: stop; verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg - en tevens op het wegdek een stopstreep was aangebracht, de bestuurster van een op die Speketersweg rijdende personenauto geen voorrang verleend en haar niet in staat gesteld ongehinderd haar weg te vervolgen, waarna een aanrijding is ontstaan tussen de door hem bestuurde personenauto en die op de Speketersweg rijdende personenauto, bestuurd door een vrouw, genaamd [slachtoffer] , door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot 70 uur taakstraf, subsidiair 35 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot 70 uur taakstraf, subsidiair 35 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft op een kruispunt geen voorrang verleend aan een medeweggebruikster, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen zijn voertuig en dat van die medeweggebruikster. Door het ongeval heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zij kampt, blijkens haar verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, nog steeds met de lichamelijke en geestelijke consequenties van het ongeval. Zij heeft dagelijks last van haar nek en hoofdpijn, slikt medicatie ter pijnbestrijding en is voor haar werk grotendeels afgekeurd. Haar hobby kan zij nog maar in zeer beperkte mate beoefenen en daarnaast belemmeren de lichamelijke en geestelijke gevolgen van het ongeval haar in de zorg voor haar zoon.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 december 2016 is hij eerder voor strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld, maar die zijn van dusdanig andere aard dat het hof daarmee in de strafoplegging niet ten nadele van de verdachte rekening zal houden.

Het hof heeft acht geslagen op het feit dat de verdachte herstellende is van een recent uitgevoerde levertransplantatie. Maar de omstandigheid dat de behandelend arts van de verdachte, prof. dr. [naam 4] , bij e-mail van 12 december 2016 te kennen heeft gegeven van mening te zijn dat het ‘momenteel, zo vroeg na de transplantatie nog niet opportuun is’ de verdachte een taakstraf te laten verrichten, geeft het hof geen aanleiding af te zien van de oplegging daarvan, mede in aanmerking genomen dat het herstel van de verdachte – in de woorden van de arts – “zeer goed” verloopt. Ingevolge artikel 22c, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht bedraagt de termijn waarbinnen een taakstraf moet worden voltooid één jaar en kan deze termijn door het openbaar ministerie met eenzelfde termijn worden verlengd. Er is thans geen reden om aan te nemen dat de verdachte een taakstraf van na te noemen omvang niet binnen deze termijn(en) tot een goed einde zal kunnen brengen. Het hof gaat er bovendien van uit dat bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf rekening zal worden gehouden met de fysieke gesteldheid van de verdachte van dat moment.

Gelet op de ernst van het feit en – vooral – hetgeen daardoor teweeg is gebracht, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de door de advocaat-generaal gevorderde voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Het hof zal daarom die ontzegging in onvoorwaardelijke vorm opleggen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. A.M. van Woensel en mr. R.A.F. Gerding, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 januari 2017.