Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1721

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-05-2017
Datum publicatie
12-05-2017
Zaaknummer
200.200.363/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet van buschauffeur op de grond dat deze eerder verkochte vervoersbewijzen opnieuw verkocht. Hof leest petitum in hoger beroep (vernietiging en toewijzing vorderingen eerste aanleg) verbeterd als strekkend tot herstel van de arbeidsovereenkomst. Hof acht, anders dan kantonrechter, de verweten gedragingen niet bewezen. Hof wijst ook verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst af. Verzoek tot betaling van loon in die zin toegewezen dat werkgever wordt veroordeeld tot betaling van (een bedrag gelijk aan) loon. Geen grondslag voor wettelijke verhoging en wettelijke rente. Art. 7:683.3, 7:616, 682.6 7:683.4 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2469
AR-Updates.nl 2017-0610
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.200.363/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar: 4632556/AO VERZ 15-222

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 mei 2017

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. L. Bijl te Hoorn,

tegen

CONNEXXION OPENBAAR VERVOER N.V.,

gevestigd te Hilversum,

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.M. Hes te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Connexxion genoemd.

[appellant] is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op

4 oktober 2016, onder aanvoering van drieëntwintig grieven en aanbieding van bewijs in hoger beroep gekomen van de beschikkingen die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, (hierna: de kantonrechter) op 8 januari 2016 (verder ook: de tussenbeschikking) en 8 juli 2016 (verder ook: de eindbeschikking) onder bovengenoemd zaaknummer heeft gegeven. In het beroepschrift verzoekt [appellant] , kort gezegd, dat het hof genoemde beschikkingen zal vernietigen en de in eerste instantie door [appellant] gedane verzoeken alsnog zal toewijzen, met veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van Connexxion in de proceskosten in beide instanties.

Op 15 februari 2017 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van Connexxion ingekomen, inhoudende - samengevat weergegeven - het verzoek [appellant] in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoek af te wijzen, subsidiair de beschikkingen waarvan beroep te bekrachtigen dan wel in stand te laten en het verzoek van [appellant] af te wijzen, met veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van [appellant] in de proceskosten (naar het hof begrijpt) in hoger beroep.

Op 28 februari 2017 is van de zijde van [appellant] ingekomen een akte ‘wijziging verzoek principaal appel tevens verweerschrift in het (voorwaardelijk) incidenteel appel’.

Bij fax van 28 februari 2017 heeft Connexxion bezwaar gemaakt tegen de wijziging van het verzoek..

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. Bij die gelegenheid heeft namens [appellant] mr. Bijl voornoemd het woord gevoerd en namens Connexxion mr. Hes voornoemd en mr. B. Schouten, advocaat te Amsterdam. Daarbij heeft mr. Bijl zich bediend van aan het hof overgelegde aantekeningen. [appellant] is verschenen vergezeld van zijn echtgenote. Namens Connexxion waren aanwezig [A] (assistent rayonmanager personeel) en

[B] (rayonmanager Openbaar Vervoer Connexxion Noord-Holland). Partijen hebben inlichtingen verschaft.

Ter zitting heeft Connexxion een uitvergrote kleurenkopie van het vervoersbewijs van nader te noemen buitengewoon opsporingsambtenaar [C] overgelegd.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 Feiten

2.1.

De kantonrechter heeft in de bestreden tussenbeschikking onder 2.1 tot en met 2.13 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat het hof van de door de kantonrechter als vaststaand aangemerkte feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2.

[appellant] , geboren op [geboortedatum] , is sinds 4 november 1974 werkzaam bij Connexxion als buschauffeur. Het laatstelijk verdiende salaris van [appellant] bedroeg

€ 2.767,58 bruto per maand. [appellant] had daarnaast recht op een diplomatoeslag CCV-B van € 42,34, een gemiddelde ORT van € 305,15 en een gemiddeld GD van

€ 37,44 per maand, een eindejaarsuitkering van 1,15% over het bruto jaarloon en vakantietoeslag van 8% over het bruto jaarloon.

2.3.

Op 16 september 2015 heeft een passagier die regelmatig reist op de route van [appellant] , [D] , Connexxion geïnformeerd dat [appellant] meerdere malen het betaalde en afgestempelde bewijs niet aan haar heeft verstrekt. Desgevraagd heeft [D] bij e-mail van 29 oktober 2015 bevestigd dat het zes maanden daarvoor voor het eerst gebeurd was.

2.4.

In opdracht van Connexxion hebben twee medewerkers van de afdeling Service & Veiligheid, [E] (toezichthouder openbaar vervoer) en [C] (controleur openbaar vervoer tevens buitengewoon opsporingsambtenaar), op 28 september 2015 een onderzoek verricht naar de handelingen van [appellant] door als passagier op zijn bus mee te rijden.

2.5.

Over zijn bevindingen heeft [E] diezelfde dag onder meer het volgende schriftelijk verklaard:

“(…) Ik antwoordde daarop dat ik een kaartje wilde kopen. Ik zag toen dat de chauffeur een kaartje pakte en deze heel licht afgestempelde. Ik zag namelijk dat er nauwelijks een stempel afdruk op het kaartje was. Ik hoorde de chauffeur zeggen: ‘Mag ik het kaartje houden voor mijn kleinzoon? Hij vindt het leuk om buschauffeur te spelen.’ Ik vroeg de chauffeur of ik dan wel niet in de problemen kon komen. Ik hoorde de chauffeur zeggen: ‘Ga maar zitten.’ Ik zag toen dat de chauffeur het kaartje in een bakje aan de raam kant stopte. Ik heb toen plaatsgenomen rechts achter de chauffeur op de 3e rij. Enkele haltes later zag ik dat er een mevrouw rond de 40 jaar instappen. Ik hoorde de mevrouw om een kaartje vragen. Ik hoorde de chauffeur zeggen: “wil je een kaartje?” Ik zag toen dat de chauffeur een kaartje van zijn blokje pakken en deze vervolgens afstempelen. Ik hoorde aan het geluid van de stempel dat de chauffeur deze niet hard genoeg had ingedrukt. Ik hoorde toen de chauffeur zeggen: “Heb je het kaartje nog nodig…? Mag ik het kaartje houden voor mijn kleinzoon? Ik zag toen dat deze mevrouw het gekochte kaartje niet in ontvangst nemen.(…)

2.6.

[C] heeft over haar bevindingen diezelfde dag onder meer het volgende schriftelijk verklaard:

“(…) Ik vroeg toen om een kaartje. De chauffeur verkocht mij een kaartje van €4,20. Ik zag dat dit kaartje al eerder was afgescheurd. Ik zag namelijk dat de chauffeur het kaartje van onder zijn kaartenboekje pakte. Ik zag dat dit kaartje al eerder was afgestempeld. Ik zag namelijk dat er al een lichte stempel op het kaartje te zien was. Ik hoorde en zag dat de chauffeur het kaartje opnieuw 2 keer snel stempelde. Ik zag dat de chauffeur zijn stempel opzettelijk bewoog, ik zag dat de stempel daardoor moeilijk leesbaar was. Ik heb plaatsgenomen in de bus waar ik de chauffeur en de instappende passagiers goed kon zien. Ik ging namelijk op de 4e rij aan de rechterkant zitten aan de stoel naast het gangpad. Ik zag dat er na mij ook een jongeman in stapte. Ik hoorde de jongeman vragen voor een kaartje naar Den Oever. Ik zag dat de chauffeur een kaartje vanaf zijn kaartenboekje afscheurde en deze stempelen. Hierna zag ik dat de chauffeur het kaartje aan de jongeman overhandigde. De jongeman en ik zijn beide op de halte ‘Hoorn CS’ ingestapt en op de halte ‘Busstation Den Oever’ uitgestapt. Ik liep naar de jongeman toe en vroeg aan hem hoeveel hij voor het kaartje heeft betaald. De jongeman zei: “ik heb €6,00 betaald.” nadat ik had aangegeven dat ik maar €4,20 had betaald voor dezelfde rit hoorde ik de jongeman zeggen: ”Tja het verschilt per chauffeur. De ene keer betaal je € 3,50 dan € 4,00 zoveel en dan weer € 6,00.”(…)”

2.7.

Op 29 september 2015 heeft tussen [appellant] en [A] een gesprek plaatsgevonden, waarin [appellant] is voorgehouden dat hij afgestempelde vervoersbewijzen niet aan passagiers zou verstrekken. In een brief van diezelfde datum heeft Connexxion [appellant] verzocht om een schriftelijke toelichting hierover te geven, dit naar aanleiding van de op 16 september 2015 door Connexxion ontvangen informatie.

2.8.

Hierop heeft [appellant] in een schriftelijke verklaring van 29 september 2015 - samengevat weergegeven en voor zover van belang - laten weten dat hij door de drukte en de krappe reistijd in de ochtend spanning ervaart en dat dit hoofdpijn bij hem veroorzaakt wat mogelijk verklaart waarom hij niet goed heeft gestempeld, dat hij soms per ongeluk twee kaartjes afscheurt en het tweede kaartje tussen de andere kaartjes voegt, dat hij de kaartjes altijd afstempelt en dat hij wel eens aan passagiers vraagt of hij het kaartje na afloop van de rit mag hebben voor zijn kleinzoons om ‘buschauffeur te spelen’. [appellant] benadrukt dat hij in dit laatste geen kwaad heeft gezien en dat hij hiermee geen kwade bedoelingen heeft gehad. [appellant] concludeert dat hij dit achteraf gezien beter op een andere manier had kunnen aanpakken omdat het bij anderen wellicht een verkeerde indruk wekt en dat hij in de toekomst erop zal letten dat de kaartjes goed en duidelijk zijn afgestempeld.

2.9.

Connexxion heeft [appellant] diezelfde dag geschorst.

2.10.

Op 1 oktober 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] , [A] en

[F] (op dat moment plaatsvervangend rayonmanager). In dat gesprek is aan [appellant] meegedeeld dat Connexxion van mening is dat [appellant] afgestempelde en behouden vervoersbewijzen voor een tweede maal aan passagiers heeft verkocht.

Connexxion heeft [appellant] dezelfde dag op staande voet ontslagen.

2.11.

In de ontslagbrief van 1 oktober 2015 aan [appellant] is vermeld dat de dringende reden die aan het ontslag ten grondslag ligt, kort samengevat, is dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan het achterhouden van verkochte kaartjes en het vervolgens wederom verkopen van deze kaartjes aan andere passagiers. Connexxion deelt mee dat deze feiten afzonderlijk maar ook in samenhang bezien een dringende reden vormen voor het ontslag op staande voet.

3 Beoordeling

Verzoek [appellant] in hoger beroep

3.1.

Connexxion heeft zich in hoger beroep allereerst op het standpunt gesteld dat [appellant] in zijn verzoek tot vernietiging van de bestreden beschikkingen en daarmee vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst in hoger beroep niet-ontvankelijk is nu het hof uitsluitend tot herstel van de arbeidsovereenkomst of tot betaling van een billijke vergoeding kan overgaan indien het hof tot het oordeel zou komen dat de kantonrechter in eerste aanleg het verzoek van [appellant] tot vernietiging van de opzegging ten onrechte heeft afgewezen.

Daarnaast heeft Connexxion aangevoerd dat gelet op de twee-conclusie regel [appellant] zijn verzoek in hoger beroep niet later dan in het beroepschrift, althans voor indiening van het verweerschrift door Connexxion heeft kunnen veranderen of vermeerderen.

3.2.

Het hof oordeelt hierover als volgt. Weliswaar strookt het petitum in het beroepschrift, houdende het verzoek tot vernietiging van de bestreden beschikkingen en toewijzing van de verzoeken van [appellant] in eerste aanleg - strekkende tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst -, niet met hetgeen is bepaald in artikel 7:683 lid 3 BW, maar het petitum moet kennelijk zo worden begrepen dat het verzoek van [appellant] strekt tot het redresseren van de gevolgen van het gegeven ontslag in overeenstemming met vorenbedoeld wetsartikel. Redelijkerwijs moet dit voor Connexxion duidelijk zijn geweest. Het hof leest het petitum in het beroepschrift, tegen de achtergrond van het tot dan toe gevoerde debat tussen partijen, zo dat [appellant] in hoger beroep herstel van de arbeidsovereenkomst wenst. Ter zitting in hoger beroep heeft Connexxion verzocht om bij verwerping van haar standpunt op dit punt een tussenbeschikking te geven en daartegen beroep in cassatie open te stellen. Het hof ziet daartoe echter geen aanleiding. Het voorgaande brengt mee dat aan het debat tussen partijen met betrekking tot de wijziging van het verzoek van [appellant] niet wordt toegekomen.

Inhoudelijk

3.3.

[appellant] heeft in eerste aanleg - samengevat weergegeven - verzocht om:

a. de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Connexxion van 1 oktober 2015 te vernietigen;

b. Connexxion te gebieden om haar re-integratieverplichtingen na te komen binnen 24 uur na betekening van de te wijzen beschikking, op straffe van een dwangsom;

c. Connexxion te gebieden [appellant] na volledige hersteldmelding toe te laten tot zijn werkzaamheden behorende bij de functie van buschauffeur, op straffe van een dwangsom;

d. Connexxion te veroordelen tot betaling van het loon en de overige emolumenten vanaf 1 oktober 2015 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

e. Connexxion te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het loon en overige emolumenten zoals omschreven onder d, voor zover dit loon niet is voldaan uiterlijk de derde werkdag na afloop van iedere kalendermaand, tot een maximum van 50%;

f. Connexxion te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het loon en overige emolumenten en de wettelijke verhoging zoals omschreven onder d en e, voor zover dit loon en deze overige emolumenten en deze wettelijke verhoging niet worden voldaan op uiterlijk de laatste dag van iedere kalendermaand respectievelijk de laatste werkdag na afloop van iedere kalendermaand;

g. Connexxion te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van

€ 1.863,-;

h. Connexxion te veroordelen in de proceskosten, alsmede de nakosten,

alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.

Connexxion heeft verweer gevoerd en primair geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [appellant] . Voor het geval het verzoek tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen toegewezen zou worden, verzoekt Connexxion subsidiair ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van Connexxion in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsverhouding te laten voortduren (de zogenoemde e-grond), dan wel wegens een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van Connexxion in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (de zogenoemde g-grond), met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.5.

Bij de bestreden tussenbeschikking heeft de kantonrechter - kort gezegd - geoordeeld dat Connexxion heeft voldaan aan het onverwijldheidsvereiste bij een ontslag op staande voet, dat op Connexxion de stelplicht en de bewijslast rusten van de feiten en gebeurtenissen die aan [appellant] worden verweten en dat hetgeen Connexxion heeft overgelegd ter ondersteuning van haar standpunt dat [appellant] reeds afgestempelde vervoersbewijzen opnieuw heeft verkocht nog niet voldoende is om het bewijs geleverd te achten. De kantonrechter heeft Connexxion ambtshalve opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [appellant] reeds afgestempelde vervoersbewijzen opnieuw heeft verkocht.

3.6.

Bij de bestreden eindbeschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat Connexxion in haar bewijslevering is geslaagd nu de juistheid van haar stellingen met een redelijke mate van zekerheid is vastgesteld. De kantonrechter heeft het verzoek van [appellant] tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst en de daarmee verband houdende verzoeken afgewezen en [appellant] veroordeeld in de betaling van de proceskosten.

3.7.

Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met drieëntwintig grieven op.

3.8.

Het hof ziet aanleiding om eerst de grieven 4 tot en met 17 (gezamenlijk) te behandelen. Deze grieven richten zich in de kern tegen het oordeel van de kantonrechter dat Connexxion erin is geslaagd bewijs te leveren van haar standpunt dat [appellant] reeds afgestempelde vervoersbewijzen opnieuw heeft verkocht.

3.9.

[appellant] heeft aangevoerd dat Connexxion na de tussenbeschikking geen enkel nieuw bewijs naar voren heeft gebracht. De schriftelijke verklaring van 28 september 2015 van [C] waarin zij verklaart een stempelafdruk op het door [appellant] aan haar verstrekte vervoersbewijs te hebben waargenomen is zelfs afgezwakt door haar op

1 april 2016 onder ede afgelegde verklaring dat er sprake was van een ‘verdonkering van de kleur’ en dat het vervoersbewijs ‘al een beetje viezig was’. Dit laatste kan - achteraf redenerend - ook komen doordat [appellant] stempelinkt op zijn vinger heeft gehad of doordat het vervoersbewijs op de grond was gevallen. Tijdens het verhoor van [C] als getuige heeft de kantonrechter meegedeeld dat hij uit de getoonde kleurenkopie van het door [appellant] aan [C] verstrekte vervoersbewijs niet een derde stempelafdruk kan afleiden. Onbegrijpelijk is dan ook dat de kantonrechter vervolgens bewezen heeft geacht dat [appellant] twee stempels heeft gezet op het aan [C] verkochte en verstrekte vervoersbewijs waarop al een lichte stempelafdruk stond. [appellant] zet om verschillende redenen vraagtekens bij de waarnemingen, de expertise en de opsporingsbevoegdheid van [C] . Verder komt de kantonrechter in de eindbeschikking met betrekking tot wat op de camerabeelden van 16 september 2015 al dan niet is waar te nemen zonder nadere motivering terug van hetgeen hij hierover in de tussenbeschikking heeft overwogen. Bovendien blijven relevante gedragingen uit het zicht van de camerabeelden en ontbreken er cruciale camerabeelden. Zo is op de beelden niet waar te nemen dat [appellant] vervoersbewijzen licht afstempelt en is uit de beelden niet af te leiden hoe vaak [appellant] vervoersbewijzen van passagiers terugvraagt, zijn er geen camerabeelden van de relevante tijdstippen op 16 september 2015 waaruit had kunnen worden afgeleid wat [appellant] met de abusievelijk dubbel afgescheurde en/of reeds afgestempelde vervoersbewijzen heeft gedaan en ten slotte zijn er geen camerabeelden van 28 september 2015, de dag waarop [E] en [C] hun onderzoek hebben verricht. Aldus kunnen de overgelegde camerabeelden geen serieuze verdenking op [appellant] laden. Te meer nu [appellant] voor het terugvragen van afgestempelde vervoersbewijzen en voor het bewaren en verkopen van losse vervoersbewijzen uit het kaartenboekje een gemotiveerde verklaring heeft gegeven. [appellant] heeft afgestempelde en teruggevraagde vervoersbewijzen die door zijn kleinzoons zijn gebruikt bij ‘het buschauffeur spelen’ overgelegd alsook verschillende verklaringen van familieleden die deze verklaring van [appellant] bevestigen. [appellant] benadrukt dat hij niet gedurende maanden kaartjes van passagiers heeft teruggevraagd. Het gaat om enkele keren en vanaf de vakantieperiode, dus vanaf ongeveer juli 2015. Verder blijkt uit de verschillende verklaringen van (ex-)collega’s van [appellant] dat het regelmatig voorkomt dat abusievelijk een dubbel kaartje wordt afgescheurd dan wel dat een kaartje te licht wordt afgestempeld. Met betrekking tot dit laatste is van belang dat [appellant] in die periode beperkingen had aan zijn rechterschouder en -arm. Verder heeft de kantonrechter een onjuiste conclusie verbonden aan de omstandigheid dat door [C] en door een andere passagier voor dezelfde route kennelijk een verschillend bedrag is betaald in samenhang met het gesloten systeem van de kaartverkoop. Ten slotte betwist [appellant] met klem dat hij vervoersbewijzen na betaling ook zonder te stempelen behield; hij stempelde vervoersbewijzen altijd.

3.10.

Het oordeel van de kantonrechter dat op Connexxion de bewijslast rust van haar stelling dat [appellant] afgestempelde vervoersbewijzen opnieuw heeft verkocht, is juist.

Op dit punt heeft [appellant] de stellingen van Connexxion voldoende gemotiveerd betwist. Er bestond en bestaat geen grond om het door Connexxion te leveren bewijs voorshands bewezen te achten, behoudens door [appellant] te leveren tegenbewijs. Hiermee verwerpt het hof het andersluidende betoog van Connexxion.

3.11.

Connexxion heeft ter ondersteuning van haar stellingen camerabeelden van

16 september 2015, de verklaringen van [E] en [C] , een kleurenkopie van het vervoersbewijs van [C] en een overzicht van de kaartopbrengsten van [appellant] en collega-chauffeurs vanaf 1 januari 2015 overgelegd.

3.12.

Partijen zijn het erover eens dat op de camerabeelden van 16 september 2015 niet is te zien dat [appellant] reeds afgestempelde vervoersbewijzen opnieuw verkoopt.

Op deze beelden is naar het oordeel van het hof wel waar te nemen dat [appellant] verschillende malen reeds afgestempelde vervoersbewijzen van passagiers terugvraagt en vervolgens terugkrijgt, dat uit het kaartenboekje van [appellant] losse vervoersbewijzen steken, dat [appellant] soms een loszittend vervoersbewijs van het kaartenboekje pakt en dat [appellant] soms een vervoersbewijs twee maal achter elkaar stempelt. Het door Connexxion overgelegde beeldmateriaal behelst in totaal ongeveer twintig minuten aan camerabeelden van 16 september 2015. Dit betekent dat een groot gedeelte van de (relevante) camerabeelden van die dag (de shift van [appellant] begon die dag om 6:30 uur en eindigde om 13:12 uur) ontbreekt en hierdoor bijvoorbeeld niet is vast te stellen waar de losse kaartjes op het kaartenboekje vandaan komen. In elk geval kan uit de overgelegde beelden niet worden opgemaakt dat [appellant] teruggevraagde kaartjes tussen de overige vervoersbewijzen op het kaartenboekje steekt. Op de door Connexxion ter zitting in hoger beroep overgelegde uitvergrote kleurenkopie van het vervoersbewijs van [C] is naar het oordeel van het hof niet onomstotelijk een derde stempel waar te nemen naast de twee stempels die [appellant] in aanwezigheid van [C] heeft gezet. De onder ede door [C] afgelegde verklaring dat zij op het stempelvlak van het kaartje al een verdonkering van kleur zag die leek op een stempelafdruk en dat het kaartje al een beetje viezig was, is onvoldoende om met voldoende zekerheid te kunnen vaststellen dat op het door [appellant] aan [C] verkochte vervoersbewijs reeds een stempelafdruk stond. Aan deze onder ede door [C] afgelegde verklaring dient meer waarde te worden gehecht dan aan de schriftelijke verklaring van [C] , waarin staat dat [C] zag dat er al een lichte stempel op het kaartje te zien was. Dit bewijsmiddel in samenhang met de verklaringen van [C] is daarmee onvoldoende overtuigend. In dit verband merkt het hof op dat, hoewel dit niet door Connexxion is aangevoerd, het prijsverschil tussen de kaartjes van [C] en die van de andere passagier (€ 4,20 respectievelijk € 6,00) voor de bewijswaardering niet van belang is reeds omdat in de schriftelijke verklaring van [C] staat dat de andere passagier (ook) tegen [C] heeft gezegd dat de prijzen per chauffeur verschillen en dat ‘je de ene keer € 3,50 dan € 4,00 zoveel en dan weer

€ 6,00 betaalt’. Het oordeel van de kantonrechter dat de enige logische verklaring voor het prijsverschil tussen het vervoersbewijs van [C] en dat van de andere passagier is dat het vanwege het gesloten systeem van de kaartverkoop niet uitmaakt welke prijs voor een gestempeld en verkocht vervoersbewijs bij een tweede verkoop wordt betaald, deelt het hof daarom niet. Voor zover ervan uit kan worden gegaan dat [appellant] vervoersbewijzen licht heeft afgestempeld, kan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat dit met opzet gebeurde met het oog op een volgende verkoop van vervoersbewijzen. In de schriftelijke verklaring van [E] staat dat hij heeft waargenomen dat [appellant] een kaartje licht afstempelde, dat kaartje van de passagier terugvroeg met de reden dat het voor zijn kleinzoon was om buschauffeur ermee te spelen en dat [appellant] dat kaartje vervolgens in een bakje aan de raamkant stopte. Deze verklaring strookt in verband met het laatste eerder met de lezing van [appellant] . Uit de door [appellant] overgelegde verklaringen van (ex-)collega’s en familieleden kan genoegzaam worden opgemaakt dat het in de praktijk vaker voorkomt dat kaartjes abusievelijk door een buschauffeur worden afgescheurd en dat [appellant] verkochte en teruggevraagde kaartjes gebruikte om thuis met zijn kleinzoon(s) ‘buschauffeur te spelen’. Deze omstandigheden acht het hof op zichzelf beschouwd niet direct verdacht. Niet is komen vast te staan dat [appellant] gedurende langere tijd en zeer frequent vervoersbewijzen van passagiers heeft teruggevraagd. Om over de frequentie een conclusie te trekken op basis van camerabeelden van een dag, waarbij een groot gedeelte van de beelden van die dag ontbreken, is te vergaand. De verklaring van passagier [D] dat het zes maanden daarvoor voor het eerst gebeurd is, hetgeen door [appellant] overigens wordt betwist, zegt niets over de totale hoeveelheid kaartjes die [appellant] heeft teruggevraagd. Ten slotte kan uit het door Connexxion overgelegde overzicht van de kaartopbrengsten, nu relevante gegevens ontbreken, evenmin overtuigend worden afgeleid dat [appellant] vervoersbewijzen dubbel heeft verkocht.

Aldus komt het hof - anders dan de kantonrechter - tot het oordeel dat de juistheid van de stellingen van Connexxion niet met een redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld, zodat Connexxion niet in haar bewijslevering is geslaagd. Het hof ziet geen aanleiding om het bewijsaanbod van Connexxion tot het doen horen van [C] als getuige te honoreren, nu niet is gesteld of gebleken dat [C] in hoger beroep meer of anders zal verklaren dan zij reeds heeft gedaan. De relevantie om de andere aangedragen personen, [A] en [B] , als getuigen te doen horen ontbreekt op dit punt.

Het voorgaande brengt mee dat de grieven 4 tot en met 17 in zoverre slagen.

3.13.

Nu Connexxion naar het oordeel van het hof niet erin is geslaagd bewijs te leveren van het standpunt dat [appellant] reeds afgestempelde vervoersbewijzen opnieuw heeft verkocht, is de grondslag voor de door Connexxion aan het ontslag ten grondslag gelegde reden komen te vervallen. Ter zitting in hoger beroep heeft Connexxion immers verklaard dat de dringende reden niet ook afzonderlijk ziet op het achterhouden/terugvragen door [appellant] van verkochte kaartjes.

Dit betekent dat het aan [appellant] op 1 oktober 2015 gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.

3.14.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeven de grieven 1 tot en met 3 geen bespreking.

Hetzelfde geldt voor de grieven 18 tot en met 22. Ten slotte mist grief 23 zelfstandige betekenis.

3.15.

Connexxion heeft in eerste aanleg voor het geval dat zou worden geoordeeld dat Connexxion de arbeidsovereenkomst met [appellant] ten onrechte wegens een dringende reden met onmiddellijke ingang heeft opgezegd, verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen of nalaten van [appellant] , zodanig dat van Connexxion in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (de zogenoemde e-grond) dan wel wegens een verstoorde arbeidsverhouding (de zogenoemde g-grond), zodanig dat van Connexxion in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Deze verzoeken liggen thans aan het hof ter beoordeling voor.

Verwijtbaar handelen of nalaten

3.16.

Connexxion heeft aangevoerd dat het [appellant] verweten kan worden dat hij:

1) vervoersbewijzen direct na verkoop/verstrekking aan passagiers van hen terugvraagt;

2) de desbetreffende vervoersbewijzen in de stapel nieuwe vervoersbewijzen opbergt;

3) de al eerder afgestempelde vervoersbewijzen opnieuw blijkt te verkopen;

4) de desbetreffende vervoersbewijzen opzettelijk twee keer licht lijkt af te stempelen, waarbij hij de stempel beweegt;

5) bij een nieuw aan een passagier afgegeven vervoersbewijs het desbetreffende vervoersbewijs (opzettelijk) licht lijkt af te stempelen;

6) zijn beweerde arbeidsongeschiktheid, althans een medisch gebrek voor Connexxion heeft verzwegen.

3.17.

Connexxion stelt zich op het standpunt dat deze gedragingen, afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien, kunnen worden gekwalificeerd als verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van artikel 7:669 lid 3 aanhef en sub e BW.

3.18.

Gelet op hetgeen het hof hiervoor in rechtsoverweging 3.12 en 3.13 heeft overwogen, treffen de genoemde verwijten onder 2, 3 en 4 geen doel.

Het enkel terugvragen aan passagiers van verkochte vervoersbewijzen (verwijt 1) is, hoewel onjuist, niet zodanig ernstig dat het een beroep op de e-grond rechtvaardigt. Hetzelfde geldt voor de gestelde omstandigheid dat [appellant] een nieuw aan een passagier afgegeven vervoersbewijs licht lijkt af te stempelen (verwijt onder 5). Dat dit met opzet is gedaan, is niet komen vast te staan. Nu niet is gesteld of gebleken dat het doorwerken van [appellant] ondanks zijn gestelde arbeidsongeschiktheid of medische gebreken tot klachten over gevaarlijk rijgedrag heeft geleid en evenmin naar voren is gekomen dat [appellant] onnodige risico’s heeft genomen, kan ook op dit punt van verwijtbaar handelen als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en sub e BW niet worden gesproken. Dit betekent dat het verzoek van Connexxion om de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en haar op deze grond te ontbinden dient te worden afgewezen.

Verstoorde arbeidsverhouding

3.19.

Connexxion is van oordeel dat, gelet op al hetgeen inmiddels is voorgevallen en al de vraagtekens die zij heeft bij de professionaliteit en de handelwijze van [appellant] , er sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding. Gelet op de aard en de ernst van de verwijten die Connexxion [appellant] maakt, is volgens Connexxion evident dat herplaatsing elders binnen de organisatie niet van haar kan worden gevergd en ligt herplaatsing ook niet in de rede. Overigens zijn er geen andere passende functies voorhanden.

3.20.

Zoals het hof reeds heeft overwogen, is geen enkel door Connexxion aan [appellant] gemaakt verwijt gegrond bevonden. Connexxion heeft geen andere gronden aangevoerd waaruit kan worden opgemaakt dat de arbeidsverhouding tussen partijen zodanig verstoord is dat van Connexxion in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat deze procedure is gevoerd, is daartoe onvoldoende en bovendien is dit een gevolg van het door Connexxion (niet rechtsgeldig) gegeven ontslag op staande voet.

3.21.

Nu het verzoek van Connexxion om ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet toewijsbaar is en het hof tot de conclusie is gekomen dat Connexxion [appellant] niet rechtsgeldig op staande voet heeft ontslagen, zal het hof het verzoek van [appellant] Connexxion te veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen partijen toewijzen en bepalen dat dit met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2015 dient te geschieden.

3.22.

Het verzochte gebod tot nakoming van de re-integratieverplichtingen is niet toewijsbaar. Er bestaat onvoldoende grond aan te nemen dat Connexxion zich niet zal houden aan zodanige verplichtingen.

3.23.

Het hof zal het verzochte gebod [appellant] na hersteldmelding toe te laten tot zijn werkzaamheden toewijzen, met dien verstande dat de dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.

3.24.

Zoals overwogen, zal het hof Connexxion veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2015. Eerst nadat de arbeidsovereenkomst zal zijn hersteld, heeft [appellant] op de voet van artikel 7:616 BW aanspraak op loon. Dit betekent dat het verzoek van [appellant] tot betaling van loon (en emolumenten) thans niet toewijsbaar is. Het hof zal het dictum echter zo formuleren dat Connexxion - voor zover van toepassing bij wege van voorziening als bedoeld in artikel 7:682 lid 6 in verbinding met artikel 7:683 lid 4 BW - wordt veroordeeld tot betaling van (een bedrag gelijk aan) loon (en emolumenten), zoals in het door [appellant] geformuleerde petitum besloten ligt.

3.25.

[appellant] heeft voorts betaling van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente verzocht. Nu Connexxion (een bedrag gelijk aan) loon (en emolumenten) eerst verschuldigd is met ingang van de datum van deze beschikking, bestaat daarvoor thans geen grondslag.

3.26.

De verzochte vergoeding wegens buitengerechtelijke werkzaamheden is niet toewijsbaar omdat uit de gegeven toelichting niet volgt dat het werkzaamheden betreft waarvoor niet een vergoeding besloten ligt in de proceskostenvergoeding.

3.27.

Het hof zal Connexxion als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten in beide instanties.

4 Beslissing

Het hof:

veroordeelt Connexxion tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen partijen met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2015;

gebiedt Connexxion [appellant] na volledig hersteldmelding toe te laten tot zijn werkzaamheden behorende bij de functie van buschauffeur, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat zij in gebreke blijft aan dit gebod te voldoen, met een maximum van € 10.000,-;

veroordeelt Connexxion tot betaling van (een bedrag gelijk aan) het loon en de overige emolumenten vanaf 1 oktober 2015 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst na herstel rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

vernietigt de eindbeschikking voor zover [appellant] in de proceskosten van Connexxion is veroordeeld en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Connexxion in de kosten van het geding in beide instanties en begroot deze kosten, voor zover tot heden aan de zijde van [appellant] gevallen, in eerste aanleg op € 78,- aan verschotten en € 500,- voor salaris en in hoger beroep op € 314,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst hetgeen meer of anders is verzocht af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.F. Thiessen, C.M. Aarts en I.A. Haanappel-van der Burg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2017.