Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1694

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2017
Datum publicatie
09-05-2017
Zaaknummer
200.161.419/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof wijst de schadevergoedingsvorderingen van twee voormalig hoogleraren tegen accountant PwC af. De hoogleraren waren werkzaam bij de Afdeling Psychiatrie van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam (AZR), thans het Erasmus Medisch Centrum. Het AZR heeft de dienstverbanden in 2003 en 2006 beëindigd. Volgens de hoogleraren hebben zij als gevolg van het opstellen van de rapporten door PwC, schade geleden. Als gevolg van het uitbrengen van de door PwC opgestelde rapporten is namelijk de verhouding met de stafleden geëscaleerd, wat heeft geleid tot diverse procedures en uiteindelijk tot beëindiging van het dienstverband. Het hof verwerpt de betogen van de hoogleraren en is van oordeel dat van enig verband tussen de door PwC opgestelde rapporten en de vermeende schade in het geheel niet is gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.161.419/02

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/545125/HA ZA 13-730

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 mei 2017

inzake

1) [appellant sub 1],

wonend te [woonplaats 1] ,

2) [appellant sub 2],

wonend te [woonplaats 2] ,

appellanten,

advocaat: mr. A.C de Die te Amsterdam,

tegen

1) PRICEWATERHOUSECOOPERS N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2) [geïntimeerde sub 2],

wonend te [woonplaats 3] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. J.W. van Rijswijk te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna gezamenlijk [appellanten] genoemd en ieder afzonderlijk [appellant sub 1] en [appellant sub 2] . Geïntimeerden worden hierna PwC c.s. genoemd en ieder afzonderlijk PwC en [geïntimeerde sub 2] .

[appellanten] is bij dagvaarding van 25 augustus 2014 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2014, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eiser en PwC c.s. als gedaagde.

Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 maart 2015 is [appellanten] , bij gebreke van grieven, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

[appellanten] heeft bij dagvaarding van 30 april 2015 beroep in cassatie ingesteld van het arrest van het gerechtshof Amsterdam.

Bij arrest van 8 april 2016 heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd en het geding terugverwezen naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

[appellanten] heeft bij dagvaarding na verwijzing van 26 april 2016 de zaak aanhangig gemaakt bij het gerechtshof Amsterdam.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord;

- akte houdende bewijsaanbod door getuigenverhoor; en

- antwoordakte.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 16 januari 2017 doen bepleiten, [appellanten] door mr. A.C. de Die voornoemd en PwC c.s. door mr. J.W. van Rijswijk voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog PwC c.s. zal veroordelen tot schadevergoeding, met veroordeling van PwC c.s. in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.

PwC c.s. heeft geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep met rente.

[appellanten] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.13 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellanten] verzoekt in grief I de feiten aan te vullen. Voor zover [appellanten] daarmee beoogt te klagen over de onvolledigheid van de door de rechtbank vastgestelde feiten, gaat het hof aan die klachten voorbij omdat de rechter niet verplicht is alle tussen partijen vaststaande feiten vast te stellen. De feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] waren sinds 1983 respectievelijk 1985 werkzaam voor de Afdeling Psychiatrie van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam, thans het Erasmus Medisch Centrum. Per 1 januari 1990 zijn [appellant sub 1] en [appellant sub 2] met elkaar een maatschap Psychiatrie aangegaan.

2.2

[appellant sub 1] , [appellant sub 2] en de andere leden van de medische staf genoten uit hoofde van hun ambtelijke aanstelling bij het AZR inkomsten. Daarnaast ontvingen zij inkomsten uit de opbrengsten van de behandeling van particulier verzekerde patiënten.

2.3

In de loop van de tijd is er bij de medische staf onvrede ontstaan over de verdeling van de gelden en over het gebrek aan transparantie omtrent de criteria die golden bij de verdeling van deze gelden. Naar aanleiding van deze kritiek heeft [appellanten] een voorstel gedaan voor de verdeling, welk voorstel is vervat in een concept “Interne richtlijn voor afdrachten en toekenningen privépraktijk Psychiatrie AZR” van 11 december 1997, later gewijzigd in een versie gedateerd 1 december 1998. Over de conceptrichtlijn is nooit overeenstemming bereikt.

2.4

Bij brief van 15 juli 1999 heeft de Raad van Bestuur van het AZR aan PwC c.s. verzocht om, in verband met het conflict tussen [appellanten] en de medische staf over de transparantie van de inkomsten en bestedingen uit het honorariumfonds en de particuliere praktijk, een onafhankelijk accountantsverslag te maken.

2.5

Op 11 januari 2000 heeft PwC c.s. een rapport uitgebracht.

2.6

Bij brief van 31 januari 2000 wordt door de medische staf het vertrouwen in [appellant sub 1] als afdelingshoofd en Hoogleraar Psychiatrie opgezegd. De brief houdt, voor zover van belang in:

‘(…)Bovenstaande moeilijke beslissing hebben wij na rijp beraad genomen op grond van de volgende punten:

1. Uw disfunctioneren als hoofd van de afdeling.

2. De wijze waarop U bent omgegaan met het steeds verder escalerende conflict tussen U en Prof. [appellant sub 2] enerzijds en de medische staf anderzijds. Dit conflict kwam voor het eerst duidelijk naar voren toen wij U, nu ruim twee jaar geleden, verzochten om openheid betreffende de financiën van de privé-praktijk.

3. De feitelijke verdeling van de inkomsten van de privé-praktijk over de afgelopen jaren zoals deze gebleken is uit het betreffende accountantsrapport d.d. 11 januari 2000.

Ad 1. De grote problemen die wij ervaren met uw managementstijl staan in grote lijnen reeds beschreven in ons schrijven betreffende de vertrouwenscrisis op de afdeling psychiatrie dat wij op 11 februari 1999 overhandigd hebben aan Drs. [A] , Lid a.i. van de Raad van Bestuur van het AZR en waarvan U een kopie ontving. Voor de goede orde voegen wij een kopie van dit schrijven als bijlage aan deze brief toe. Deze bijlage vormt een geïntegreerd onderdeel van deze brief.

Gedurende het afgelopen jaar hebben wij helaas een verdere toename van deze problemen moeten constateren. Zeer recent bleek uw disfunctioneren ook weer uit het door U gevoerde beleid binnen en buiten de afdeling ten aanzien van het reorganisatieplan van de Raad van Bestuur van het AZR neergelegd in de nota “ Beter Besturen” en de daarmee samenhangende aanstaande clusterformatie binnen ons ziekenhuis. Tot een constructieve dialoog over deze problemen heeft het nooit kunnen komen omdat U stelselmatig ontkende dat er iets aan uw manier van leidinggeven zou kunnen mankeren. (…)’

2.7

In een brief van 15 februari 2000 van de Raad van Bestuur aan, onder meer, de afdelingshoofden, stafdirecties en de ondernemingsraad staat het volgende:

‘De medische staf van de afdeling Psychiatrie heeft recent het vertrouwen opgezegd in het hoofd van de afdeling, prof. dr. [appellant sub 1] en in het plv. afdelingshoofd en chef de clinique van een der verpleegunits, prof. dr. [appellant sub 2] . Het conflict heeft een lange voorgeschiedenis. In het voorjaar 1999 heeft de medische staf daarvoor nadrukkelijk de aandacht van de Raad van Bestuur en Decaan gevraagd.

De Raad van Bestuur heeft getracht via meerdere interventies de oplossing van het conflict te faciliteren. Tot dusverre evenwel zonder resultaat. Inmiddels heeft het conflict zich verbreed binnen de afdeling en is er sprake van onwerkbare situaties voor stafleden en andere leidinggevenden. Onder deze omstandigheden vindt de Raad van Bestuur dat de continuïteit van de patiëntenzorg in gevaar komt en heeft daarom besloten tot een aantal maatregelen:

1. De beide hoogleraren leggen hun leidinggevende taken op de afdeling neer voor een termijn van 6 maanden. Dit in het belang van de afdeling en teneinde mede daardoor oplossingen voor het conflict te kunnen ontwikkelen gedurende die termijn;

2. De heer [B] zal als interim-manager in deze periode de taken van het

afdelingshoofd op zich nemen. De medisch inhoudelijke taken worden door daartoe aangewezen stafleden vervuld. In overleg met de Decaan FGG zullen voor deze periode interim-oplossingen worden gevonden voor taken, die aan faculteitszijde liggen, maar overlap hebben met de afdeling. (…)’

2.8

In een aanvullend rapport van 25 februari 2000 wordt door PwC c.s. een interpretatie van de cijfers over de periode 1990 tot en met 1998 gegeven:

2.9

In een brief van 5 juni 2000 van [appellanten] aan de decaan wordt ingegaan op het gerezen conflict tussen de medische staf en [appellanten] . In de brief staat, voor zover van belang, het volgende:

‘Met grote bezorgdheid vragen wij Uw aandacht voor het volgende.

Zoals U bekend is, heeft de Raad van Bestuur van het AZR in december 1999 een interim-manager (dr. [B] ) aangetrokken met de primaire opdracht om de “effectieve samenwerkingsverhoudingen binnen de afdeling psychiatrie te herstellen”.

Nadat vervolgens eind januari 2000 de medische staf van de afdeling psychiatrie te kennen had gegeven niet langer met de beide hoogleraren te willen samenwerken, heeft de Raad van Bestuur besloten de interimmanager per 14 februari 2000 voor een periode van 6 maanden te belasten met de verantwoordelijkheid voor de leiding van de afdeling. De hoogleraren werd dringend verzocht zich gedurende deze als “time-out”

aangeduide periode uitsluitend met facultaire aangelegenheden bezig te houden. Een verzoek dat echter het karakter van een gedwongen verwijdering kreeg en resulteerde in een ernstige beknotting, ook van niet primaire ziekenhuisgebonden taken.

Intussen zou onder leiding en op initiatief van de interim-manager actief gewerkt worden aan het eerder genoemde herstel van de interne samenwerking binnen de afdeling. Inmiddels zijn bijna 4 maanden verstreken zonder enig merkbaar resultaat. Ondanks ons herhaald verzoek daartoe zijn er geen gesprekken met de gehele staf of met afzonderlijke stafleden gerealiseerd en worden de hoogleraren niet betrokken bij enige organisatorische aangelegenheden en niet of onvolledig geïnformeerd over beleidszaken.

Van een “beoogde” terugkeer van de hoogleraren is uitgaande van het handelen van de interim-manager niets op te merken, integendeel. Ook van allerhande beleidszaken, die na augustus 2000 relevant zijn, worden wij onkundig gehouden. Wij kunnen dan ook niet anders concluderen dan dat onze gezamenlijke terugkeer in het

AZR niet daadwerkelijk wordt nagestreefd.

Dit laatste blijkt eens te meer nu onlangs Prof. Dr. [C] , die met onze instemming door de Raad van Bestuur als intermediair was aangezocht, heeft laten weten dat de medische staf bemiddeling afwijst en geen herstel van samenwerking wenst.(…)’

2.10

Bij brief van 29 juni 2000 heeft de Raad van Bestuur aan [appellant sub 1] bericht dat een terugkeer als afdelingshoofd op de afdeling Psychiatrie niet meer mogelijk is en gekeken zal worden naar de vervolgstappen. De brief houdt, voor zover van belang, het volgende in:

‘1. Sinds het voorjaar 1999 heb ik als portefeuillehouder in de Raad van Bestuur

achtereenvolgens vier maal initiatief genomen om aan de vertrouwenscrisis tussen

u en de medische staf een einde te helpen maken. Noch de heer [D] als procesbegeleider, de inschakeling van een accountant om de honorariumkwestie te

objectiveren, de inschakeling van de heer [B] als toegevoegde manager, noch

de interventie van emiritus prof. [C] hebben ertoe geleid dat de samenwerking

tussen u en de medische staf kon worden vlotgetrokken. Bij herhaling heb ik u

uitgenodigd om ook zelf initiatieven te nemen die tot een oplossing konden bij

dragen. U heb ervoor gekozen een passieve houding aan te nemen en erin gepersisteerd dat de oorzaak en de blokkade geheel aan de zijde van uw medische staf moet worden gezocht.

2. Ik deel de conclusie van prof. [C] dat de honorariumregeling met de medische staf

geen schoonheidsprijs verdient, maar ook, gelet op het (marginale) oordeel van het

Bestuur Stichting Centrale Inning destijds, dat dit op zichzelf niet tot het opzeggen

van het vertrouwen van de medische staf had hoeven leiden. Ik voeg daaraan toe

dat de honorariumkwestie geen zaak is die de Raad van Bestuur direct regardeert,

maar acht het feit dat het accountantsoordeel hierover niet tot enig overleg tussen

partijen heeft geleid wel leerzaam. Prof. [C] concludeert voorts dat er sprake is

van een blijvend onwerkbare situatie en dat bij terugkeer van het afdelingshoofd de

medische staf voor driekwart of meer het AZR zal verlaten. Ik deel zijn bevindingen.

3. Gelet op uw verantwoordelijkheid als afdelingshoofd voor met name de medische

staf gedurende 15 jaar en de verantwoordelijkheid van de Raad van Bestuur voor de

waarborging van de patiëntenzorg, is mijn conclusie dat uw terugkeer op de afdeling

niet mogelijk is en de Raad van Bestuur uw aanblijven als afdelingshoofd niet

mogelijk acht.(…)’

2.11

SCI heeft bij brief van 5 oktober 2000 aan de Raad van Bestuur van het Erasmus

Medisch Centrum Rotterdam het volgende bericht:

‘Het dagelijks bestuur is tot de volgende conclusie gekomen.

De door de beide hoogleraren gevolgde systematiek voor de verdeling van de particuliere praktijk wordt onredelijk geacht. De verdeling heeft er toe geleid dat beide hoogleraren een te groot aandeel hebben gekregen ten koste van de stafleden.

(…).

Met betrekking tot de financiële rapportages is het dagelijks bestuur van oordeel, dat ze niet echt helder zijn. De rapportage van 25 februari 2000 bevat ook enige onjuistheden (rekenfouten).’

2.12

Bij brief van 6 februari 2001 heeft de (voorzitter van de) Raad van Bestuur aan [appellant sub 1] medegedeeld de honoraire aanstelling van [appellant sub 1] als hoofd van de afdeling Psychiatrie van het AZR te willen beëindigen. De brief houdt, voor zover van belang, in:

‘(…)Mijn inzet is er vanaf het begin op gericht geweest om een voor alle partijen acceptabele oplossing te vinden, Helaas moet ik concluderen dat dit niet haalbaar is gebleken, waarbij ik moet aantekenen dat met name uw opstelling daarin een doorslaggevende factor is geweest.

(…).

De belangrijkste overweging die aan dit voorgenomen besluit ten grondslag ligt is dat de Raad van Bestuur er ten diepste van overtuigd is geraakt dat de verhoudingen tussen u als hoofd en de medische staf van de afdeling dusdanig zijn verstoord dat u uw leidinggevende functie niet meer kunt uitoefenen.(…)’

2.13

Bij dagvaarding van 3 augustus 2001 heeft de medische staf [appellanten] in rechte betrokken en gevorderd [appellanten] te veroordelen tot betaling van een bedrag van

€ 541.400 zijnde het bedrag dat de medische staf als gevolg van een onredelijke systematiek te weinig heeft ontvangen uit de particuliere praktijk van de maatschap Psychiatrie van het AZR. Ter onderbouwing van de stellingen heeft de medische staf de brief van SCI van 5 oktober 2000 en de rapporten van 11 januari 2000 en 25 februari 2000 van PwC c.s. ingebracht.

2.14

Bij tussenvonnis van 8 oktober 2003 heeft de rechtbank Rotterdam in genoemde procedure als volgt (voorlopig) geoordeeld:

‘5.6 Gedaagden hebben eerst op 11 december 1997 een concept richtlijn voor de

verdeling ontworpen. Nadat eisers aanvankelijk op 16 december 1997 kennelijk

mede in verband met een conflict met gedaagden over andere onderwerpen,

geweigerd hadden deze concept richtlijn met gedaagden te bespreken, hebben

eisers (…) daarna bij brieven van 22 december 1997 en 15 december 1998 aan gedaagden (…) verzocht de inkomsten van en uitgaven uit de specialistenpost en de verdeling daarvan te bespreken. Gedaagden zijn hier niet op ingegaan. Eisers hadden een groot belang bij een billijke regeling, te weten enerzijds ten behoeve van de juiste

vaststelling van het hun toekomende deel van de inkomsten uit de particuliere

praktijk en anderzijds ten behoeve van de correcte vaststelling van het

referteïnkomen. Zulks in aanmerking genomen en gezien ook de (…)

maatschappelijke opvattingen dienaangaande, hebben gedaagden door niet in te gaan op de verzoeken van eisers tot overleg over de verdeling van de inkomsten uit de particuliere praktijk en zodoende de totstandkoming van een kenbare en billijke regeling te blokkeren, in strijd gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en aldus onrechtmatig gehandeld ten opzichte van eisers.

5.7

Ook moet voorshands worden aangenomen, gezien de (…) brief van de SCI d.d. .5 oktober 2000 (…) dat door gedaagden voor de verdeling van de inkomsten uit de particuliere praktijk een onredelijke systematiek is gehanteerd; (…). Een dergelijke handelwijze was eveneens onrechtmatig jegens eisers. (…).

(…).

5.11

De rechtbank begrijpt dat eisers menen dat zij schade hebben geleden (…). Eisers hebben deze bedragen niet voldoende onderbouwd; voorzover deze bedragen zijn af te leiden uit de rapportage van PriceWaterhouseCoopers en andere overgelegde stukken, is een en ander de rechtbank niet zonder meer duidelijk. Bovendien hebben beide partijen bezwaren tegen dit rapport, zij het op verschillende gronden, zodat dit rapport geen doorslaggevend bewijs oplevert.

5.12

Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank inlichtingen behoeft over de

volgende vragen:

- is door gedaagden - uitgaande van de concept richtlijn (van 11 december 1997, Hof) - voor de verdeling van de inkomsten uit de particuliere praktijk in de jaren 1992 tot en met 1999 een onredelijke systematiek gehanteerd?

- heeft dit er toe geleid dat gedaagden een te groot aandeel in die inkomsten

hebben gekregen ten koste van eisers?

- welke bedragen zijn eisers aldus tekort gekomen?

De rechtbank heeft vervolgens een onafhankelijk deskundige benoemd. De deskundige heeft tot tweemaal toe aangegeven niet in staat te zijn de aan hem voorgelegde vragen te beantwoorden.

2.15

De aanstelling van [appellant sub 1] is eind 2003 geëindigd.

2.16

Bij brief van 18 februari 2005 heeft [appellanten] , via zijn advocaat, PwC aansprakelijk gesteld voor de door PwC opgestelde rapportages van 11 januari 2000 en 25 februari 2000.

2.17.

Het dienstverband met [appellant sub 2] is in 2006 beëindigd.

2.18

Bij eindvonnis van 13 mei 2009 heeft de rechtbank het volgende overwogen:

‘2.5 (…) De rechtbank is van oordeel dat zij voldoende is voorgelicht en acht zich in staat om uitgaande van de objectieve gegevens welke in de conceptrapporten van de deskundige staan vermeld tot een eindoordeel te komen (…).’

2.19

Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 2 november 2010, in hoger beroep, de vonnissen van de rechtbank Rotterdam vernietigd en de vordering van de medische staf afgewezen. Het hof overweegt:

‘3.5 (…). Met name kan niet worden geoordeeld dat de verdeling onrechtmatig was omdat [appellanten] daarbij de maatstaven van de Richtlijn niet hebben gehanteerd. De Richtlijn is (pas) eind 1997 opgesteld en maakt geen deel uit van enige tussen partijen gesloten overeenkomst. De Richtlijn is door [appellanten] opgesteld maar is door [X] c.s.niet aanvaard. De normen van deze Richtlijn kunnen niet, al helemaal niet met terugwerkende kracht tot 1992, gelden als gedragsregels waarvan niet-naleving een onrechtmatige daad oplevert. (…).

3.11

Ten slotte acht het hof ook onjuist het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] , door niet in te gaan op de verzoeken van [X] c.s. tot overleg over de verdeling van de inkomsten uit de particuliere praktijk en zodoende de totstandkoming van een kenbare en billijke regeling te blokkeren, in strijd hebben gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. (…).’

3 Beoordeling

3.1

[appellanten] heeft in eerste aanleg gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven, PwC c.s. hoofdelijke te veroordelen tot betaling van

€ 700.312, te vermeerderen met rente en kosten. [appellanten] stelt daartoe dat PwC c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door onjuiste rapporten op te stellen en die onjuiste rapporten niet in te trekken dan wel te corrigeren na daartoe te zijn verzocht door [appellanten] . Als gevolg van het uitbrengen van de rapporten is de verhouding met de stafleden geëscaleerd, wat heeft geleid tot diverse procedures en uiteindelijk tot beëindiging van het dienstverband van [appellanten] Door voornoemde handelwijze heeft [appellanten] schade geleden welke schade PwC c.s. dient te vergoeden.

3.2

De rechtbank heeft overwogen dat, mede gelet op het doel waarvoor de rapporten van 11 januari 2000 en 25 februari 2000 zijn geschreven en de ernst van de aan de rapporten klevende gebreken, het enkele opstellen daarvan jegens [appellanten] geen onrechtmatige daad oplevert en ook dat het causaal verband tussen de aan PWC c.s. verweten gedraging en de gestelde schade ontbreekt (r.o 4.2 en 4.4). Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellanten] met elf grieven op.

Klachtplicht

3.3

Het hof zal het beroep van PwC c.s. op de klachtplicht van artikel 6:89 BW onbesproken laten omdat – zoals hierna zal blijken – hij geen belang heeft bij een oordeel over de vraag of de vordering van [appellanten] (ook) strandt op het niet in acht nemen van de klachtplicht.

Causaal verband

3.4

Het hof ziet aanleiding om eerst de grieven IV, V, VI, VII, VIII en IX te bespreken. In de grieven worden klachten geuit tegen het oordeel van de rechtbank dat er causaal verband ontbreekt tussen de verweten gedraging van PwC c.s. en de gestelde schade. In de kern betoogt [appellanten] dat de oorzaak van de gestelde schade primair is gelegen in het uitbrengen van de onjuiste en onzorgvuldig door PwC c.s. opgestelde rapporten van 11 januari 2000 en 25 februari 2000. Als rechtstreeks gevolg daarvan is de keten van schadeveroorzakende gebeurtenissen in gang gezet. Deze keten had doorbroken kunnen worden als de rapporten, op het moment dat daartoe aanleiding was geweest, in mei 2005 of in 2007, waren ingetrokken. De keten van gebeurtenissen bestond uit het volgende: het eerste rapport van 11 januari 2000 bevestigde het standpunt van de medische staf en leidde tot opzegging van de samenwerking. Het tweede rapport van 25 februari 2000 bevatte de basis voor het oordeel van SCI dat sprake was van een onredelijke verdeling van de gelden, welk rapport op zijn beurt leidde tot een versteviging van het standpunt en de rechtsvordering van de medische staf in de door de staf ingezette gerechtelijke procedure. Direct daarop heeft de Raad van Bestuur van het AZR besloten dat [appellanten] uit zijn functie zou worden ontheven. Een verband tussen de voor [appellanten] schadelijke gevolgen en de rapporten is onmiskenbaar, aldus nog steeds [appellanten] Het hof overweegt als volgt.

Conflict met de medische staf

3.5

Naar het oordeel van het hof staat, indachtig de inhoud van de hiervoor geciteerde brieven van 31 januari 2000, 15 februari 2000, 5 oktober 2000 en 6 februari 2000, het volgende vast. Het conflict tussen de medische staf en [appellanten] heeft een lange voorgeschiedenis gehad die in de jaren ’90 haar oorsprong had. Dit heeft in 1999, nadat in het voorjaar van 1999 de medische staf daar nadrukkelijk de aandacht van de Raad van Bestuur en Decaan voor had gevraagd, ertoe geleid dat vanuit de Raad van Bestuur vier maal het initiatief is genomen om de vertrouwenscrisis tussen [appellanten] en de medische staf te beëindigen. De vertrouwenscrisis heeft in januari 2000 ertoe geleid dat door de medische staf het vertrouwen is opgezegd in [appellanten] . Met uitzondering van de brief van 15 februari 2000 wordt in geen van de brieven, ook niet in de brieven die hebben geleid tot de tijdelijke schorsing van [appellanten] uit zijn functie en het voornemen om [appellant sub 1] definitief uit zijn functie te ontheven, gerept over de conclusie van ISC inzake de verdeling van de gelden en/of de rapporten van PwC c.s.

3.6

Integendeel, in het conflict zijn als rode draad een tweetal terugkerende factoren te ontwaren die enerzijds zien op de manier van leidinggeven door [appellant sub 1] en anderzijds zien op de houding die [appellant sub 1] innam in de pogingen van de Raad van Bestuur om de samenwerking te herstellen. Zo is in [appellant sub 1] het vertrouwen opgezegd op grond van zijn disfunctioneren als hoofd van de afdeling. Uit de brieven volgt dat de medische staf grote problemen ervoer met de managementstijl en met het gevoerde beleid van [appellant sub 1] . Tot een constructieve dialoog over deze problemen is het echter nooit gekomen, omdat [appellant sub 1] stelselmatig ontkende dat aan zijn manier van leidinggeven iets zou mankeren. Nadat het conflict zich had verbreed heeft dit geleid tot een onwerkbare situatie voor de medische staf waarbij ook de continuïteit van de patiëntenzorg in gevaar kwam. Dit heeft vervolgens geleid tot een tijdelijke schorsing uit de functie van [appellanten] met benoeming tot een interim-manager. Een interventie van prof. [C] heeft niet geleid tot een herstel van de samenwerking. Bij herhaling is [appellant sub 1] uitgenodigd om zelf initiatieven te nemen die aan een oplossing bij konden dragen. [appellant sub 1] heeft, blijkens de brieven, er echter voor gekozen een passieve houding aan te nemen en heeft erin gepersisteerd dat de oorzaak van het conflict geheel aan de zijde van de medische staf moest worden gezocht. Een acceptabele oplossing bleek niet te vinden, waarbij de Raad van Bestuur heeft moeten concluderen dat met name de opstelling van [appellant sub 1] daarin een doorslaggevende factor is geweest. De belangrijkste overweging die aan het voorgenomen besluit tot beëindiging van het dienstverband met [appellant sub 1] ten grondslag heeft gelegen was dan ook dat de verhoudingen tussen [appellant sub 1] en de medische staf van de afdeling dusdanig waren verstoord dat [appellant sub 1] zijn leidinggevende functie niet meer zou kunnen uitoefenen.

Procedure medische staf vs. [appellanten]

3.7

Voor zover [appellanten] betoogt dat de rapporten van PwC c.s. hebben bijgedragen aan de bij de rechtbank Rotterdam gerezen verdenking van financiële onregelmatigheden door [appellanten] , de rapporten weliswaar niet als doorslaggevend bewijs hebben gediend, maar wel een doorslaggevende betekenis hebben gehad voor het oordeel van de rechtbank en het verdere verloop van procedure, overweegt het hof als volgt.

3.8

Vaststaat dat de rapporten van PwC c.s. door de medische staf zijn gebruikt ter onderbouwing van de stellingen in de tussen de medische staf en [appellanten] gevoerde procedure bij de rechtbank Rotterdam. In tegenstelling tot wat [appellanten] stelt is het door de rechtbank Rotterdam (voorshands) gegeven oordeel, in het tussenvonnis van 8 oktober 2003, dat onrechtmatig zou zijn gehandeld door [appellanten] echter in het geheel niet gegrond op genoemde rapporten, maar op de weigering van [appellanten] om over te gaan tot overleg met de medische staf over een kenbare en billijke verdeling van de inkomsten uit de particuliere praktijk en op het hanteren van een onredelijke systematiek inzake de verdeling van de inkomsten wat zou volgen uit de brief van de SCI van 5 oktober 2000 (zie r.o 5.6 en 5.7). De rapporten hebben ook in het vervolg van de procedure geen rol gespeeld. In genoemd tussenvonnis hanteert de rechtbank immers de door [appellanten] opgestelde conceptrichtlijn van 11 december 1997 om de deskundige de vraag te laten beantwoorden of een onredelijke systematiek is gehanteerd en, zo ja, met welke bedragen dit gemoeid is geweest (zie r.o. 5.11) en in het eindvonnis baseert de rechtbank Rotterdam het eindoordeel op de conceptrapporten van die deskundige (zie r.o. 2.50). Het gerechtshof Den Haag vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam bovendien op geheel andere gronden dan die zien op de rapporten van PwC c.s. In het arrest wordt ten eerste overwogen dat de normen uit de conceptrichtlijn niet kunnen gelden als gedragsregels waarvan niet-naleving een onrechtmatige daad oplevert en voorts dat weigering om tot overleg over de verdeling van de inkomsten over te gaan in strijd zou zijn met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (zie r.o 3.5 en 3.11).

3.9

Uit vorengaande volgt dat elk causaal verband tussen de aan PwC c.s. verweten gedragingen en de door [appellanten] gestelde schade ontbreekt.

Intrekken en/of corrigeren van de PwC-rapporten in 2005

3.10

In het licht van bovenstaande overwegingen is het hof van oordeel dat de gestelde intrekking en/of correctie van de rapporten door PwC c.s., na daartoe door [appellanten] te zijn verzocht in 2005 of 2007, ook niets hadden kunnen afdoen of hadden toegevoegd aan het oordeel van de Raad van Bestuur inzake de ontslagprocedures en de oordelen van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag, nu deze rapporten in genoemde procedures geen rol van betekenis hebben gespeeld. Het bewijsaanbod om [E] als getuige te horen over wat met PwC c.s. is besproken op 30 mei 2005 ter zake de PwC-rapporten zal dan ook als niet ter zake dienend worden gepasseerd, omdat het aangeboden bewijs niet kan leiden tot een andere beslissing in deze zaak. Van belang in dit verband is voorts dat [appellant sub 2] ter comparitie in eerste aanleg heeft verklaard dat intrekking van de rapporten in 2005 beëindiging van zijn dienstverband ook niet had kunnen voorkomen. Voor zover [appellanten] tevens betoogt dat de brief van [F] van 22 mei 2000 aan de Raad van Bestuur aanleiding had moeten zijn voor PwC c.s. om de rapporten in te trekken, faalt dit nu door [appellanten] , na de gemotiveerde betwisting door PwC, in het geheel niet met concrete feiten en omstandigheden wordt onderbouwd dat PwC genoemde brief heeft ontvangen.

3.11

De slotsom is dat de grieven I en IV tot en met IX falen en dat de overige grieven, bij gebreke van enig belang geen bespreking meer behoeven.

3.12

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellanten] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van PwC c.s. begroot op € 5.114 aan verschotten en € 11.685 voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordeling, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Jurgens, A.L.M. Keirse en J.F. Aalders en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2017.