Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1682

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-05-2017
Datum publicatie
04-05-2017
Zaaknummer
200.204.502/01 GDW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TGDKG:2016:139
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De klacht valt in de volgende onderdelen uiteen.

i. De gerechtsdeurwaarders hebben de voor klager geldende beslagvrije voet niet juist gehanteerd.

Klager heeft verschillende malen aan de gerechtsdeurwaarders te kennen gegeven dat in de jaren 2014 en 2015 zijn netto maandinkomen onder de voor hem geldende beslagvrije voet lag en het vakantiegeld 2014 en het vakantiegeld 2015 om die reden aan hem toekwam.

ii. Na opheffing van het derdenbeslag ten behoeve van de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders en daarop de sluiting van het dossier van klager hebben de gerechtsdeurwaarders ten onrechte het van het UWV ontvangen vakantiegeld van klager niet aan het UWV teruggestort, maar aan collega-gerechtsdeurwaarders doorbetaald.

iii. Op de vragen en verzoeken van klager met betrekking tot de vakantiegelden hebben de gerechtsdeurwaarders laten weten dat klager niet moest zeuren en hebben zij ermee gedreigd het dossier met de vordering waarvoor finale kwijting was verleend te heropenen en opnieuw tot beslaglegging over te gaan.

iv. Ondanks verzoeken van klager hebben de gerechtsdeurwaarders hem geen inzage gegeven in de verdeling van de doorbetaalde ingehouden gelden uit het ten laste van klager gelegde derdenbeslag.

De kamer heeft de klacht gegrond verklaard en aan de gerechtsdeurwaarders ieder de maatregel van een geldboete van € 500,- opgelegd.

Het hof komt met betrekking tot de klachtonderdelen i. deels) en ii. tot een andere beslissing dan de kamer. Deze klachtonderdelen worden gegrond verklaard. Aan de gerechtsdeurwaarders elk wordt de maatregel van berisping opgelegd.

Wetsverwijzingen
Gerechtsdeurwaarderswet 45, geldigheid: 2016-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.204.502/01 GDW

nummer eerste aanleg : 487.2016

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 2 mei 2017

inzake

1. [naam] ,

2. [naam] ,

gerechtsdeurwaarders te [plaats] ,

appellanten,

gemachtigde: [naam] , toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,

tegen

[naam] ,

wonend te Den [plaats] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.C.M. van Bladel, advocaat te Den Bosch.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellanten (hierna afzonderlijk: gerechtsdeurwaarder 1 en gerechtsdeurwaarder 2 en tezamen: de gerechtsdeurwaarders) hebben op 28 november 2016 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 18 oktober 2016 (ECLI:NL:TGDKG:2016:139). De kamer heeft in de bestreden beslissing het verzet van geïntimeerde (hierna: klager) tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 19 april 2016, waarbij de klacht van klager tegen de gerechtsdeurwaarders kennelijk ongegrond is verklaard, gegrond verklaard en de beslissing van de voorzitter van de kamer vernietigd. De kamer heeft de klacht van klager alsnog gegrond verklaard en aan de gerechtsdeurwaarders ieder de maatregel van een geldboete van € 500,- opgelegd.

1.2.

Van de zijde van klager is op 22 december 2016 een verweerschrift met bijlagen ontvangen.

1.3.

Op 7 februari 2017 zijn van de zijde van de gerechtsdeurwaarders nadere stukken ontvangen.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 16 februari 2017. De gemachtigde van klager heeft bij fax van 15 februari 2017 laten weten niet op de zitting aanwezig te zullen zijn. Klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota, met aangehechte bijlagen.

1.5.

Bij fax van 20 februari 2017 heeft de gemachtigde van klager bezwaar gemaakt tegen overlegging van de aan de pleitnota van de gerechtsdeurwaarders gehechte bijlagen.
Hierop heeft het hof bij brief van 21 februari 2017 aan partijen bericht dat deze stukken, gelet op het bezwaar van klager en gezien het bepaalde in het van toepassing zijnde procesreglement dat nadere (bewijs)stukken tot tien dagen voorafgaand aan de zitting dienen te worden ingediend, buiten beschouwing worden gelaten en uit het dossier zullen worden verwijderd.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Samengevat weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Op 10 september 2008 is door het gerechtsdeurwaarderskantoor als tweede beslaglegger ten laste van klager derdenbeslag onder het UWV gelegd op de WAO-uitkering van klager. Dit beslag is aangemeld bij de eerste beslaglegger.

3.2.2.

Vervolgens zijn door andere gerechtsdeurwaarders nog drie derdenbeslagen op de uitkering gelegd. Nadat het beslag van de eerste beslaglegger was opgeheven, hebben de gerechtsdeurwaarders vanaf september 2013 als nieuwe eerste beslaglegger zorggedragen voor verdeling van de onder het derdenbeslag vallende gelden.

3.2.3.

Op 19 mei 2015 is het ten behoeve van de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders gelegde derdenbeslag opgeheven, nadat aan klager finale kwijting was verleend. Op 23 mei 2015 hebben de gerechtsdeurwaarders een bedrag van € 540,78 aan vakantiegeld van klager van het UWV ontvangen.

3.2.4.

Daarna is tussen klager en een medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor per

e-mail gecorrespondeerd. Hierbij heeft klager zich op het standpunt gesteld, met verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3068), dat de voor klager geldende beslagvrije voet onjuist was gehanteerd door de gerechtsdeurwaarders en dat een juiste toepassing ervan meebracht dat de vakantiegelden van 2014 en 2015 aan klager toekwamen.

3.2.5.

Het vakantiegeld van 2015 is in juli 2015 door de gerechtsdeurwaarders onder de overige beslagleggers verdeeld.

4 Standpunt van klager

De klacht van klager valt in de volgende onderdelen uiteen.

i. De gerechtsdeurwaarders hebben de voor klager geldende beslagvrije voet niet juist gehanteerd.

Klager heeft verschillende malen aan de gerechtsdeurwaarders te kennen gegeven dat in de jaren 2014 en 2015 zijn netto maandinkomen (€ 960,-) onder de voor hem geldende beslagvrije voet (€ 1.166,-) lag en het vakantiegeld 2014 van € 522,- en het vakantiegeld 2015 van

€ 540,78 om die reden aan hem toekwam.

ii. Na opheffing van het derdenbeslag ten behoeve van de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders en daarop de sluiting van het dossier van klager op 19 mei 2015 hebben de gerechtsdeurwaarders ten onrechte het op 23 mei 2015 van het UWV ontvangen vakantiegeld van klager niet aan het UWV teruggestort, maar aan collega-gerechtsdeurwaarders doorbetaald.

iii. Op de vragen en verzoeken van klager met betrekking tot de vakantiegelden hebben de gerechtsdeurwaarders laten weten dat klager niet moest zeuren en hebben zij ermee gedreigd het dossier met de vordering waarvoor finale kwijting was verleend te heropenen en opnieuw tot beslaglegging over te gaan.

iv. Ondanks verzoeken van klager hebben de gerechtsdeurwaarders hem geen inzage gegeven in de verdeling van de doorbetaalde ingehouden gelden uit het ten laste van klager gelegde derdenbeslag.

5 Standpunt van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarders hebben verweer gevoerd. Hun standpunt wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

Formeel

Ontvankelijkheid

6.1.

Klager heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de gerechtsdeurwaarders het hoger beroep niet binnen de daarvoor gegeven termijn van dertig dagen hebben ingediend en daarom in het hoger beroep niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

6.2.

De gerechtsdeurwaarders hebben de beslissing van de kamer van 18 oktober 2016 ontvangen als bijlage bij een brief van de secretaris van de kamer van 27 oktober 2016.

Nu de gerechtsdeurwaarders ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) binnen dertig dagen na dagtekening van voornoemde brief in hoger beroep konden komen, eindigde de beroepstermijn op zaterdag 26 november 2016. Met inachtneming van artikel 1 lid 1 van de Algemene termijnenwet, waarin wordt bepaald dat een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is, eindigde de beroepstermijn op maandag 28 november 2016. Nu het beroepschrift van de gerechtsdeurwaarders op die datum ter griffie van het hof is ontvangen, is het beroepschrift tijdig ingediend. Dit leidt ertoe dat de gerechtsdeurwaarders in hun hoger beroep kunnen worden ontvangen.

Verantwoordelijke gerechtsdeurwaarder

6.3.

Het hof stelt het volgende voorop. Het tuchtrecht heeft tot doel in het algemeen belang een goede wijze van beroepsbeoefening te bevorderen door toe te zien op het optreden van de individuele gerechtsdeurwaarder. Op grond van het bepaalde in artikel 34, eerste lid, en artikel 49 Gdw zijn slechts gerechtsdeurwaarders, waarnemend gerechtsdeurwaarders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders aan tuchtrechtspraak onderworpen. Een gerechtsdeurwaarderskantoor als zodanig kan daarom niet worden aangemerkt als beklaagde. Een gerechtsdeurwaarder kan worden aangesproken voor zijn eigen handelen of nalaten, maar ook voor dat van anderen voor wie hij de verantwoordelijkheid draagt.

6.4.

Klager heeft zijn klacht gericht tegen het gerechtsdeurwaarderskantoor en de medewerker die in zijn dossier werkzaamheden heeft verricht.

6.5.

Omdat uit de stukken niet kon worden opgemaakt wie verantwoordelijk was voor het dossier van klager en het handelen van de desbetreffende medewerker, heeft de kamer terecht de gerechtsdeurwaarders alle aan het gerechtsdeurwaarderskantoor verbonden gerechtsdeurwaarders in deze tuchtprocedure als beklaagden aangemerkt.

6.6.

Nu de gerechtsdeurwaarders in hoger beroep, onweersproken door klager, hebben aangevoerd dat gerechtsdeurwaarder 1 de beslissing heeft genomen om het vakantiegeld onder de overige beslagleggers te verdelen, zal het hof uitsluitend gerechtsdeurwaarder 1 wat klachtonderdeel ii. betreft als verantwoordelijke gerechtsdeurwaarder en dus als beklaagde aanmerken. Voor de klachtonderdelen i., iii. en iv. zullen de gerechtsdeurwaarders beiden als beklaagde worden aangemerkt.

Inhoudelijk

Klachtonderdeel i.

6.7.1.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 31 oktober 2014 duidelijkheid gegeven over de vraag hoe om te gaan met de berekening van de beslagvrije voet bij jaarlijks uitgekeerd vakantiegeld. Uit die uitspraak volgt dat het ontvangen vakantiegeld slechts vatbaar is voor verdeling voor zover het als maandelijkse aanspraak tezamen met het daadwerkelijk genoten inkomen uitkomt boven de beslagvrije voet in die maanden, telkens per maand beoordeeld.

Gelet op de tot dan toe wisselende rechterlijke uitspraken is het tuchtrechtelijk niet verwijtbaar dat de gerechtsdeurwaarders zowel voor als tijdens de procedure bij de Hoge Raad zijn overgegaan tot inning van het vakantiegeld van klager over 2014 en tot verdeling daarvan onder de beslagleggers. Overigens is door de gerechtsdeurwaarders onweersproken aangevoerd dat het vakantiegeld van 2014 aan de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders is afgedragen in het kader van de finale kwijting waarop het dossier van klager is gesloten. Aldus treft het verwijt van klager dat de gerechtsdeurwaarders met betrekking tot het vakantiegeld van 2014 de beslagvrije voet van klager onjuist hebben gehanteerd, geen doel.

6.7.2.

Dit is anders wat betreft het vakantiegeld van 2015. Gelet op het arrest van de Hoge Raad had het de gerechtsdeurwaarders in mei 2015 bij ontvangst van dit vakantiegeld (€ 540,78) dan wel in juli 2015 bij doorbetaling van dit vakantiegeld aan de beslagleggers duidelijk moeten zijn dat dit vakantiegeld gezien de voor klager geldende beslagvrije voet (€ 1.166,-) en het netto maandinkomen van klager in 2015 (€ 960,-) niet kon worden verdeeld. De gerechtsdeurwaarders hebben voor het eerst in hoger beroep aangevoerd dat de beslagvrije voet van klager door de oorspronkelijke eerste beslaglegger te hoog was vastgesteld omdat klager volgens hen in de periode 2013-2015 niet alleenstaand was maar een gezamenlijke huishouding voerde en dat dit volgens hen betekent dat het vakantiegeld van 2015 niet aan klager toekwam. Klager heeft betwist dat hij in die periode een gezamenlijke huishouding voerde.

Wat hiervan ook zij, in deze procedure is van belang dat de gerechtsdeurwaarders in 2015 zijn uitgegaan van de juistheid van de voor klager geldende beslagvrije voet van € 1.166,- en op basis van de toen bij hen bekende financiële gegevens van klager hebben gehandeld en daarmee de voor klager geldende beslagvrije voet onjuist hebben gehanteerd.

Dit leidt tot de slotsom dat dit klachtonderdeel alleen wat betreft het vakantiegeld van 2015 gegrond is.

Klachtonderdeel ii.

6.8.

Ter verdediging van het feit dat hij in juli 2015 is overgegaan tot verdeling van het vakantiegeld van 2015 volgens de geldende verdeelsleutel over de cumulatieve beslagleggers heeft gerechtsdeurwaarder 1 aangevoerd dat dit is toegestaan op grond van de Bestuursregel afwikkeling derdenbeslagen van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (verder: de Bestuursregel en KBvG). De Bestuursregel is door het bestuur van de KBvG op 9 februari 2015 vastgesteld en aangevuld op 2 november 2015. Uit de Bestuursregel volgt dat de eerst beslagleggend deurwaarder de inning voor de resterende cumulatieve beslagleggers kan voortzetten tot alle beslagen uiteindelijk eindigen, ook in het geval de opdrachtgever van de eerst beslagleggend deurwaarder het beslag niet wenst voort te zetten, zoals in dit geval. Die regel is ingegeven door de achterliggende gedachte dat de derdebeslagene ook in dat geval nog aan de eerst beslagleggend deurwaarder kan afdragen, zonder zelf in de problemen te komen. Gelet op de Bestuursregel is het dus op zichzelf toegelaten om na opheffing van een beslag de inning en verdeling van de gelden ten laste van de desbetreffende debiteur en ten behoeve van andere beslagleggers voort te zetten. Dit klachtonderdeel is dus ongegrond. Dit laat onverlet dat het vakantiegeld van 2015 op grond van de toen voor klager geldende beslagvrije voet en de hoogte van zijn toenmalige netto maandinkomen niet onder de overige beslagleggers mocht worden verdeeld omdat dit vakantiegeld niet aan de beslagleggers, maar aan klager toekwam, zoals hiervoor naar aanleiding van klachtonderdeel i. reeds werd overwogen.

Klachtonderdeel iii.

6.9.

Gelet op de door klager geuite bezwaren tegen doorbetaling van het vakantiegeld van 2015 nadat het derdenbeslag ten behoeve van de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders was opgeheven en verder zijn verzoek om restitutie van het vakantiegeld, ook van 2014, had het op de weg van de gerechtsdeurwaarders gelegen om de situatie aan klager duidelijk en meer uitgebreid toe te lichten dan in de e-mail van 9 juli 2015 aan klager is gedaan. Dit klachtonderdeel is gegrond.

Klachtonderdeel iv.

6.10.

Het hof is met de kamer van oordeel dat de gerechtsdeurwaarders ten onrechte niet op verzoek van klager aan hem duidelijk hebben gemaakt hoe de gelden uit het ten laste van hem gelegde derdenbeslag door hen waren verdeeld. Dat het een complexe periode was waarbij de stand van zaken iedere dag wijzigde of kon wijzigen, zoals de gerechtsdeurwaarders hebben aangevoerd, kan aan dit oordeel niet afdoen. Dit klachtonderdeel is eveneens gegrond.

6.11.

Gelet op de gegrondverklaring van verschillende klachtonderdelen, de aard van de verwijtbare handelingen en het verwijtbare nalaten in het licht van de situatie waarin klager zich als beslagene bevond, acht het hof de maatregel van berisping passend. De aard van de verwijtbare handelwijze wijst naar het oordeel van het hof niet in de richting van een boete die de kamer aan de gerechtsdeurwaarders heeft opgelegd.

6.12.

Nu het hof gedeeltelijk tot een andere beslissing komt dan de kamer, zal de beslissing van de kamer omwille van de duidelijkheid worden vernietigd. Het hof zal opnieuw beslissen.

6.13.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.14.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing,

en opnieuw beslissende:

- verklaart klachtonderdeel i. wat betreft het vakantiegeld 2014 ongegrond;

- verklaart klachtonderdeel i. wat betreft het vakantiegeld 2015 gegrond;

- verklaart klachtonderdeel ii., gericht tegen gerechtsdeurwaarder 1, ongegrond;

- verklaart klachtonderdeel iii. gegrond;

- verklaart klachtonderdeel iv. gegrond;

- legt aan de gerechtsdeurwaarders elk de maatregel van berisping op.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2017 door de rolraadsheer.