Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1652

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-05-2017
Datum publicatie
02-05-2017
Zaaknummer
K14/0303
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Afwijzing van beklag ex artikel 12 Sv over op klager toegepast geweld door de politie na de ontruiming van een café in de koningsnacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking van op het beklag met het rekestnummer K 14/0303 van

[naam klager],

klager,

domicilie kiezende ten kantore van de gemachtigde:

mr. J.T.H.M. Mühren, advocaat te Purmerend.

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 16 juli 2014 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen een of meer politieambtenaren, ter zake van mishandeling.

Na het indienen van het beklag heeft het Openbaar Ministerie door de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) van de politie Noord-Holland nader onderzoek doen verrichten, in aanvulling op het door VIK op 27 mei 2014 opgemaakte en afgeronde proces-verbaal.

In dit nader onderzoek zijn onder anderen de politieambtenaren [naam beklaagde 1],

[naam beklaagde 2], [naam beklaagde 3] en [naam beklaagde 4] gehoord. Zij zullen hierna als beklaagden worden aangeduid.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 26 september 2016 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven om – alvorens te beslissen – de als beklaagden aan te merken politiemedewerkers te horen.

3 De voorhanden stukken

Behalve van het klaagschrift en van het verslag heeft het hof kennisgenomen van de in deze zaak door de politie opgemaakte processen-verbaal, het ambtsbericht van 6 november 2014 en de aanvullende ambtsberichten van 8 maart 2016 en 13 juni 2016 namens de hoofdofficier van justitie te Noord-Holland.

In het dossier bevindt zich beeldmateriaal, waarvan het hof eveneens kennis heeft genomen.

De gemachtigde van klager heeft het arrest van 23 augustus 2016 van dit hof in de strafzaak tegen klager aan het hof toegestuurd.

4. De behandeling in raadkamer en het gedurende de behandeling van het beklag verrichte onderzoek

De voortgang van de procedure is in raadkamer aan de orde geweest op 17 juni, 26 augustus, 10 november 2015 en 20 januari 2016.

Op 10 februari 2016 is door het Openbaar Ministerie aan de afdeling Veiligheid Integriteit en Klachten (VIK) opdracht gegeven om de politiemedewerkers van het basisteam [plaatsnaam] die in 2014 bij de aanhouding van klager betrokken waren geweest, als verdachten te horen, en voorts nader onderzoek te doen naar de in de aangifte genoemde gebeurtenissen en daartoe getuigen te horen en camerabeelden opnieuw te bekijken.

Van de door klager genoemde zeven getuigen zijn er, na uitgebreid onderzoek, vier achterhaald en gehoord.

Klager heeft desgevraagd aan het hof gezegd dat hij geen contact meer heeft met de andere drie getuigen en niet weet waar zij te bereiken zijn.

De beklagkamer heeft klager in de gelegenheid gesteld op 8 maart 2017 het beklag toe te lichten. Klager is, bijgestaan door mr. Mühren voormeld, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.

Tevens heeft de beklagkamer beklaagden [naam beklaagde 4], [naam beklaagde 1], [naam beklaagde 2] en [naam beklaagde 3] in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

Beklaagde [naam beklaagde 4] is op 8 maart 2017, bijgestaan door mr. J.S. Dallinga, advocaat te Alkmaar, in raadkamer verschenen en heeft het hof – kort gezegd – verzocht de klacht af te wijzen. Van de behandeling in raadkamer is proces-verbaal opgemaakt.

De andere beklaagden zijn op 29 maart 2017 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De beklaagden [naam beklaagde 1], [naam beklaagde 2] en [naam beklaagde 3] zijn afzonderlijk, elk bijgestaan door mr. J.S. Dallinga, advocaat te Alkmaar, in raadkamer verschenen en hebben het hof – kort gezegd – verzocht de klacht af te wijzen.

Mr. Dallinga heeft het woord gevoerd aan de hand van zijn aan het hof overgelegde pleitaantekeningen, die aan het dossier zijn toegevoegd.

De advocaat-generaal is bij de behandelingen in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen en op grond van het voorliggende dossier heeft hij het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

5 De beoordeling van het beklag

5.1.

De feiten en omstandigheden die uit het dossier naar voren komen

5.1.1.

Het gaat in deze zaak om door de politie, te weten beklaagde(n), toegepast geweld in verband met de aanhouding van klager in de nacht van [datum] te [plaatsnaam].

Vanwege vechtpartijen in een café [naam café] op [straatnaam 1] werd rond 2.35 uur door de dienstdoende officier van dienst van de politie besloten dit café te sluiten voor die nacht. In het café waren naar schatting 100 à 150 mensen aanwezig. Om de veiligheid te waarborgen en wanordelijkheden in te perken vormde de politie een linie om het publiek dat uit deze gelegenheid kwam in de richting van [straatnaam 2] te dirigeren. Hierbij is door de officier van dienst via de megafoon van het publiek gevorderd het horecagebied [straatnaam 1] te verlaten en daar niet vóór 7.00 uur terug te keren.

Klager voldeed niet aan de vordering. Tot tweemaal toe werd klager daarna door verbalisanten [naam beklaagde 3] en/of [naam beklaagde 2] gevorderd het horecagebied te verlaten, waaraan hij geen gehoor gaf.

Klager is daarop aangehouden,

5.1.2.

Klager heeft op 28 april 2014 aangifte gedaan van mishandeling gepleegd

op 26 april 2014. Hij heeft verklaard dat op een gegeven moment iedereen café [naam café] uit moest omdat er veel ruzie was. Hoewel iedereen [straatnaam 1] moest verlaten ging hij op een bankje op [straatnaam 1] zitten. Toen de politie hem aansprak en hem zei dat hij [straatnaam 1] moest verlaten, stond hij op. Toen begon de politie hem te duwen. Vervolgens werd hij aangehouden en probeerden agenten hem naar de grond te werken. Voordat hij op de grond terechtkwam is hij in zijn gezicht geslagen, in ieder geval door de kale man die hem geduwd had. Ook toen hij op de grond lag en geboeid werd is hij in zijn gezicht geslagen. Vervolgens ging de kale agent met zijn knie op zijn gezicht zitten. De rechterkant van zijn gezicht raakte de straatstenen.

Tijdens de aangifte heeft de politie geconstateerd dat klager ter hoogte van zijn linkeroog een paarse bloeduitstorting had. Op zijn linker oogbal was een bloedvlekje te zien. Zijn linkeroog leek iets verdikt. Aan de linkerzijde van zijn onderlip was wat blauwe verkleuring zichtbaar.

Op 28 april 2014 heeft klagers huisarts geconstateerd dat klager blauwe plekken had bij de linker oogkas en een rode vlek links onder in het linkeroog. Het gezichtsveld links was wazig. De huisarts heeft vermeld dat klager zei sinds het incident een piep in zijn rechteroor te horen en een zwarte vlek in zijn linkeroog te zien. Klager werd naar de oogarts verwezen.

Klager heeft op 8 maart 2017 in raadkamer verklaard dat de klachten inmiddels zijn verdwenen en dat er geen blijvend letsel is.

5.1.3.

Op 1 juli 2014 heeft het Openbaar Ministerie aan klager medegedeeld dat is besloten geen verdere vervolging in te stellen, omdat uit de stukken is gebleken dat klager voor en tijdens zijn aanhouding niet meewerkend was en een recalcitrante en agressieve houding heeft aangenomen tegen de aldaar werkzame politieambtenaren. Om klager onder controle te krijgen is er gepast geweld gebruikt en het Openbaar Ministerie is dan ook van mening dat sprake is van gerechtvaardigd politieoptreden en het geweldgebruik voldoet aan de vereisten van de Politiewet.

5.1.4.

Het beklag richt zich tegen deze beslissing. Klager is van oordeel dat er meer dan voldoende bewijs aanwezig is dat hij door (een) agent(en) ernstig is mishandeld en dat dit niet als gepast geweld kan worden gekwalificeerd. In het klaagschrift is vermeld dat er zeven getuigen zijn die kunnen bevestigen dat klager meerdere keren door een agent in zijn gezicht is gestompt.

5.1.5.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 27 april 2014 van beklaagden [naam beklaagde 3] en [naam beklaagde 2] komt het volgende naar voren. Klager is gevorderd het horeca gebied te verlaten. Hij is blijven staan en [naam beklaagde 2] heeft hem een duw gegeven om hem te bewegen aan de vordering gehoor te geven. Daarop heeft klager [naam beklaagde 2] een duw gegeven ter hoogte van zijn borst en heeft hij aan de kleding van [naam beklaagde 2] getrokken en heeft hij geprobeerd [naam beklaagde 2] te slaan. Omdat klager niet voldeed aan de vordering het horecagebied te verlaten is hij aangehouden.

[Naam beklaagde 2] en [naam beklaagde 3] hebben klager bij zijn jas vastgepakt en achter de linie gebracht. Zij voelden dat klager zich begon te verzetten. Klager is gewaarschuwd dat hij moest meewerken, omdat er anders geweld gebruikt zou worden. Klager zei dat zij hem los moesten laten en hij duwde [naam beklaagde 2] en [naam beklaagde 3] weg en probeerde hen te slaan. Omdat het aanleggen van transportboeien niet mogelijk was, is getracht klager naar de grond te brengen om hem onder controle te krijgen. Klager maakte nog steeds slaande bewegingen en bewoog zich in een andere richting dan waarin [naam beklaagde 2] en [naam beklaagde 3] hem trachtten te bewegen.

Om het verzet te staken heeft [naam beklaagde 3] driemaal met zijn rechter vuist op de rechterzijde van de buik van klager geslagen. Omdat dit geen effect had en hij zich bleef verzetten heeft [naam beklaagde 3] klager met zijn rechter knie geduwd in zijn rechter zij. [Naam beklaagde 2] heeft klager ook meerdere malen met zijn rechtervuist tegen de rechterzijde van de buik van klager opdat hij het verzet te zou staken. Dit had geen effect en klager bleef zich verzetten.

Uiteindelijk is het met behulp van collega’s gelukt klager op zijn buik te krijgen en de transportboeien om te doen.

5.1.6.

De beklaagden in deze zaak zijn, zoals hiervoor vermeld, in maart en april 2016, gehoord als verdachte.

Beklaagde [naam beklaagde 4] heeft verklaard dat hij was belast met de coördinatie van het politieoptreden. Na de ontruiming van het café was het een hectische toestand omdat niet alle publiek de door de politie gegeven aanwijzingen opvolgde. Snel optreden was van belang om de situatie weer onder controle te krijgen. Hij zag dat collega’s iemand aanhielden en dat die persoon daartegen “volledig in verzet” ging. Hij heeft toen assistentie verleend. Hij kan zich verder niets specifieks herinneren van die aanhouding.

Beklaagde [naam beklaagde 1] heeft verklaard dat hij zag dat zijn collega [naam beklaagde 2] afwerende bewegingen naar iemand maakte. Hij is toen naar zijn collega toegelopen en heeft die persoon, klager, bij zijn nek gepakt en naar de grond gewerkt. Hij heeft met zijn knie op het hoofd van klager gezeten, omdat hij te maken had met een recalcitrante verdachte; hij wilde hem onder controle krijgen en fixeren. Hij heeft klager niet geslagen en kan zich ook niet herinneren dat anderen dat hebben gedaan.

Beklaagde [naam beklaagde 2] heeft verklaard dat het na de ontruiming van het café onrustig was op [straatnaam 1] en dat er werd gevochten. Klager hoorde bij een groepje dat niet voldeed aan de vordering zich te verwijderen. Hun is te verstaan gegeven dat zij weg moesten; daarna heeft hij in het bijzonder tegen klager gezegd dat klager [straatnaam 1] moest verlaten. Klager voldeed daar niet aan. Vanuit de linie heeft hij klager toen een duwtje gegeven om te proberen hem door te laten lopen. Klager gaf toen een duw terug. Het gedrag van klager gaf aanleiding om hem achter de linie te trekken en hem aan te houden. Beklaagde kan zich nog herinneren dat klager zich tegen zijn aanhouding verzette en dat klager meerdere keren in zijn richting sloeg. Beklaagde kan zich niet meer herinneren wat er precies is gebeurd, maar hij heeft nog nooit iemand in/op zijn gezicht geslagen.

Beklaagde [naam beklaagde 3] heeft verklaard dat hij zich kan herinneren dat er na de ontruiming van het café een grimmige sfeer op [straatnaam 1] hing. De gevormde linie stuitte op twee personen, klager en een ander, die op een bankje zaten. Hun is uitgelegd dat ze door moesten lopen omdat dat gevorderd was. Beklaagde heeft een persoon aan zijn jasje gepakt en richting [straatnaam 2] gedirigeerd. Klager “dacht er iets anders over” en is toen aangesproken door zijn collega [naam beklaagde 2]. Klager duwde zijn collega [naam beklaagde 2] en probeerde [naam beklaagde 2] te slaan. Daarop werd klager aangehouden. Daarbij verzette klager zich heftig.

In raadkamer zijn de beklaagden bij hun eerder afgelegde verklaringen gebleven.

5.1.7.

De door klager als getuige genoemde personen die door de politie konden worden achterhaald, zijn in februari 2016 gehoord.

[Naam getuige 1] heeft verklaard dat het druk was op [straatnaam 1] toen het café gesloten werd en dat een hele rij politieagenten duidelijk maakte dat zij niet [straatnaam 1] op mochten, maar alleen via de zijkant het plein mochten verlaten. Klager, die “wel een slokje op had” was het daar niet mee eens. Hij zag dat een politieagent klager een duw gaf en dat klager daarna de agent terugduwde. Hij heeft niet gezien dat klager door de politie werd geslagen of tegen de grond gewerkt.

[Naam getuige 2] heeft verklaard dat er veel politie op de been was, ook politie te paard. De politie stond zo geposteerd dat het publiek niet meer [straatnaam 1] op kon. Hij zag dat klager door een agent een beetje geduwd werd en dat klager niet wegging. Hij heeft gezien dat klager door twee of drie politiemensen werd vastgepakt en naar de grond gewerkt en dat dit niet makkelijk ging. Hij zag dat klager wat weerstand bood. Hij heeft niet gezien dat klager geslagen is door een politieagent of politieagenten.

[Naam getuige 3] heeft verklaard dat “iedereen weggevorderd moest worden” en dat de politie zei dat zij van het plein af moesten. Klager en hij stonden op van het bankje waarop zij zaten en vroegen de politie waarom zij weg moesten. Een agent duwde klager. Nadat klager de agent terug had geduwd, schopte de agent klager onderuit. Hij zat daarna met zijn knie op het hoofd van klager en de agent sloeg klager. Daarna kwamen er meerder agenten bij. Hij heeft geen herinnering aan hoe klager is geslagen.

[Naam getuige 4] heeft verklaard dat toen zij voor het café stond, hoorde dat de politie riep dat zij weg moesten. Klager vroeg waarom dat was, maar daarop kwam geen antwoord. Klager bleef staan, terwijl de rest van het gezelschap weggedreven werd. Klager kreeg ruzie met de politieman. De agent gaf klager een duw en zei dat klager moest doorlopen. Klager duwde die agent terug en zei: “doe eens normaal joh” of zoiets. De agent greep klager; dat ging wat hardhandig. Op een gegeven moment werd klager door de agent naar de grond gewerkt. Volgens de getuige is klager toen weer omhoog gekomen of probeerde hij op te staan. Hierop kwamen er meer agenten bij. Klager viel toen of werd naar de grond gewerkt waarna hij weer op stond. Toen kwamen er andere agenten. Klager werd toen naar de grond getrapt en werd door meerdere agenten geslagen en getrapt. De eerste agent hield niet op, die bleef aan klager trekken. Na een tijdje kreeg klager een knie op zijn hoofd, toen zat klagers gezicht onder het bloed.

Aan de getuige is herhaaldelijk gevraagd wat zij precies heeft gezien en vanaf welke plaats. Zij heeft daarop geantwoord dat er agenten om klager heen stonden en dat zij zelf weggeleid werd, maar dat zij in elk geval heeft gezien dat klager in zijn gezicht werd geslagen.

5.1.8.

Het hof heeft de beelden bekeken die tussen 02.41 uur en 02.52 uur zijn vastgelegd door verschillende camera’s op en nabij [straatnaam 1] te [plaatsnaam]. Op die beelden zijn vanaf het moment dat klager wordt aangesproken heftige bewegingen te zien; politiemensen hebben zichtbaar moeite om klager in bedwang te krijgen; het gaat er heftig aan toe. Op de beelden is niet te zien dat klager door de politie in het gezicht wordt geslagen. Uiteindelijk is te zien dat klager op zijn buik op de grond ligt, met de linkerzijde van zijn gezicht op de straat, en met drie politiemensen om zich heen. Een van hen zit met zijn rechterknie op de rechterzijde van het gezicht van klager. Deze situatie duurt ongeveer 4 minuten. Daarna wordt klager aan zijn bovenarmen door twee politiemedewerkers opgetild en lopen dezen met klager buiten beeld.

5.2

Het beoordelingskader

5.2.1.

Politieambtenaren zijn in de rechtmatige uitoefening van hun bediening – indien noodzakelijk – bevoegd tot toepassing van – gepast – geweld. Buiten de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit zou – afhankelijk van de omstandigheden van het geval – geweldstoepassing door overheidsdienaren als misdrijf, bijvoorbeeld als mishandeling gekwalificeerd kunnen worden en als zodanig strafbaarheid van de betrokken ambtenaar tot gevolg kunnen hebben.

Het strafrechtelijk onderzoek naar overheidsoptreden zal zich in die gevallen met name hebben te richten op de vraag of geweldstoepassing noodzakelijk, adequaat en proportioneel is geweest.

5.2.2.

Het met betrekking tot de rechtmatigheid van belang zijnde toetsingskader wordt (buiten de verdere strafrechtelijke en mensenrechtelijke regels) gevonden in:

- artikel 7 van de Politiewet 2012, voor zover hier van belang:

1. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

….

5. De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.

- artikel 1, derde lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de

Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (2012),

voor zover hier van belang:

In dit besluit wordt verstaan onder:

b. geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken;

c. aanwenden van geweld: het gebruiken van geweld en het dreigen met geweld, waaronder wordt begrepen het ter hand nemen van een vuurwapen;

- het rapport “Verantwoord politiegeweld” van de Nationale

Ombudsman, voor zover hier van belang:

Terughoudendheid met geweldgebruik

- Terughoudendheid: De politie is terughoudend met het toepassen van geweld. Het uitgangspunt is: 'geen geweldgebruik, tenzij …'

- De-escalatie: Politieoptreden is gericht op de-escalatie. Dit betekent echter ook dat juist stevig optreden (met geweld) in bepaalde situaties geoorloofd is als de-escalatie het uiteindelijke doel is, bijvoorbeeld in geval van groepen waarbij sprake is van een geëscaleerde, hectische/chaotische situatie dan wel (ernstige) verstoring van de openbare orde.

- Vervelend, irritant of onbeschoft gedrag: Alleen vervelend, irritant of onbeschoft gedrag van de burger mag niet leiden tot gebruik van geweld. Van de politie mag worden verwacht dat zij zich hierdoor niet laat uitdagen tot verdere escalatie en zich in een moeilijke of ongemakkelijke situatie weet te beheersen.

Slaan op kwetsbare lichaamsonderdelen (gezicht, hoofd of kruis)

- Hoofdregel: Het slaan op kwetsbare lichaamsdelen het hoofd, het gezicht of het kruis, kan ernstig letsel tot gevolg hebben en is in beginsel niet geoorloofd.

- Hoofd vs gezicht: Slaan op het hoofd is minder ingrijpend dan slaan in het gezicht. Een vuistslag in het gezicht is in beginsel niet geoorloofd.

- Vlakke hand vs vuist: Het slaan in het gezicht of op het hoofd met de vlakke hand is minder ingrijpend dan het geven van een vuistslag in het gezicht of op het hoofd.

5.2.3.

Indien het optreden van beklaagde(n) niet is te baseren op een wettelijk voorschrift, moet bezien worden of het aannemelijk is dat met succes een beroep gedaan zou kunnen worden op noodweer of noodweerexces. Evenals iedere burger kan immers ook de politiefunctionaris zich daarop beroepen.

6 De overwegingen van het hof

Het hof heeft allereerst te beoordelen of vervolging op basis van de aanwijzingen in het dossier ertoe zou kunnen leiden dat de strafrechter aan wie de zaak zou worden voorgelegd, tot een bewezenverklaring zou kunnen komen. Als dat niet het geval is, heeft het hof te beoordelen of aanvullend onderzoek tot een andere opvatting zou kunnen leiden. Indien een bewezenverklaring mogelijk zou kunnen zijn, dient het hof vervolgens te beoordelen of er voldoende maatschappelijk belang is dat de vervolging kan rechtvaardigen.

Op basis van de hiervoor weergegeven verklaringen gaat het hof ervan uit dat aan het publiek ondubbelzinnig duidelijk was gemaakt dat het [straatnaam 1] moest verlaten. Het was druk en relatief onrustig. Er kon verder – al was het maar door de in formatie optredende agenten – ook geen misverstand over bestaan dat het menens was en dat de politie daadwerkelijk bezig was om [straatnaam 1] leeg te krijgen. De beklaagden [naam beklaagde 2] en [naam beklaagde 3] hebben klager bovendien tot tweemaal toe duidelijk gemaakt dat ook hij het horecagebied moest verlaten. Toen hij aan die vordering niet voldeed en [naam beklaagde 2] hem duwde om hem in beweging te krijgen, heeft klager

– in plaats van aan de niet mis te verstane vordering te voldoen – [naam beklaagde 2] tegen de borst geduwd, aan zijn kleding getrokken en met zijn arm een slaande beweging gemaakt naar [naam beklaagde 2].

Toen werd klager aangehouden wegens het niet voldoen aan hun bevel of vordering.

Ook daartegen – zo is duidelijk op de beelden te zien – heeft klager zich verzet door genoemde verbalisanten weg te duwen en slaande bewegingen in hun richting te maken. Daarbij is klager naar de grond gebracht, is hij in de rechterzij geslagen en heeft hij een duw met de knie in zijn zij gehad. Uiteindelijk is het, met behulp van andere agenten, gelukt klager op zijn buik op de grond te krijgen. Op de beelden is te zien dat de linkerkant van klagers gezicht op de straatstenen ligt en dat een agent met zijn rechterknie op de rechterkant van het gezicht van klager zit.

Tegen de achtergrond van het hiervoor weergegeven toetsingskader valt dit geweld binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. Klager voldeed immers niet aan de

– zowel aan het publiek in het algemeen als aan klager in persoon – herhaalde vordering om [straatnaam 1] te verlaten. Hij verzette zich daartegen, passief – door tekst en uitleg te vragen aan een agent die overduidelijk met zijn collega’s bezig was in een chaotische toestand orde te brengen en begrijpelijkerwijs geen tijd had om met het publiek in discussie te gaan – en actief, door die agent te duwen en een slaande beweging in diens richting te maken. In het licht van klagers agressieve gedrag voorafgaand aan en tijdens diens aanhouding acht het hof het niet onbegrijpelijk dat het zo ver is gekomen dan aan klager pijnprikkels in zijn zij zijn toegebracht. Het hof acht het hiervoor weergegeven en door de politie toegepaste geweld niet buitensporig.

Vervolgens heeft het hof te beoordelen of er op basis van dit dossier voldoende bewijs zou zijn dat klager tegen het hoofd is geslagen, en zo ja of daarvoor strafvervolging zou moeten plaats vinden.

Het hof moet constateren dat uit de verklaringen van de door klager genoemde getuigen [naam getuige 1], [naam getuige 3] en [naam getuige 2] niet naar voren komt dat klager in het gezicht geslagen zou zijn.

Met betrekking tot de verklaring van [naam getuige 4] moet het hof vaststellen dat daarin een weergave van het gebeurde wordt gegeven die op een aantal essentiële punten (bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag of klager één of meermalen naar de grond is gebracht) nogal afwijkt van wat er uit de verklaringen van de hiervoor genoemde drie anderen naar voren komt. In die zin vindt deze verklaring ook geen steun in hetgeen op de camerabeelden is te zien.

Het hof verwacht dan ook niet dat als de strafrechter over deze verklaring zou moeten oordelen, deze daarin voldoende bewijswaarde zou vinden om deze – naast de aangifte – te kunnen gebruiken als doorslaggevend element voor de bewezenverklaring van mishandeling.

Daar komt bij dat evenmin uit de bij klager geconstateerde verwondingen (aan de linkerkant van het gezicht) kan worden afgeleid dat deze door slagen in het gezicht zijn ontstaan. Deze zouden ook kunnen worden verklaard door de worsteling die plaats vond omdat klager zich verzette, of doordat klager met zijn gezicht tegen de grond is gedrukt.

Het hof heeft in de stukken overigens geen verklaring van een oogarts aangetroffen. Noch uit het klaagschrift, noch uit hetgeen door en namens klager in raadkamer naar voren is gebracht komt naar voren dat klager een bezoek aan een oogarts heeft gebracht.

Het hof ziet daarom geen reden ervan uit te gaan dat klager zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat het bij de aanhouding van klager toegepaste geweld niet wederrechtelijk is geweest. In zoverre is er onvoldoende bewijs op grond waarvan mishandeling bewezen zou kunnen worden verklaard.

Het hof moet constateren dat in een laat stadium onderzoek heeft plaats gevonden, maar dat niettemin al het redelijkerwijs mogelijk is gedaan om duidelijkheid te verkrijgen. Aanknopingspunten voor relevant nader onderzoek ontbreken.

Nu het hof van oordeel is dat het dossier geen materiaal bevat dat de strafrechter tot het oordeel zou kunnen brengen dat door beklaagden, of een of meer van hen jegens klager geweld is toegepast dat de grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit overschrijdt, ziet het hof geen grond om strafvervolging te bevelen.

7 De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

door mrs. P.C. Kortenhorst, voorzitter, N.A. Schimmel en M.J.G.B. Heutink, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. O. Boekraad, griffier, en, de griffier daartoe buiten staat zijnde, alleen ondertekend door de voorzitter.