Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:155

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
200.200.398/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:4205, Meerdere afhandelingswijzen
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2018:846
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

tussenarrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.200.398/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/233721 / HA ZA 15-700

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 januari 2017

inzake

[de man] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. C.M. Mellema te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. L. Hellinga te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 31 augustus 2016 heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het tussen partijen onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 1 juni 2016.

Appellant heeft de zaak aangebracht op de rol van 18 oktober 2016.

Bij rolbeslissing van die datum is appellant in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 1 november 2016 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep en is bepaald dat geïntimeerde bij akte zal mogen reageren.

Appellant heeft zich op 1 november 2016 bij akte, met bijlagen, uitgelaten over de ontvankelijkheid.

Geïntimeerde heeft op 15 november 2016 een antwoordakte genomen.

Arrest is nader bepaald op heden.

2 Beoordeling

2.1.

Partijen zijn ex-echtgenoten. Het bestreden vonnis betreft - kort gezegd - een geschil in het kader van de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap, waaronder de voormalige echtelijke woning. In conventie heeft de rechtbank, onder meer, appellant veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan verkoop en overdracht van de woning aan de [adres] , [woonplaats] door, kort gezegd, binnen zeven dagen na betekening van het vonnis samen met geïntimeerde aan een in onderling overleg uit te kiezen makelaar opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning, mee te werken aan ten minste 24 uur van tevoren door de makelaar of geïntimeerde aangekondigde bezichtigingen van de woning en na verkoop op eerste verzoek van de notaris mee te werken aan overdracht van de woning aan een derde, met bepaling dat voor zover appellant niet zijn medewerking zal verlenen aan het verstrekken van een gezamenlijke verkoopopdracht binnen genoemde termijn of aan de levering op eerste verzoek van de notaris dit vonnis (na betekening) telkens in de plaats zal treden van de benodigde medewerking van appellant aan genoemde rechtshandelingen. Het vonnis is ten aanzien hiervan uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.2.

Op grond van artikel 3:301 lid 2 BW moet hoger beroep, indien de rechter in eerste aanleg heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of een deel daarvan, op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in het in artikel 433 Rv bedoelde register (het rechtsmiddelenregister).

2.3.

Het hof stelt vast dat, zoals ook appellant bij akte heeft erkend, het hoger beroep niet is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Aan dit voorschrift had wel moeten worden voldaan. De rechtbank heeft immers door te beslissen dat, indien appellant niet zijn medewerking zal verlenen aan de levering op eerste verzoek van de notaris, het bestreden vonnis in de plaats zal treden van de benodigde medewerking van appellant aan deze rechtshandeling, bepaald dat dit vonnis in de plaats zal treden van (een deel van) de tot levering van de woning bestemde akte. De formulering van de vordering in eerste aanleg van geïntimeerde doet, anders dan appellant heeft aangevoerd, hieraan niet af. Bovendien kan noch op basis van die vordering - waarin wordt verwezen naar artikel 3:300 BW zonder een lid te noemen -, noch op basis van hetgeen door geïntimeerde in eerste aanleg is aangevoerd, worden geconcludeerd dat, zoals door appellant wordt betoogd, geïntimeerde geen veroordeling wenste in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW, maar een veroordeling in de zin van het eerste lid van dat artikel, waarvoor het voorschrift van artikel 3:301 lid 2 BW niet geldt.

2.4.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat appellant niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep, voor zover dat zich richt tegen oordelen die betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van een tot levering bestemde akte. Voor zover de door appellant nog te formuleren grieven zich richten tegen oordelen die geen betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte, is appellant wel ontvankelijk in zijn hoger beroep.

2.5.

Geïntimeerde heeft in haar antwoordakte aangevoerd dat overige oordelen in het vonnis - meer in het bijzonder de eerste en de derde bullet onder 5.1 - rechtstreeks voortkomen uit de indeplaatsstelling, zodat appellant ook in die onderdelen niet kan worden ontvangen in zijn beroep. Appellant dient in de memorie van grieven duidelijk te maken in welk opzicht hij meent ontvankelijk te zijn in het hoger beroep. Geïntimeerde kan daarop reageren bij haar memorie van antwoord. Het is vervolgens aan de samenstelling van het hof die de zaak inhoudelijk gaat behandelen om te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre ruimte is voor een behandeling in hoger beroep.

2.6.

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een memorie van grieven door appellant.

3 Beslissing

Het hof:

verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dat hoger beroep zich richt tegen oordelen die betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van een tot levering bestemde akte;

verwijst de zaak naar de rol van 28 februari 2017 voor het nemen van een memorie van grieven door appellant;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, J.C.W. Rang en J.W. Hoekzema en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.