Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1311

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-04-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
200.190.726/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORSHE:2016:11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris. Een van de onderdelen betreft: de notaris heeft ten onrechte haar taak als executeur niet neergelegd op het moment dat de erfgenamen de nalatenschap beneficiair hadden aanvaard.

De kamer heeft dit klachtonderdeel gegrond verklaard en de notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd. De overige klachten heeft de kamer ongegrond verklaard.

Het hof verklaart het hierboven weergegeven klachtonderdeel ongegrond en bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0096
JERF 2018/147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.190.726/01 NOT

nummer eerste aanleg : SHE/2015/77

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 18 april 2017

inzake

mr. [naam] ,

notaris te [plaats] ,

appellante,

gemachtigde: mr. G. van Atten, advocaat te Amsterdam,

tegen

1. [naam] ,

wonend te [plaats] ,

2. [naam] ,

wonend te [plaats] ,

geïntimeerden,

gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel, advocaat te Roosendaal.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante (hierna: de notaris) heeft op 9 mei 2016 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort
's-Hertogenbosch (hierna: de kamer) van 18 april 2016 (ECLI:NL:TNORSHE:2016:11). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van geïntimeerden (hierna: klagers) op onderdeel 1 gegrond verklaard, de notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd en de klacht voor het overige ongegrond verklaard.

1.2.

De notaris heeft op 7 juni 2016 een aanvullend beroepschrift - met bijlagen - ingediend.

1.3.

Klagers hebben op 7 juli 2016 een verweerschrift ‘houdende incidenteel appèl’ - met bijlagen - bij het hof ingediend.

1.4.

Op 29 september 2016 hebben klagers nog aanvullende producties in het geding gebracht.

1.5.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 oktober 2016. De notaris, vergezeld van haar gemachtigde, en klagers, vergezeld van hun gemachtigde (hierna ook: mr. Van den Heuvel), zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; beide gemachtigden aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.6.

De samenstelling van de zittingscombinatie was als volgt: voorzitter mr. A.D.R.M. Boumans, raadsheren mrs. J.H. Lieber en C.P. Boodt. Wegens het bereiken van de leeftijd van zeventig jaren is mr. Boodt van rechtswege per 1 november 2016 gedefungeerd en daarom niet meer in staat de beslissing (mede) te wijzen.

1.7.

Het hof heeft partijen bij afzonderlijke brief van 1 december 2016 over het voorgaande geïnformeerd en medegedeeld dat mr. Boodt wordt vervangen door een andere raadsheer en dat uitspraak zal worden gedaan op 10 januari 2017. Het hof heeft in diezelfde brief aan partijen verzocht aan het hof kenbaar te maken of zij ermee instemmen dat een andere raadsheer aan de uitspraak meewerkt (die niet bij de mondelinge behandeling van de zaak op 13 oktober 2016 was betrokken); zo niet, dat er dan een nieuwe mondelinge behandeling van de zaak zal plaatsvinden.

1.8.

Op 22 december 2016 hebben klagers per fax te kennen gegeven een nieuwe mondelinge behandeling te wensen. Hierop heeft het hof een nieuwe mondelinge behandeling van de zaak bepaald op 8 februari 2017. Mr. Boodt is vervangen door raadsheer mr. T.K. Lekkerkerker. De notaris, vergezeld van haar gemachtigde, en klagers, vergezeld van hun gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Op 9 juli 2008 is de vader van klagers (hierna: de vader) overleden. Blijkens zijn testament van 15 februari 1982 heeft de vader, die in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd met de moeder van klagers (hierna: de moeder), als zijn erfgenamen achtergelaten zijn vier kinderen, te weten klagers, [naam] (hierna: [mevrouw X] ) en [naam] (hierna: [de heer Y] ), alsmede de moeder. Ingevolge zijn testament was de wettelijke verdeling van artikel 4:13 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) niet van toepassing op zijn nalatenschap.

3.2.2.

De erfgenamen van de vader hebben de nalatenschap van de vader zuiver aanvaard. Bij akten van 8 april 2011 en 6 mei 2011 is ten overstaan van destijds notaris mr. [naam] de door het overlijden van de vader ontbonden huwelijksgemeenschap en de daarin vervatte nalatenschap van de vader verdeeld. Blijkens de akte van verdeling van 6 mei 2011 (onder het kopje ‘in te brengen waarde’, pagina 12) zou de door de kinderen van de vader wegens toedeling in te brengen waarde niet worden verrekend met hun erfdeel, zodat zij hun vordering (ieder ten bedrage van € 119.759,-) op de moeder zouden behouden. Verder was de moeder blijkens deze akte (pagina 13) aan klagers en [mevrouw X] krachtens een schenking in totaal een bedrag van € 167.619,25 schuldig (onmiddellijk zonder ingebrekestelling opeisbaar bij onder meer overlijden van de moeder).

3.2.3.

De moeder is op 21 oktober 2014 overleden. Zij heeft bij testament van 27 september 2010 en bij aanvullend testament van 16 augustus 2011 over haar nalatenschap beschikt. Daarbij heeft zij – onder meer en voor zover hier relevant – klagers, [mevrouw X] en [de heer Y] als haar erfgenamen aangewezen (hierna gezamenlijk te noemen: de erfgenamen) en de notaris benoemd tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Tot de nalatenschap van de moeder behoren diverse registergoederen (hierna: de registergoederen).

3.2.4.

De notaris heeft haar taak als executeur-afwikkelingsbewindvoerder aanvaard.

3.2.5.

Bij afzonderlijke e-mailberichten van 17 november 2014 heeft een kantoorgenoot namens de notaris de erfgenamen geadviseerd de nalatenschap van de moeder beneficiair te aanvaarden in verband met eventuele claims vanwege de slechte staat van de registergoederen (en de zekere aanwezigheid van asbest). Voorts is bij die e-mailberichten aan de erfgenamen verzocht tot het verstrekken van (een deel van) de documenten zoals omschreven op het bijgevoegde lijstje.

3.2.6.

Op 19 januari 2015 hebben de erfgenamen de nalatenschap van de moeder beneficiair aanvaard.

3.2.7.

Bij brief van 21 april 2015 heeft mr. Van den Heuvel onder meer het volgende aan de notaris bericht:

“Uit de informatie van de zijde van mijn cliënten [klagers] moet ik afleiden dat de afwikkeling, ondanks Uw inspanningen om partijen op één lijn te krijgen, in een impasse verkeert.

Een gerechtelijke procedure waartoe mijn cliënten mij opdracht willen geven, zou die kunnen doorbreken. Graag verneem ik van U.”

3.2.8.

Bij brief van 27 april 2015 heeft de notaris onder meer het volgende aan mr. Van den Heuvel meegedeeld:

“Kort na het overlijden zijn er met alle erfgenamen gesprekken geweest en hebben zij hun wensen inzake de afwikkeling (..) kenbaar kunnen maken. Nadat deze gesprekken zijn afgerond en mede ook gezien de door mij nadien ontvangen e-mails, was al snel duidelijk dat de erfgenamen niet op 1 lijn zaten en ook niet zouden komen. Derhalve is door mij besloten om de verkoopprocedure van de onroerende goederen in gang te zetten. (..)

Kort daarop is door de broer van uw cliënten, de heer [de heer Y] , een mondelinge pachtovereenkomst geclaimd en heeft hij aangegeven interesse te hebben in de verwerving van (enkele) onroerende zaken. (..)

Ook heeft de zus van uw cliënten, mevrouw [mevrouw X] , samen met uw cliënte [naam] , een bod uitgebracht.

Naar aanleiding van de hiervoor geschetste gebeurtenissen, heb ik het volgende besloten:

1. er zal een tweede taxatie worden uitgevoerd door (..). Er is hen gevraagd rekening te houden met de situatie zonder pacht en met pacht

2. er zal aan (..) worden gevraagd om zijn taxatierapport aan te vullen in verband met de door [de heer Y] geclaimde pachtovereenkomst;

3. er is aan de adviseur van [de heer Y] gevraagd om duidelijkheid omtrent enkele door hem gestelde punten, zodat ik de overige erfgenamen op de hoogte kan stellen van de specificatie omtrent de door hem geclaimde pacht, en hen kan vragen of zij de mondelinge pachtovereenkomst al dan niet erkennen;

4. Er wordt een procedure opgestart voor een verkoop bij inschrijving binnen de familie. (..)

5. Na ontvangst van de biedingen zal door mij besloten worden of overgegaan kan worden tot gunning of dat een openbare verkoop zal worden opgestart, waarbij het belang van de nalatenschap voorop zal staan.”

3.2.9.

Bij e-mail van 28 april 2015 heeft mr. Van den Heuvel onder meer geantwoord:

“Tot andersluidend bericht mijnerzijds dient U er van uit te gaan dat mijn cliënten van oordeel zijn dat U niet bevoegd bent de goederen van de nalatenschap te gelde te maken en dat U evenmin bevoegd bent te beslissen over, zoals U het zegt, de mondelinge pachtovereenkomst claim (..).

Mijn vragen zijn de volgende. (..)

Vanwege de dringende aard van de zaak en de door U aangekondigde acties (ten aanzien waarvan het naar dezerzijds standpunt niet vast staat dat U er toe bevoegd bent) zie ik Uw antwoord op de onderhavige e-mail uiterlijk op (..) tegemoet (..).”

3.2.10.

Nadien hebben de notaris en mr. Van den Heuvel over en weer met elkaar gemaild over onder meer de verkoop van de registergoederen en de asbestvervuiling. Bij e-mail van 29 mei 2015 heeft de notaris de erfgenamen door middel van biedingsformulieren in de gelegenheid gesteld om de registergoederen te kopen. Deze biedingsformulieren dienden uiterlijk 1 juli 2015 in een gesloten envelop te worden afgeleverd bij het kantoor van de notaris.

3.2.11.

Op 5 juni 2015 heeft mr. Van den Heuvel per e-mail aan de notaris verzocht om een bevestiging dat (i) de notaris de verdeling respectievelijk verkoop van de onverdeelde nalatenschap van de moeder zou opschorten tot de rechter onherroepelijk uitspraak zou hebben gedaan over de vraag of [de heer Y] al dan niet pachter van (een deel van) die zaken is (procedure door klagers aanhangig gemaakt op 3 juni 2015) en (ii) de notaris zonder uitstel de nodige actie zou ondernemen ter verwijdering (indien nodig volgens de geldende regelgeving) van asbest en ter opheffing van de asbestvervuiling.

3.2.12.

De notaris heeft bij e-mail van 10 juni 2015 aan mr. Van den Heuvel – kort samengevat – bericht dat zij de ingezette verkoop bij inschrijving binnen de familie niet zal opschorten en dat zij geen aanwijzingen heeft dat sprake zou zijn van een acute noodzaak om de asbest te verwijderen maar dat zij – teneinde voor eens en voor altijd duidelijkheid te verkrijgen – daarnaar een onderzoek zal laten instellen. Bij e-mail van 12 juni 2015 heeft de notaris voormeld standpunt gehandhaafd.

3.2.13.

Op 18 juni 2015 hebben klagers de notaris in kort geding gedagvaard en daarbij gevorderd de notaris te verbieden de registergoederen te verdelen of te verkopen zolang die niet van asbestbesmetting zijn gesaneerd en de gewone rechter niet onherroepelijk zal hebben beslist of die registergoederen zijn gepacht door [de heer Y] . De mondelinge behandeling van dit kort geding is uiteindelijk bepaald op 8 juli 2015.

3.2.14.

Op 2 juli 2015 is de notaris uit informatie van de Belastingdienst gebleken dat het saldo van de nalatenschap van de moeder negatief is. De Belastingdienst heeft de notaris op die dag telefonisch meegedeeld dat de erfgenamen vorderingen hebben op de moeder uit hoofde van de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder tot een totaal bedrag van € 448.720,80.

3.2.15.

Bij brief van 6 juli 2015 heeft de notaris aan de rechtbank [plaats] (hierna: de rechtbank) onder meer het volgende bericht:

Ingevolge artikel 4:199 lid 2 Burgerlijk Wetboek dient ten spoedigste aan de kantonrechter te worden medegedeeld dat de schulden der beneficiair aanvaarde nalatenschap de baten overtreffen. Op 2 juli jongstleden is gebleken dat het saldo van bovengenoemde nalatenschap negatief is.

Ingevolge artikel (..) dient de nalatenschap (..) te worden vereffend, waardoor, (..), mijn taak als executeur eindigt.

Te uwer informatie voeg ik hierbij de boedelstaat met taxatierapport waaruit blijkt van het negatief saldo.”

3.2.16.

Bovenvermelde brief heeft de notaris op 6 juli 2015 aan de erfgenamen toegestuurd. Op diezelfde dag heeft de notaris op vragen van mr. Van den Heuvel per e-mail(s) onder meer het volgende bericht:

“(..) de volledige aanslag erfbelasting is met mij telefonisch doorgenomen. Het bedrag van
€ 448.720,80 is het uiteindelijke totale bedrag aan vorderingen die de kinderen nog hebben uit hoofde van hun vaders erfdeel.”

3.2.17.

Bij beschikking van de rechtbank van 10 augustus 2015 (hierna: de beschikking) heeft de kantonrechter onder meer verstaan dat is voldaan aan de verplichting als bedoeld in artikel 4:199 lid 2 BW en aan de erfgenamen als vereffenaars de aanwijzing gegeven om een (andere) vereffenaar te laten benoemen door de rechtbank, team Handelsrecht, locatie [plaats] . Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld.

4 Standpunt van klagers

Klagers stellen zich op het standpunt dat de notaris onzorgvuldig heeft gehandeld. Hun klacht bestaat uit de volgende vier onderdelen.

i. De notaris heeft ten onrechte haar taak als executeur niet neergelegd op het moment dat de erfgenamen de nalatenschap van de moeder beneficiair hadden aanvaard. Op 28 april 2015 heeft mr. Van den Heuvel de notaris daarop nog gewezen. Verder verwijzen klagers naar de beschikking (zie 3.2.17.) waarin de kantonrechter heeft vastgesteld dat de taak van de notaris als executeur is beëindigd door de beneficiaire aanvaarding. Deze beschikking heeft gezag van gewijsde.

ii. De notaris heeft ten onrechte nagelaten de ernstige asbestvervuiling op de registergoederen te saneren. Zelfs aan het advies om het terrein met hekken te omsluiten heeft zij niet voldaan.

iii. De notaris wilde ten onrechte de verkoop van de registergoederen doordrukken ondanks de asbestvervuiling, de door klagers en [mevrouw X] betwiste pachtclaim van [de heer Y] en de mededeling dat eerst duidelijkheid omtrent de pachtclaim diende te komen alvorens verkoop aan de orde zou zijn.

iv. De notaris heeft de rechtbank onjuist geïnformeerd omtrent de reden van het neerleggen van haar taak als executeur. De door de notaris gesignaleerde schulden bestaan niet. Klagers verwijzen naar de akte van verdeling van 6 mei 2011.

5 Standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

Nieuwe klachten

6.1.

Voor zover klagers op de zitting in hoger beroep nieuwe klachten hebben geformuleerd (onder meer betrekking hebbende op de door de notaris ten laste van de boedel in rekening gebrachte kosten), heeft te gelden dat het hof op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 4 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) een aan hem voorgelegde zaak opnieuw in volle omvang dient te behandelen en in die procedure voor de behandeling van in hoger beroep nieuwe geformuleerde klachten geen plaats is. Klagers zullen daarom in hun nieuwe klachten niet-ontvankelijk worden verklaard.

Incidenteel beroep

6.2.

Klagers hebben bij hun verweerschrift meegedeeld incidenteel beroep te willen instellen. Dit incidenteel beroep ziet op de klachtonderdelen ii., iii. en iv.

6.3.

Aangezien op de voet van artikel 107 lid 4 Wna de zaak opnieuw in volle omvang wordt behandeld, is geen noodzaak of plaats voor het instellen van incidenteel beroep als afzonderlijke rechtsingang. Het hof zal hetgeen klagers in dit verband hebben aangevoerd betrekken in de beoordeling van onderhavig hoger beroep.

Notaris als executeur-afwikkelingsbewindvoerder

6.4.

Voorop staat dat een notaris tuchtrechtelijk aansprakelijk kan zijn voor handelen in een andere hoedanigheid dan notaris dat voldoende verband houdt met zijn hoedanigheid van notaris in relatie tot het daarbij passende gedragsniveau, zonder dat het handelen uitsluitend aan een notaris is voorbehouden.

6.5.

In de onderhavige kwestie heeft de notaris gehandeld in hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Naar het oordeel van het hof houden de gedragingen van een executeur-afwikkelingsbewindvoerder voldoende verband met het daarbij passende gedragsniveau van een notaris, zodat de notaris zich voor haar handelen als executeur-afwikkelingsbewindvoerder tuchtrechtelijk moet verantwoorden.

Klachtonderdeel i.

6.6.

Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 4:149 lid 1 onder d BW in verbinding met artikel 4:202 lid 1 onder a BW eindigt de taak van een executeur wanneer de nalatenschap moet worden vereffend doordat zij door een of meer erfgenamen onder voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiair) is aanvaard. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering als er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen. De wet schrijft geen termijn voor waarbinnen dit moet worden aangetoond.

6.7.

De notaris heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel aangevoerd dat zij op het tijdstip van de beneficiaire aanvaarding bekend was met een positief saldo van de nalatenschap (woning ongeveer € 300.000,- en banksaldi van ongeveer € 75.000,-). Met schulden/vorderingen van de erfgenamen op de moeder was zij op dat moment niet bekend. Die bleken niet uit het uittreksel van de akte van verdeling van 6 mei 2011 waarover zij destijds beschikte (daarin stond enkel vermeld dat de deelgenoten elkaar ter zake van de verdeling volledige kwijting verleenden) en ook uit de door de erfgenamen aan haar verstrekte informatie kwamen die schulden niet naar voren. Het neerleggen van haar taak als executeur was dan ook (nog) niet aan de orde, aldus de notaris.

6.8.

Het hof overweegt als volgt. Gebleken is dat de notaris op het tijdstip van de beneficiaire aanvaarding - mede met het oog op de door haar nog op te stellen boedelbeschrijving - nog bezig was met haar onderzoek naar de samenstelling en omvang van de nalatenschap. Het hof acht genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de notaris, gezien de informatie waarover zij op dat moment beschikte, op dat moment niet anders kon concluderen dan dat de nalatenschap van de moeder ruimschoots toereikend was. Naar het oordeel van het hof was zij destijds niet genoodzaakt de volledige akte van verdeling van 6 mei 2011 op te vragen. De inhoud van het uittreksel van die akte geeft daartoe geen enkele aanleiding.

6.9.

Gezien het vorenstaande valt het de notaris dan ook niet te verwijten dat zij haar functie als executeur op 19 januari 2015 niet heeft neergelegd.

6.10.

De stelling van klagers dat mr. Van den Heuvel de notaris erop heeft gewezen dat zij niet langer haar taak als executeur mocht uitoefenen, volgt het hof niet. Dit volgt niet uit de e-mail van 28 april 2015. Weliswaar wordt in die e-mail gesproken over de bevoegdheid van de notaris als executeur, maar die bevoegdheid ziet op het wel of niet te gelde mogen maken van de goederen van de nalatenschap en het wel of niet mogen geven van een beslissing ten aanzien van de mondelinge pachtovereenkomst claim van [de heer Y] . Verder oordeelt het hof dat, anders dan klagers menen, uit de beschikking (zie 3.2.17.) niet blijkt dat daarin is vastgesteld dat de taak van de notaris als executeur is geëindigd door de beneficiaire aanvaarding op 19 januari 2015.

6.11.

Gelet op het vorenstaande is klachtonderdeel i., anders dan de kamer heeft geoordeeld, ongegrond.

6.12.

Ten overvloede overweegt het hof dat het in de praktijk aanbeveling verdient dat de notaris (in zijn/haar hoedanigheid van executeur) uitdrukkelijk communiceert met erfgenamen over (de gevolgen van de) inhoud van bovenvermelde wetsartikelen.

Klachtonderdeel ii.

6.13.

De notaris heeft zich ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt verweerd. Volgens de notaris was er geen directe noodzaak om te saneren. In 2013 en 2014 zijn er rapportages gemaakt en in augustus 2015 is in opdracht van de notaris nog een rapportage uitgebracht. Uit deze rapportages bleek geen directe noodzaak om te saneren. Wel werd geadviseerd om het terrein met hekken te omsluiten. De notaris heeft vervolgens besloten om niet tot volledige sanering over te gaan, maar dit voor risico van de toekomstige koper te laten komen. Een volledige sanering op kosten van de nalatenschap van de moeder werd bovendien niet door alle erfgenamen gedragen (met name [de heer Y] was hierop tegen). De notaris heeft voor het plaatsen van hekken bij twee bedrijven een offerte aangevraagd. De opdracht tot het plaatsen van hekken heeft de notaris niet meer kunnen verstrekken, omdat haar functie als executeur toen al was geëindigd.

6.14.

De kamer heeft, gelet op hetgeen de notaris naar voren heeft gebracht, geoordeeld dat de notaris op juiste wijze heeft gehandeld en klachtonderdeel ii. dan ook ongegrond verklaard. Het hof verenigt zich met dit oordeel van de kamer. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die een ander oordeel rechtvaardigen.

Klachtonderdeel iii.

6.15.

De kamer heeft in de bestreden beslissing ten aanzien van klachtonderdeel iii., samengevat, het volgende overwogen. De asbestvervuiling staat niet in de weg aan verkoop en dus ook niet aan verkoop bij inschrijving binnen de familie. Daarbij heeft de kamer in aanmerking genomen dat een volledige sanering op kosten van de nalatenschap van de moeder niet door alle erfgenamen werd gedragen. Volgens de kamer staat ook de onduidelijkheid rondom de pachtclaim niet in de weg aan verkoop bij inschrijving binnen de familie. In dit stadium van de afwikkeling van de boedel, aldus nog steeds de kamer, kan niet worden gesproken van doordrukken van de verkoop van de registergoederen (zoals klagers de notaris verwijten), nu sprake is van voorbereidende handelingen van de notaris voor een verkoop bij inschrijving tussen de erfgenamen. Het door klaagster 2 en [mevrouw X] uitgebrachte bod (nog voordat er een pachtclaim bestond) lag boven de taxatiewaarde. De kamer heeft dit klachtonderdeel dan ook ongegrond verklaard.

6.16.

Het hof verenigt zich met het oordeel van de kamer, de gronden waarop dit oordeel berust en neemt dit oordeel over. Ook ten aanzien van dit klachtonderdeel zijn in hoger beroep geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die een ander oordeel rechtvaardigen. Dit betekent dat klachtonderdeel iii. ongegrond is.

Klachtonderdeel iv.

6.17.

Ter zitting in hoger beroep heeft de notaris het volgende aangevoerd. Halverwege maart 2015 heeft de notaris de Belastingdienst verzocht om informatie ten aanzien van het overlijden van de vader, doch tevergeefs. In juli 2015 heeft de notaris opnieuw contact opgenomen met de Belastingdienst. Toen heeft zij telefonisch vernomen dat de nalatenschap van de moeder negatief was. Het verstrekken van de opgave via de post zou nog zes tot acht weken duren en daarop wachten achtte de notaris niet verantwoord. Bij brief van 6 juli 2015 heeft zij de kantonrechter bericht overeenkomstig artikel 4:199 lid 2 BW.

6.18.

Naar het oordeel van het hof heeft de notaris juist gehandeld. Zij heeft de kantonrechter naar eer en geweten geïnformeerd over de (schulden van de) nalatenschap van de moeder. Dat de door de Belastingdienst verstrekte informatie achteraf niet juist bleek te zijn, zoals klagers aanvoeren, kan de notaris niet worden verweten. Zij mocht op de (mondelinge verstrekte) informatie van de Belastingdienst vertrouwen. Het hof merkt daarbij ten overvloede nog op dat niet is komen vast te staan dat de door de Belastingdienst verstrekte informatie onjuist is, nu in de akte van verdeling van 6 mei 2011 op pagina 12 (4e tot en met 8e regel) staat vermeld dat is overeengekomen dat de door de kinderen van de vader wegens toedeling in te brengen waarde, niet zal worden verrekend met hun erfdeel, zodat zij hun vordering (ieder ten bedrage van
€ 119.759,-) op de moeder behouden. Niet is gebleken van betaling door de moeder bij leven van deze bedragen. Het had bovendien op de weg van klagers of hun adviseur gelegen de notaris desgevraagd naar behoren te informeren over de afwikkeling van de nalatenschap van hun vader en de schulden die daaruit zijn ontstaan voor hun moeder; dat hebben zij niet gedaan. Dit klachtonderdeel is dan ook, zoals ook de kamer heeft geoordeeld, ongegrond.

6.19.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.20.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- verklaart klagers niet-ontvankelijk in de in hoger beroep nieuw geformuleerde klachten;

- vernietigt de bestreden beslissing voor wat betreft klachtonderdeel i. en de opgelegde maatregel;

en, in zoverre opnieuw beslissende:

- verklaart klachtonderdeel i. ongegrond;

- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, J.H. Lieber en T.K. Lekkerkerker en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2017 door de rolraadsheer.