Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1298

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-04-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
15/00850 en 15/00851
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. In geschil is primair of de voertuigen nieuw of gebruikt zijn. Subsidiair is in geschil of artikel 110 van het VwEU er toe noopt dat artikel 10b van de Wet BPM ook toegepast kan worden op nieuwe voertuigen.

Hoger beroep belanghebbende ongegrond onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 27 januari 2017, nrs. 16/02949 en 16/03401.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/30.17.1
V-N Vandaag 2017/984
FutD 2017-1118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 15/00850 en 15/00851

6 april 2017

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X BV] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: mr. J. Rolleman (AMD automotive fiscalisten B.V.)

tegen de uitspraak van 20 november 2015 in de zaak met kenmerken HAA 15/184 en 15/185 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

In de zaak met kenmerk 15/00850 (HAA 15/184)

1.1.1.

Belanghebbende heeft op 28 juli 2014 aangifte van belasting van personenauto’s

en motorrijwielen (hierna: BPM) gedaan ter zake van de registratie van een personenauto van het merk Renault, type Mégane Estate 1.5 dCi Bose met het voertuigidentificatienummer [XXX] (hierna: de Renault) voor een te betalen bedrag van € 1.627. Belanghebbende heeft dit bedrag op 1 augustus 2014 voldaan.

1.1.2.

Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt.

1.1.3.

De inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak, gedagtekend 26 december 2014,

ongegrond verklaard.

In de zaak met kenmerk 15/00851 (HAA 15/185)

1.2.1.

Belanghebbende heeft op 18 februari 2014 aangifte van belasting van personenauto’s

en motorrijwielen (hierna: BPM) gedaan ter zake van de registratie van een personenauto van het merk Volvo, type V40 1.6 D2 Momentum met het voertuigidentificatienummer [XXXX] (hierna: de Volvo) voor een te betalen bedrag van € 1.627. Belanghebbende heeft dit bedrag op 20 februari 2014 voldaan.

1.2.2.

Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt.

1.2.3.

De inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak, gedagtekend 26 december 2014,

ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de onder 1.1.3. en 1.2.3. vermelde uitspraken beroep

ingesteld. De rechtbank heeft in haar uitspraak:

  • -

    het beroep HAA 15/184 ongegrond verklaard;

  • -

    het beroep HAA 15/185 gegrond verklaard;

  • -

    de uitspraak op bezwaar van 16 december 2014 vernietigd;

  • -

    de verschuldigde bpm voor de Volvo tot € 1.010 verminderd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    de inspecteur gelast aan belanghebbende rente te vergoeden op basis van de onder 22 van de rechtbankuitspraak beschreven uitgangspunten;

  • -

    de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.593;

  • -

    de inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 331 aan belanghebbende te vergoeden.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 11

december 2015. De inspecteur heeft op 24 februari 2017 een verweerschrift ingediend en daarbij, in de zaak met kenmerk 15/00851, incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2017. Van het verhandelde

ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in de onderdelen 1 tot en met 3 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“1. Eiseres handelt in onder andere personenauto’s.

2. Eiseres heeft op 25 juli 2014 aangifte bpm gedaan voor de Renault, met een datum van eerste toelating in Duitsland van 23 december 2013. Eiseres heeft de te betalen bpm berekend op € 1.627 met gebruikmaking van de afschrijvingstabel en met toepassing van het tarief 2014. Het Nederlandse kenteken ([kenteken 1]) van dit voertuig is op 2 september 2014 op naam gesteld.

3. Eiseres heeft op 17 februari 2014 aangifte bpm gedaan voor de Volvo, met een datum van eerste toelating in Italië van 18 december 2013. Eiseres heeft de te betalen bpm berekend op € 1.627 met gebruikmaking van de afschrijvingstabel en met toepassing van het tarief 2014. Het Nederlandse kenteken ([kenteken 2]) van dit voertuig is op 28 februari 2014 op naam gesteld.”

3 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof primair in geschil of de voertuigen nieuw of gebruikt zijn. Subsidiair is in geschil of artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VwEU) er toe noopt dat artikel 10b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) ook toegepast kan worden op nieuwe voertuigen.

Ter zitting heeft de inspecteur zijn incidenteel hoger beroep in de zaak met zaaknummer 15/00851 ingetrokken.

4 Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

“Nieuw/gebruikt

7. De rechtbank stelt om te beginnen vast dat de Leidraad BPM 2006, waarin een definitie werd gegeven van het begrip ‘gebruikt’ en waarnaar in de uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:997 en ECLI:NL:GHARL:2014:998) wordt verwezen, op de datum van eerste toelating van c.q. de aangifte voor de voertuigen niet meer geldig was. Dit betekent dat hierin geen reden kan worden gevonden om de voertuigen als gevolg van de afgifte van een Duits kenteken op 23 december 2013 respectievelijk een Italiaans kenteken op 18 december 2013 als gebruikt aan te merken.

8. Eiseres erkent weliswaar dat de Leidraad BPM 2006 op de datum van eerste toelating niet meer geldig was, maar stelt zich op het standpunt dat in het Kaderbesluit BPM, dat de leidraad heeft vervangen, geen nieuwe regeling is getroffen en dat de reden hiervoor haars inziens niet is dat het beleid op dit punt zou zijn gewijzigd, maar dat de Staatssecretaris van Financiën de beleidsbesluiten heeft willen beperken tot goedkeurende standpunten. Gelet op de tekst van het Kaderbesluit BPM en de ontkenning door verweerder, acht de rechtbank het standpunt van eiseres niet aannemelijk. De Leidraad BPM 2006 is op 15 juni 2010 ingetrokken, dus na de uitspraak van de Hoge Raad van 29 mei 2009, waarin is geoordeeld dat ondanks een eerdere kentekenregistratie toch sprake kan zijn van een nieuw voertuig. Het ligt dan ook niet voor de hand om ervan uit te gaan dat de Staatssecretaris van Financiën aan de in de Leidraad BPM 2006 gehanteerde definitie voor een gebruikt voertuig heeft willen vasthouden.

9. Of de voertuigen als nieuw of als gebruikt moeten worden aangemerkt, hangt af van alle relevante omstandigheden. De rechtbank merkt als dergelijke omstandigheden aan het aantal gereden kilometers en eventuele gebruikssporen. De voertuigen zijn nieuw indien zij niet of nauwelijks zijn gebruikt. Beide voertuigen hadden ten tijde van de aangifte niet meer dan 10 kilometer gereden en vertoonden geen gebruikssporen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat beide voertuigen niet of nauwelijks zijn gebruikt, zodat zij als nieuw moeten worden aangemerkt.

10. De overige argumenten die eiseres in dit verband heeft aangedragen brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. Eiseres verwijst naar de teruggaafregeling bij uitvoer en de tabel in artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM. Eiseres leidt uit het systeem van de regelgeving af dat het aantal gereden kilometers en gebruikssporen geen rol spelen. De rechtbank volgt dit niet. Of een voertuig nieuw is of gebruikt, is een feitelijke beoordeling, die afhankelijk is van de kenmerken van het individuele voertuig. Dit kan niet uit het systeem of de context van de regelgeving worden afgeleid.

11. De conclusie voor wat betreft het primaire geschilpunt luidt dat beide voertuigen als nieuw moeten worden aangemerkt. Dit betekent dat de bpm in de beide aangiften in beginsel op het juiste bedrag is berekend.

Vergelijkingsobjecten

12. Artikel 10, eerste lid, van de Wet BPM (tekst 2014) luidt als volgt:

“Met betrekking tot gebruikte personenauto's, gebruikte motorrijwielen of gebruikte bestelauto's wordt het bij de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto behorende bedrag aan belasting, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, berekend met inachtneming van een vermindering.”

13. Artikel 10b van de Wet BPM (tekst 2014) luidt als volgt:

“1. Indien het bedrag van de belasting op enig tijdstip sinds eerste ingebruikneming van een gebruikt motorrijtuig, ingevolge de wettelijke bepalingen met betrekking tot de maatstaf van heffing en het tarief zoals die op dat tijdstip golden, lager is dan het bedrag van de belasting ingevolge artikel 9, na toepassing van artikel 9b, kan, in afwijking van artikel 10, eerste lid, dat lagere bedrag aan belasting worden toegepast.

2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.”

14. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bepaald dat de lidstaten niet onbeperkt bevoegd zijn om nieuwe belastingen in te voeren of het tarief van of de maatstaf van heffing voor bestaande belastingen te wijzigen. Zij zijn daarbij onder meer beperkt door hetgeen is neergelegd in artikel 110 van het VwEU. Het in artikel 110 van het VwEU geformuleerde verbod geldt voor alle belastingen waardoor de invoer van goederen uit andere lidstaten kan worden afgeremd ten gunste van nationale producten. Derhalve mogen de lidstaten geen nieuwe belastingen invoeren of wijzigingen aanbrengen in bestaande belastingen die tot doel of gevolg hebben dat de verkoop van ingevoerde producten wordt ontmoedigd ten voordele van de verkoop van gelijksoortige producten die beschikbaar zijn op de binnenlandse markt en op deze markt werden gebracht vóór de inwerkingtreding van deze belastingen of wijzigingen.

15. Eiseres stelt zich op het standpunt dat, omdat het in de onderhavige zaken gaat om qua merk en type zeer gangbare voertuigen, als gelijksoortige voertuigen zijn aan te merken de ten tijde van het belastbare feit op de binnenlandse markt volop aanwezige voertuigen van dezelfde merken en typen met het bouwjaar 2013, waarvoor BPM is voldaan op basis van de tarieftabel van artikel 9 van de Wet BPM, zoals deze luidde in 2013. Verweerder heeft zijn stelling dat niet aannemelijk is dat de referentievoertuigen die belast zijn naar het tot 1 januari 2014 geldende tarief ook maanden daarna nog als nieuw en ongebruikt konden worden aangemerkt, niet onderbouwd, aldus eiseres.

16. Verweerder verwijst naar de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 juli 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:5997) en stelt zich op het standpunt dat onder referentievoertuigen moeten worden verstaan andere nieuwe en ongebruikte personenauto’s van hetzelfde merk en model als de onderhavige, die eveneens na 1 januari 2014 in Nederland zijn ingevoerd. Verweerder stelt dat het niet aannemelijk is dat de referentievoertuigen die belast zijn naar het tot 1 januari 2014 geldende tarief ook maanden daarna nog als nieuw en ongebruikt konden worden aangemerkt, zodat dergelijke voertuigen niet als referentievoertuigen kunnen worden beschouwd. De voertuigen zoals opgenomen in bijlage 5 bij de beroepschriften zijn niet de juiste referentievoertuigen aangezien de invoer en de tenaamstelling al in 2013 hebben plaatsgevonden.

17. De rechtbank volgt verweerder in zijn conclusie dat wanneer sprake is van een nieuw voertuig, dit dient te worden vergeleken met nieuwe referentievoertuigen die zich op de Nederlandse markt bevinden. De voertuigen van hetzelfde merk en hetzelfde type die in 2013 in gebruik zijn genomen, zijn in 2014 niet de juiste referentievoertuigen. Deze voertuigen zullen meer kilometers hebben gereden en min of meer gebruikssporen hebben. De eigenschappen en kenmerken van deze voertuigen zijn dus niet vergelijkbaar met die van de Renault c.q. de Volvo. Voor de potentiële gegadigde zullen deze voertuigen minder aantrekkelijk zijn dan de Renault c.q. de Volvo, die eiseres heeft ingevoerd. Voor wat betreft de door eiseres aangedragen voorbeelden valt uit de verstrekte informatie niet af te leiden hoe de bpm voor deze voertuigen is berekend en of verweerder al dan niet heeft besloten om een naheffingsaanslag op te leggen.

18. De conclusie luidt dat het gelijk op het subsidiaire geschilpunt aan verweerder is.

Overgangsregeling tarief

19. Artikel 16a, eerste lid, van de Wet BPM (tekst 2014):

“In geval van een verhoging van de in artikel 9 opgenomen tarieven wordt voor een personenauto, motorrijwiel of bestelauto waarvoor voorafgaande aan het tijdstip waarop de verhoging in werking treedt, een kentekenbewijs is afgegeven dat nog niet is tenaamgesteld, de belasting berekend op de voet van artikel 9, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding, mits de tenaamstelling van het kenteken plaatsvindt binnen twee maanden na de inwerkingtreding. Indien de tenaamstelling plaatsvindt nadat deze twee maanden zijn verstreken, wordt de belasting berekend op de voet van artikel 9, zoals dat luidt nadat de verhoging in werking is getreden.”

20. Het meer subsidiaire standpunt heeft uitsluitend betrekking op de Volvo (HAA 15/185). Tussen partijen is niet in geschil dat in Italië voor de Volvo in 2013 een kentekenbewijs is afgegeven. Het standpunt van verweerder, dat enkel omdat het (Nederlandse) kentekenbewijs deel 1a pas is afgegeven in 2014, een beroep op de overgangsregeling niet slaagt, komt naar het oordeel van de rechtbank neer op discriminatie naar nationaliteit. Indien voor de Volvo in 2013 een Nederlands kentekenbewijs was afgegeven in plaats van een Italiaans, was de overgangsregeling van artikel 16a van de Wet BPM wel toegepast. Voertuigen met een kentekenbewijs uit een andere lidstaat worden, hoewel zij overigens vergelijkbaar zijn, dientengevolge zwaarder belast. Aangezien discriminatie naar nationaliteit door het VwEU is verboden, dient artikel 16a, eerste lid, van de Wet BPM zo te worden gelezen, dat het begrip “kentekenbewijs” niet alleen betrekking heeft op een Nederlands deel 1a, maar ook op een gelijkwaardig kentekenbewijs afgegeven in een andere lidstaat.

21. De conclusie voor wat betreft het meer subsidiaire standpunt luidt dat het gelijk aan eiseres is. De verschuldigde bpm voor de Volvo dient te worden verminderd tot € 1.010.

22. Het verschil tussen € 1.627 en € 1.010 is in strijd met het Unierecht geheven. Eiseres heeft daarom recht op een passende vergoeding voor het verlies dat zij als gevolg van de onverschuldigde betaling van belasting heeft geleden. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de in de Awr neergelegde rentevoet aan dit vereiste. Dit is anders voor de in de Awr neergelegde termijn. Toepassing van het arrest Mariana Irimie (Hof van Justitie van de Europese Unie, 18 april 2013, C-565/11) brengt mee dat rente moet worden vergoed over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die van de betaling van de onverschuldigde bpm en eindigt op de dag waarop het desbetreffende bedrag wordt terugbetaald. Nu niet bekend is op welke dag de terugbetaling zal plaatsvinden of wellicht al heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank verweerder gelasten de rentevergoeding te berekenen op de wijze zoals hiervoor omschreven. Het aldus berekende bedrag dient te worden verminderd met eventuele rente die reeds is vergoed.

23. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep HAA 15/184 ongegrond te worden verklaard en dient het beroep HAA 15/185 gegrond te worden verklaard.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep haar door de rechtbank verworpen stellingen herhaald dat als gevolg van de registratie in Duitsland (Renault, zaaknr. 15/00850), respectievelijk Italië (Volvo, zaaknr. 15/00851), sprake is van gebruikte auto’s en dat, zo dit anders mocht zijn, artikel 110 VWEU er toe dwingt dat artikel 10b Wet BPM ook toepassing kan vinden op nieuwe auto’s, zodat hoe dan ook het in 2013 geldende BPM-tarief toepassing dient te vinden en niet het tarief van 2014. Beide auto’s hebben een CO2-uitstoot van 88 gram per kilometer, zodat de verschuldigde BPM voor beide auto’s volgens het tarief van 2013 € 1.010 bedraagt (18 gr x € 56,13) en volgens het tarief van 2014 € 1.627 (3 gr x € 105 + 18 gr x € 72,93). Naast het historische tarief wenst belanghebbende, indien sprake is van een gebruikte auto, alsnog in aanmerking te komen voor de in artikel 10 van de Wet BPM genoemde vermindering (afschrijving).

5.2.

Ten aanzien van de Volvo heeft te gelden dat de rechtbank reeds heeft geoordeeld dat het belastingbedrag dient te worden verminderd tot € 1.010, op grond van artikel 16a Wet BPM, gelezen in samenhang met het VWEU. De inspecteur heeft zijn tegen dit oordeel gerichte incidenteel hoger beroep ter zitting ingetrokken (omdat het niet tijdig was ingediend), zodat voornoemd oordeel van de rechtbank onherroepelijk vaststaat. Belanghebbende heeft ook na voornoemde vermindering nog een belang bij haar hoger beroep in zaak 15/00851 omdat, zo belanghebbendes primaire stelling dat de auto ‘gebruikt’ is slaagt, zij in aanmerking komt voor de in artikel 10 van de Wet BPM genoemde vermindering, hetgeen leidt tot een verdere verlaging van het belastingbedrag.

5.3.

De door belanghebbende in het hogerberoepschrift aangevoerde argumenten voor haar primaire stelling dat de auto’s als gebruikt dienen te worden aangemerkt omdat zij voorafgaand aan de registratie in Nederland reeds in een andere lidstaat van de Europese Unie zijn geregistreerd, zijn alle door de Hoge Raad verworpen in zijn arresten van 27 januari 2017, nr. 16/02949 (ECLI:NL:HR:2017:78) en nr. 16/03401 (ECLI:NL:HR:2017:79) waarin de Hoge Raad in vergelijkbare gevallen het volgende heeft overwogen:

16/02949

2.3.1.

De klachten richten zich tegen het hiervoor in 2.2.2 omschreven oordeel van het Hof dat de auto’s niet als gebruikte personenauto’s, bedoeld in artikel 10, lid 1, van de Wet, kunnen worden aangemerkt. In dit verband voeren de klachten ook aan dat dit oordeel in strijd zou komen met het systeem van de Wet, aangezien - zo betogen de klachten - bij de berekening van terug te geven bpm in geval van overbrenging van dergelijke auto’s naar het buitenland voor de toepassing van artikel 14a van de Wet in samenhang gelezen met artikel 8d, lid 1, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling bpm) wordt uitgegaan van de datum van eerste toelating tot de openbare weg.

2.3.2.

In het arrest van 29 januari 2016, nr. 14/01502, ECLI:NL:HR:2016:119, BNB 2016/69 (hierna: het arrest BNB 2016/69), onderdeel 4.2, heeft de Hoge Raad overwogen dat de Wet voor de berekening van de verschuldigde bpm onderscheid maakt tussen een nieuwe personenauto en een gebruikte personenauto. In dit arrest heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar het arrest van 14 september 2012, nr. 12/00848, ECLI:NL:HR:2012:BX7199, BNB 2012/280, herhaald dat onder een nieuwe personenauto moet worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest. Een personenauto die niet als een nieuwe personenauto in voormelde zin kan worden aangemerkt, moet daarom – zo volgt uit het arrest BNB 2016/69 – als een gebruikte personenauto in de zin van de Wet worden aangemerkt.

Het oordeel van het Hof dat artikel 10 van de Wet niet van toepassing is omdat de auto’s na de vervaardiging niet of nauwelijks zijn gebruikt en daarom geen gebruikte personenauto’s zijn, getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De klachten falen in zoverre.

Het door de klachten gehouden betoog dat dit resultaat zou leiden tot strijd met het systeem van de Wet vanwege het bepaalde in artikel 14a van de Wet in samenhang gelezen met artikel 8d, lid 1, van de Uitvoeringsregeling bpm wordt verworpen. Volgens artikel 8d, lid 1, tweede volzin, van de Uitvoeringsregeling bpm wordt bij de berekening van het terug te geven bedrag aan bpm in geval van de overbrenging van in Nederland geregistreerde personenauto’s naar het buitenland, rekening gehouden met de verstreken tijdsduur “sinds het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen”, hetgeen inhoudt dat de desbetreffende personenauto niet alleen moet zijn toegelaten tot de openbare weg maar ook dat deze sindsdien daadwerkelijk in gebruik moet zijn genomen. Voor een uit het buitenland afkomstige personenauto die ten tijde van de registratie in Nederland niet of nauwelijks is gebruikt en daarom als nieuwe personenauto moet worden aangemerkt, is een verstrijken van vorenbedoelde tijdsduur niet aan de orde. De door de klachten voorgehouden strijdigheid doet zich dan ook niet voor. De klachten falen ook in zoverre.

16/03401

2.4.2.

Belanghebbende heeft voor het Hof een beroep gedaan op het bepaalde in paragraaf 7.5.2 van het Besluit van 23 december 1992, nr. VB92/2876, Leidraad belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, Stcrt. 1993, 1, zoals nadien gewijzigd (hierna: de Leidraad BPM 2006). Volgens belanghebbende heeft dat beleid, gelet op hetgeen is neergelegd in de preambule van het Besluit van 4 juni 2010, nr. DGB/2010/1670M, Stcrt. 2010, 9057 (hierna: het Kaderbesluit bpm) ook na de intrekking van de Leidraad BPM 2006 met ingang van 16 juni 2010 zijn gelding behouden.

Dit betoog faalt. De Leidraad BPM 2006 was ten tijde van het voldoen op aangifte van de verschuldigde bedragen aan bpm met het oog op de registratie van de auto’s ingetrokken en vervangen door het Kaderbesluit bpm. In laatstgenoemd besluit is niet een passage opgenomen als die welke in paragraaf 7.5.2 van de Leidraad BPM 2006 was neergelegd en die inhield dat het begrip gebruikte motorrijtuigen onder meer ziet op “motorrijtuigen waarvoor een kenteken is toegekend, afgegeven, gedateerd en op naam gesteld”. Het arrest BNB 2016/69 houdt in dat deze passage begunstigend beleid vormde. Aan de preambule van het daarvoor in de plaats getreden Kaderbesluit bpm kan niet worden ontleend dat de minister van Financiën na de intrekking van de Leidraad BPM 2006 dit begunstigende beleid heeft willen voortzetten.

Aangezien voor de auto’s bpm is voldaan na de intrekking van de Leidraad BPM 2006, kan voor de auto’s niet met vrucht - met voorbijgaan aan de hiervoor in 2.3.1 vermelde uitlegging van de Wet - een beroep worden gedaan op het in dat besluit neergelegde beleid.

5.4.

Belanghebbende heeft ter zitting betoogd dat voormelde rechtspraak van de Hoge Raad onjuist is, voor zover de Hoge Raad oordeelt dat auto’s als de onderwerpelijke, ondanks de eerdere registratie in een andere lidstaat van de Europese Unie, als ‘nieuw’ dienen te worden aangemerkt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de Hoge Raad ten onrechte voorbij is gegaan aan rechtspraak van het Hof van Justitie (HvJ) en wijst in dit verband in de eerste plaats op punt 33 van het arrest HvJ 14 april 2015, C-76/14 (Mihai Manea). Naar ’s Hofs oordeel werpt genoemde overweging geen ander licht op de zaak, reeds omdat de door belanghebbende in haar pleitnota aangehaalde tekst afkomstig is uit de conclusie van Advocaat Generaal Szpunar en niet uit het arrest van het Hof van Justitie. Ook overigens acht het Hof genoemd arrest niet relevant voor de beantwoording van de vraag wanneer een voertuig nieuw, dan wel gebruikt is. In de tweede plaats heeft belanghebbende een beroep gedaan op punt 23 van het arrest HvJ 19 december 2013, C-437/12 (X). Deze overweging ziet evenwel op producten die op de markt voor tweedehands voertuigen worden aangeboden, zodat deze overweging niet in de weg staat aan de oordelen van de Hoge Raad inzake de kwestie of een voertuig als ‘nieuw’ dan wel als ‘gebruikt’ moet worden aangemerkt.

5.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat beide auto’s ten tijde van de aangifte niet meer dan 10 kilometer hadden gereden en geen gebruikssporen vertoonden. Nu daarmee vaststaat dat de auto’s na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik zijn geweest, dienen beide auto’s als nieuw te worden gekwalificeerd. Het hoger beroep faalt in zoverre.

5.6.

Bij deze stand van het geding houdt partijen – uitsluitend ten aanzien van de Renault (zaaknr. 15/00850) – verdeeld of artikel 110 VWEU met zich brengt dat het bepaalde in artikel 10b Wet BPM (toepassing historisch/tussenliggend tarief) ook toepassing dient te vinden op nieuwe auto’s welke reeds in een andere lidstaat van de Europese Unie geregistreerd zijn geweest. Ook deze rechtsvraag is al beantwoord in voornoemd arrest van 27 januari 2017, 16/03401 (ECLI:NL:HR:2017:79), waarin de Hoge Raad als volgt heeft geoordeeld:

2.4.1.

De hiervoor in 2.1.2 vermelde feiten laten geen andere conclusie toe dan dat de auto’s na de vervaardiging niet of nauwelijks zijn gebruikt. Zij kunnen daarom niet worden beschouwd als gebruikte personenauto’s in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet.

(…)

2.4.4.

Tot slot faalt eveneens het voor het Hof gehouden betoog van belanghebbende dat ook indien de Alfa Romeo als een nieuwe personenauto moet worden beschouwd, artikel 10b, lid 1, van de Wet moet worden toegepast. Die bepaling is naar tekst en strekking slechts van toepassing op in Nederland te registreren gebruikte personenauto’s waarvoor op het tijdstip dat zij voor het eerst in gebruik zijn genomen, ingevolge de wettelijke bepalingen met betrekking tot de maatstaf van heffing en het tarief, een lager bedrag aan bpm zou zijn geheven. Uit het hiervoor in 2.4.1 overwogene volgt dat artikel 10b, lid 1, van de Wet toepassing mist, aangezien - anders dan belanghebbende voor het Hof aanvoerde - de eerste toelating tot de openbare weg in Italië niet volstaat om de Alfa Romeo als een gebruikte personenauto in de zin van dit artikellid aan te merken.

5.7.

Belanghebbende heeft in hoger beroep geen argumenten aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden, zodat ook in zoverre het hoger beroep faalt.

Slotsom

5.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, C.J. Hummel en

W.M.C. Schipper, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 6 april 2017 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.