Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1285

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-04-2017
Datum publicatie
18-04-2017
Zaaknummer
200.200.105/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in kort geding tot opheffing van een toegangsverbod tot een winkelcentrum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1

zaaknummer : 200.200.105/01 KG

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/246138/KG ZA 16-556

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 april 2017

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. R.J.A. Verhoeven te Alkmaar,

tegen

WERELDHAVE MANAGEMENT NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

geïntimeerde,

advocaat: mr. W. Raas te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Wereldhave genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 26 september 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 augustus 2016, in kort geding gewezen tussen [appellant] als eiser en Wereldhave als gedaagde. [appellant] heeft in de appeldagvaarding (twee) grieven aangevoerd. Hij heeft daarbij ook een productie ingediend.

Wereldhave heeft een memorie van antwoord met een productie ingediend.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [appellant] als aan het slot van zijn appeldagvaarding vermeld zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

Wereldhave heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten met rente en de nakosten.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 13 februari 2017 doen bepleiten, [appellant] door mr. Verhoeven voornoemd en Wereldhave door mr. Raas voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

Wereldhave is eigenaar van de gangen en algemene passages in het overdekte

winkelcentrum [X] te [plaats] (hierna ook te noemen: het

winkelcentrum).

2.2.

Bij e-mailbericht van 11 maart 2016 heeft de supermarktmanager van de Albert

Heijn XL, gevestigd in het winkelcentrum, het navolgende meegedeeld aan een

medewerkster van de politie:

“We hebben een ‘klant’ die onze caissières lastig valt. Hij staat ze een tijd aan te staren vanuit de winkel of kassarij en vanuit de passage die voor onze winkel loopt. Mijn assistente, [A] (..), heeft hem in februari aangesproken op het feit dat we er niet van gediend zijn dat hij onze caissières lastig valt en dat hij daarmee moet stoppen. Zijn antwoord is dat het Albert Heijn’s eigen schuld is, want we nemen zulke mooie caissières aan. Hij gaf aan zich beter te gaan gedragen.

De laatste weken heeft hij tegen 2 caissières gezegd: “wat een mooie broek heb je aan en wat komt je kont/billen hier mooi in uit.” Dit is volgens mij seksuele intimidatie. Hij vraagt ook wat caissières die avond gaan doen. Eén van de caissières gaf aan te gaan oppassen. Hij bood aan om dat samen te gaan doen. We hebben het hier over jonge caissières tot 19 jaar.

Afgelopen maandag rond 18:20 liep de man de winkel uit en heeft [A] (..) hem hiermee geconfronteerd. Ze heeft hem aangesproken dat hij hier direct mee moet ophouden en anders niet meer welkom is in onze winkel en een winkelverbod zal krijgen. Hij gaf aan niet meer te komen. Hij is even later toch terug gekomen om de naam van [A] (..) te vragen in verband met het indienen van een klacht. Tevens heeft hij aan de teamleidster kassa gevraagd of we echt zo’n last van hem hebben. Dat heeft ze beaamd en dat ook haar collega’s echt last van hem hebben. (..)

Inmiddels weten we wie deze man is. hij heet [appellant]

(..)

Wij willen deze man een winkelverbod geven, wanneer hij weer in de winkel komt (..)

Ik geef dit aan omdat het volgens mijn medewerkers een enge vent is.

(..)

Misschien kunnen jullie hem eens ‘natrekken’. Als hij het bij ons doet, dan doet hij het vast ook ergens anders. En, we praten dus over caissières van 16 tot 19 jaar!”

2.3.

Op 1 juli 2016 heeft voormelde supermarktmanager het volgende per e-mail aan dezelfde medewerkster van de politie bericht:

“Op 11 maart 2016 hebben wij [appellant] , in verband met seksuele intimidatie richting jonge medewerksters, een winkelverbod gegeven. Zie vorige mail.

Hij loopt nog dagelijks langs de winkel en houdt het gelukkig bij kijken. Hij zoekt echter ook via Facebook contact met mijn medewerksters en dat wordt als zeer onprettig ervaren. Eén van mijn medewerksters gaf aan dat “het eerst alleen werk was, maar dat het nu privé begint te worden.”

In de bijlage vind je twee chats (via Facebook) van hem. Chats die echt niet kunnen.

Zij is niet de enige die benaderd wordt.

Ik begrijp dat hij wettelijk niets fout doet, maar voor de jonge meisjes is dit wel heel vervelend.

Daarnaast gaan er geruchten dat hij buiten Albert Heijn ook jonge meisjes benaderd.

(..)

Ik laat je dit weten, omdat ik graag wil dat jullie deze man in het vizier hebben.

Daarnaast wil ik advies hoe mijn medewerksters hiermee om moeten gaan. Deze man gaat echt veel te ver!!! Het mooiste zou zijn dat hij eens een bezoekje kreeg met het nadrukkelijke verzoek om met dit soort (in zijn ogen misschien onschuldige) acties te stoppen. (..)”

2.4.

Via Facebook heeft [appellant] de navolgende berichten aan een medewerkster van de Albert Heijn XL in [X] gestuurd; de tekst daarvan als gevoegd bij de onder 2.3 geciteerde mail luidt:

“Hoi [B] , ik weet niet, of ik nu namen door elkaar haal.. maar als jij op een positieve manier voor

mij bent uitgekomen... wil ik je uit het diepste van mijn wezen bedanken daar voor. Ik vind je een

tegekke. mooie -en volgens mij ook liefdevolle. hartstochtelijke en wijze- jonge godin… en daar wil ik

je graag mee gecomplimenteerd hebben. Ik wens je niets dan liefdevols en magisch toe, in je leven en

wens… dat je dit als geschenk kunt aanvaarden… niet als een aantijging. Ik heb je lief en wens je alles toe… wat je hartje begeert. Namasté sweety.”

“Dag vorstelijke jonge dame. Eigenlijk ben ik te bescheiden geweest, met zeggen; dat ik het ‘slechts’

leuk vond... om je ontmoet te hebben. Waarheid gebiedt mij te zeggen dat ‘leuk’ het eerste woord in

een reeks van liefdevolle positieve en complimenteuze bewoordingen is... die ik zou kunnen

opnoemen, als het om jou goddelijk schoon belichaamde ziel gaat. Eigenlijk ben je -by far out- één

van de allermooiste, wonderlijke liefdevolle verschijningen, in mijn hele leven geweest... ooit. En ik

vind het zeer jammer, dat dit op zo n laag pitje is komen te staan... waar ik mega graag -aan je

zijde- met je mee zou gaan. Ik wil je dit graag hebben gezegd en heb je hiermee eervol... in de watten

gelegd. Namasté sweety. Wish you Love & wish you well. Namasté.”

2.5.

Op 12 juli 2016 is aan [appellant] kenbaar gemaakt dat hij een toegangsverbod heeft gekregen voor het winkelcentrum. Vervolgens is door Wereldhave aan [appellant] een op schrift gesteld toegangsverbod toegezonden. Dit luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Hierbij delen wij u mede dat wij besloten hebben u met ingang van heden de toegang te ontzeggen tot winkelcentrum [X] voor een periode van 12 maanden.

Dit op grond van uw gedrag op: Datum : Dins(dag) 12 juli (maand) 2016 (jaar).

Wellicht ten overvloede wijzen wij u erop, dat overtreding van dit verbod strafrechtelijke consequenties voor u kan hebben.

Voorts stellen wij u hierbij volledig aansprakelijk voor eventuele schade die ontstaan is als gevolg van door u gepleegde onrechtmatige handelingen.

Houdt u er rekening mee dat u geen nadere waarschuwing zult ontvangen en dat deze ontzegging definitief is.

Een kopie van dit persoonlijk aan u gerichte schrijven hebben wij doen toekomen aan de regionale politie.

Indien u het winkelcentrum toch betreedt, zullen wij onmiddellijk aangifte doen hij de politie, ter zake

het plegen van het misdrijf vermeld in artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (huisvredebreuk).

(..)

Uitgereikt wegens: (..) Naar aanleiding van jou meervoudig gedrag, het lastig vallen van jonge meisjes en seksuele intimidatie richting deze jonge (AH) medewerksters in het Winkelcentrum [X] te [plaats] .

(..)

*Dit toegangsverbod tot het totale Winkelcentrum [X] heeft een geldigheidsduur van 1 jaar en is zowel aangeboden per post als wel per aangetekende post.”

2.6.

Bij e-mail van 16 juli 2016 heeft de bedrijfsleider van de Dekamarkt in

het winkelcentrum - voor zover hier van belang - het volgende aan de beveiliging van het winkelcentrum bericht:

Onderwerp: [appellant]

Heren,

Bovengenoemd persoon heeft in mijn winkel, de Dekamarkt in [X] , zich schuldig gemaakt

aan de volgende gedragingen:

Het lastig vallen van “jonge” kassières noem het avances maken.

Het na sluitingstijd buiten opwachten van deze dames om ze aan te kunnen spreken

Het uitnodigen van vriendschap verzoeken via de social media kanalen

Afgelopen zaterdag heb ik deze meneer aangesproken op zijn gedrag (…)”

2.7.

Bij handgeschreven brief van 16 juli 2016 heeft [appellant] het navolgende aan

medewerkers van Albert Heijn, de Dekamarkt en de HEMA bericht:

“Geachte lezer en directie leden,

Mij is ten gehore gekomen ; dat ik mij ondeugdelijk tegen winkelpersoneel heb gedragen en er

ouderlijke klachten , uit voort kwamen.

Ik wens gaarne de namen , van deze mensen te bekomen ... gezien ik mij als klant geterroriseerd

ervaar en dit wens te beslechten

Het schandaal gerucht aan mijn adres kent inmiddels geen grenzen meer

Mij is geleerd, om dingen rechtstreeks te adresseren alswel uit te praten

Gerechtelijke stappen zullen volgen en bij onbevredigend resultaat, qua dialoog ; zal ik de ouders

zelf opsporen Al dan niet m.b.v. detective kwaliteiten.

Ik ben mij onbewust van ook maar enig ongehoord gedrag en rust niet eerder ... dan mijn eer is

hersteld en de daders ter verantwoording geroepen zijn.

(..)

Een paar lessen in deugdelijkheid blijken hier hoogst nodig... geboden te worden.”

2.8.

Op 17 juli 2016 is [appellant] door beveiligers van Trigion, die in het winkelcentrum werkzaam zijn, aangehouden en aan de politie overgedragen in verband met huisvredebreuk. Op het politiebureau te Alkmaar is hij verhoord.

2.9.

Bij e-mail van 12 augustus 2016 heeft de bedrijfsleider van de HEMA in

het winkelcentrum - voor zover hier van belang - het volgende aan Wereldhave bericht:

“(..) Mbt. dhr [appellant] wil ik het volgende kwijt.

Dhr. [appellant] heeft zich het afgelopen jaar veelvuldig schuldig gemaakt aan ongewenst gedrag

richting winkelpersoneel. En in het bijzonder naar 15, 16 en 17 jarige meisjes.

Tijdens zijn winkelbezoeken was hij bewust op zoek naar de service verlening en behulpzaamheid van

jong personeel. (..)

Als het aankwam op contact met een jonge medewerker dan vertoonde zijn gedrag een gerichte

directe persoonlijke benadering waar de medewerker en diens collega’s niet om hebben gevraagd.

Voorbeelden van dit ongewenst gedrag bij 15, 16 en 17 jarige voor zover bekend zijn:

Complimenten geven over hun kleding, make-up, haardracht en postuur. (VB; wat staat die broek je

mooi je kont komt goed tot z‘n recht) (Ik weet wel waarom het logo van het bedrijf op je kont zit) Advies geven over kleding, make-up en haardracht (VB; wat zit je haar mooi zo, Als je het niet in

een staartje doet is het lekker speels. Nu zie je pas echt wat een mooie ogen je heb)

Nadrukkelijk oogcontact zoeken en na kijken.

In speelse bewoordingen met minderjarige communiceren. (BV; kan ik u ergens mee helpen? ...Je

kan me verleiden met een ijsje?)

Op sluwe wijze lichamelijk contact maken. (BV; Geld uit z’n hand pakken en vervolgens met z’n vingertoppen lichamelijk contact maken)”

2.10.

Vijf kassières die werkzaam zijn in het winkelcentrum hebben tegen [appellant] aangifte gedaan.

3 Beoordeling

3.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Wereldhave zal bevelen het aan [appellant] verstrekte toegangsverbod voor het winkelcentrum voor de periode van 12 juli 2016 tot 12 juli 2017 op te heffen dan wel in te trekken, uiterlijk binnen twee dagen na het te wijzen vonnis, op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag tot een maximum van € 10.000,-, met veroordeling van Wereldhave in de proceskosten.

3.2.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.3.

Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met twee grieven op. [appellant] bestrijdt met zijn grieven, samengevat, het oordeel van de voorzieningenrechter dat Wereldhave gegronde redenen had om het winkelcentrumverbod op te leggen en het oordeel dat het belang van [appellant] om het winkelcentrum te bezoeken niet opweegt tegen het belang van Wereldhave om het gevoel van veiligheid van haar huurders, hun (jonge) vrouwelijke medewerkers en bezoekers van het winkelcentrum te waarborgen. Volgens [appellant] is het door Wereldhave opgelegde toegangsverbod jegens hem onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW althans maakt Wereldhave misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 BW. [appellant] concludeert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog Wereldhave zal bevelen het toegangsverbod op te heffen dan wel in te trekken, uiterlijk binnen twee dagen na het te wijzen arrest, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat Wereldhave niet aan dit bevel voldoet tot een maximum van € 25.000,-, met beslissing over de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat in een kort geding een vordering slechts toewijsbaar is indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens zal toewijzen en indien van de eisende partij niet kan worden gevergd dat de uitkomst van een bodemprocedure wordt afgewacht.

3.5.

Gezien de duur van het aan [appellant] opgelegde toegangsverbod, van 12 juli 2016 tot 12 juli 2017, heeft [appellant] een spoedeisend belang bij een beslissing in kort geding in dit hoger beroep. De vraag is vervolgens of voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter de vorderingen van [appellant] zal toewijzen.

3.6.

Het hof neemt daarbij tot uitgangspunt dat het Wereldhave op grond van artikel 5:1 lid 2 BW vrij staat met uitsluiting van derden gebruik te maken van haar eigendom, en dat zij derden de toegang tot haar eigendom mag ontzeggen, mits een dergelijke ontzegging niet strijdt met rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen. Voor opheffing van het aan [appellant] opgelegde toegangsverbod bestaat aldus slechts aanleiding indien voldoende aannemelijk is dat het opleggen daarvan aan [appellant] onrechtmatig was althans sprake was van misbruik van recht door Wereldhave.

3.7.

Het hof neemt verder tot uitgangspunt dat strafrechtelijke verwijtbaarheid geen vereiste is voor het mogen opleggen van een toegangsverbod voor een winkelcentrum. Een dergelijk toegangsverbod kan ook worden opgelegd in verband met overlastgevend, maar niet strafbaar gedrag.

3.8.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is voldoende aannemelijk geworden dat [appellant] jonge, vrouwelijke medewerksters in leeftijd van 16 tot 19 jaar van meerdere in het winkelcentrum gevestigde winkels (Albert Heijn XL, Dekamarkt en HEMA) heeft benaderd, zowel persoonlijk als via Facebook, op een wijze die door deze medewerksters minst genomen als zeer onprettig is ervaren. [appellant] stelt weliswaar dat hij slechts een enkele keer een complimentje heeft gemaakt over de haardracht en de ogen van medewerksters van genoemde winkels, maar, gelet op de inhoud van de overgelegde verklaringen van de bedrijfsleiders van de Albert Heijn XL, Dekamarkt en HEMA (zie 2.2, 2.3, 2.6, 2.9) en de berichten van [appellant] als vermeld onder 2.4, is niet aannemelijk dat het hier slechts om een enkel onschuldig complimentje ging. Ook indien er wel van moet worden uitgegaan dat [appellant] aan bedoelde jonge medewerksters onschuldige complimentjes heeft gemaakt althans heeft bedoeld te maken, kan het hem niet zijn ontgaan dat dit door de betreffende medewerksters anders is opgevat en dat zij niet van zijn uitingen waren gediend omdat hij, zoals door Wereldhave is gesteld en door [appellant] niet (voldoende) is weersproken, meerdere keren door de supermarktmanager van de Albert Heijn XL is aangesproken op zijn als ongewenst ervaren gedrag en is verzocht en gesommeerd daarmee op te houden. [appellant] heeft zijn gedrag niet aangepast, hetgeen ertoe heeft geleid dat hem een toegangsverbod tot de Albert Heijn XL in het winkelcentrum is opgelegd. [appellant] heeft dat toegangsverbod vervolgens (in elk geval eenmaal) geschonden en op grond van voornoemde verklaringen van bedrijfsleiders van de Albert Heijn XL, Dekamarkt en HEMA, is voldoende aannemelijk geworden dat [appellant] zijn ongewenste gedrag ook daarna heeft voortgezet. Gezien deze omstandigheden, is het hof van oordeel dat het opleggen van het winkelcentrumverbod aan [appellant] door Wereldhave niet onrechtmatig was en dat evenmin sprake was van misbruik van recht door Wereldhave. Ook indien er van moet worden uitgegaan dat de interactie tussen [appellant] enerzijds en de betreffende winkeliers en Wereldhave anderzijds ongelukkig is verlopen (zo heeft Wereldhave [appellant] niet één keer uitgenodigd voor een gesprek over de onderhavige kwestie), dan nog is naar het oordeel van het hof geen sprake van onrechtmatig handelen door Wereldhave en evenmin van misbruik van recht. De omstandigheid dat de gedragingen van [appellant] mogelijk niet op grond van het Rotterdamse “Protocol collectieve winkelontzeggingen” tot een toegangsverbod voor de duur van een jaar zouden hebben geleid, zoals [appellant] heeft betoogd, maakt het voorgaande niet anders, nu dit Protocol niet afdoet aan de eigen bevoegdheden van Wereldhave (zie r.o. 3.6) en voorts, naar buiten kijf staat, in dit winkelcentrum niet van toepassing is.

3.9.

Een belangenafweging kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Naar het oordeel van het hof weegt het belang van [appellant] om het winkelcentrum en de daar aanwezige winkels en pinautomaat te bezoeken, niet op tegen het belang van Wereldhave om het gevoel van veiligheid van haar huurders, hun (jonge) medewerkers en bezoekers te waarborgen; Wereldhave is jegens die huurders en dat personeel ook, als verhuurder, gehouden om adequate maatregelen te nemen tegen deze overlast. Voor zover [appellant] (ook) heeft willen betogen dat het verbod te lang van duur is faalt dit betoog evenzeer. Het gedrag van [appellant] heeft zich in elk geval gedurende meerdere maanden voorgedaan, terwijl [appellant] niet van zins is daarmee op te houden. In die omstandigheden is een verbod van een jaar - dat over ca. 3 maanden na nu afloopt - niet disproportioneel lang.

3.10.

De slotsom is dat de grieven van [appellant] falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Wereldhave begroot op € 718,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. [A] F.G.T. Hofmeijer-Rutten, W.A.H. Melissen en A.J. Akkermans en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 april 2017.