Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1259

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-04-2017
Datum publicatie
18-04-2017
Zaaknummer
200.200.816/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht,

artikel 1:94 lid 3 BW,

Is het deel van de letselschadevergoeding dat ziet op inkomensderving vóór het huwelijk verknocht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0119

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 11 april 2017

Zaaknummer: 200.200.816/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/590337/ FA RK 15-5010 & C/13/603985 / FA RK 16-1501 (KK/SM)

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats a] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. F.J. Donze te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats b] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. S. Bouddount te Weesp.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellante in incidenteel hoger beroep, worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 6 oktober 2016 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 6 juli 2016 van de rechtbank Amsterdam, met bovengenoemd kenmerk.

1.3.

De vrouw heeft op 7 december 2016 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De man heeft op 6 februari 2017 een verweerschrift in het hoger beroep van de vrouw ingediend.

1.5.

De man heeft op 26 oktober 2016 en op 15 februari 2017 nadere stukken ingediend.

1.6.

De vrouw heeft op 14 februari 2017 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 23 februari 2017 ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2 De feiten

Partijen zijn [in] 2012 in gemeenschap van goederen gehuwd. Op 24 april 2015 heeft de man de echtelijke woning verlaten.

Het echtscheidingsverzoek is op 13 juli 2015 ingediend. Het huwelijk is op 25 januari 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 6 juli 2016 in de registers van de burgerlijke stand.

Uit hun huwelijk is geboren [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) [in] 2014 te Amsterdam.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man met ingang van 6 juli 2016 € 56,-- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Tevens is in het kader van de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen bepaald dat de man de helft van de door de vrouw betaalde kosten van de huishouding over de periode van 1 mei 2015 tot 13 juli 2015 aan de vrouw dient te voldoen, zijnde afgerond een bedrag van € 2.404,--. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

- te bepalen dat de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag van € 8.550,-- zijnde de helft van het bedrag van € 17.100,-- dat zij onder zich heeft;

- de regresvordering van de vrouw van € 2.404,-- af te wijzen.

3.3.

De vrouw verzoekt in principaal appel de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken in hoger beroep af te wijzen.

In incidenteel appel verzoekt de vrouw te bepalen dat:

  • -

    het volledige bedrag van € 10.000,-- dat de vrouw als schadevergoeding heeft ontvangen naar aanleiding van een verkeersongeval op 8 juli 2010 aan de vrouw verknocht is en derhalve niet in de tussen partijen te verdelen huwelijksgemeenschap is gevallen;

  • -

    de salarissen van de man over de periode 1 april 2015 tot en met 13 juli 2015 op de peildatum in de gemeenschap vielen en voorts te bepalen dat:

primair: de man gehouden is om het totaalbedrag aan ontvangen salarissen over de periode van 1 april 2015 tot en met 13 juli 2015, door de vrouw geschat op € 5.000,-- aan de vrouw te vergoeden, omdat hij deze salarissen in eerste aanleg heeft verzwegen, zoekgemaakt en/of verborgen heeft gehouden waardoor de waarde daarvan niet in de verrekening is betrokken;

subsidiair de man gehouden is om de helft van de salarisuitbetalingen in de periode van 1 april 2015 tot en met 13 juli 2015, door de vrouw geschat op € 5.000,-- aan de vrouw vergoeden;

- de man met ingang van 6 juli 2016 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen een bedrag van € 214,45 per maand bij vooruitbetaling aan de vrouw zal voldoen, vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten en/of andere regelingen voor die minderjarige zal of kan worden verleend, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

3.4.

De man verzoekt het incidenteel appel van de vrouw af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De rechtbank heeft 14 juli 2015 vastgesteld als peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap en daartoe overwogen dat dit het tijdstip is van indiening van het echtscheidingsverzoek. Gelet op het feit dat, zoals ook de rechtbank onder het kopje “Het verloop van de procedure” heeft vastgesteld, het echtscheidingsverzoek op 13 juli 2015 is ingediend, gaat het hof ervan uit dat dit een vergissing betreft. Het hof hanteert in het navolgende 13 juli 2015 als peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap en de saldi van de bankrekeningen.

4.2.

De vrouw heeft tijdens het huwelijk van partijen in verband met een verkeersongeval haar overkomen vóór het huwelijk op 8 juli 2010 een schadevergoeding ontvangen van € 10.000,-. De vergoeding wegens immateriële schade bedroeg € 5.000,- en is aan de vrouw verknocht.

Kort na het feitelijk uiteengaan van partijen, op 27 april 2015, heeft de vrouw van de gezamenlijke bankrekening van partijen een bedrag van € 22.100,- overgeboekt naar een bankrekening op haar naam. Diezelfde dag heeft de vrouw van de op haar naam staande rekening een bedrag van € 10.000,- contant opgenomen. Op 30 april 2015 heeft zij opnieuw van die rekening een bedrag van € 10.000,- contant opgenomen.

Tot het saldo van de gezamenlijke rekening op 27 april 2015, dat toen € 22.100,- bedroeg, behoorde het bedrag van € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding.

4.3.

De man betoogt in zijn grief 1 dat de rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft genomen over het bedrag van € 22.100,- dat ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen in april 2015 op de gezamenlijke rekening van partijen stond. Hij is van mening dat de helft van het bedrag van € 17.100,- aan hem toekomt.

Daar tegenover stelt de vrouw dat het bedrag van € 2.100,- boven de door haar opgenomen € 20.000,- is verdisconteerd in de waarde van de op haar naam staande bankrekening. Op de peildatum stond er geen saldo op deze rekening, zodat de rechtbank over die bankrekening geen beslissing hoefde te nemen. In haar grief I voert zij aan dat het gehele bedrag van € 10.000,- dat zij op 27 april 2015 heeft opgenomen aan haar verknocht is. € 5.000,- daarvan ziet op immateriële schadevergoeding en de overige € 5.000,- is aan haar toegekend in verband met verlies van arbeidsvermogen en economische kwetsbaarheid in de periode voor het huwelijk. Volgens de vrouw dient de jurisprudentie over inkomensderving na het huwelijk analoog te worden toegepast op haar inkomensderving vóór het huwelijk.

4.4.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7805 dient voor het antwoord op de vraag of een letselschadevergoeding aan één der echtgenoten verknocht is, naast de niet in het geding zijnde vaststelling dat de vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het ongeval, te worden vastgesteld op welke schade van die echtgenoot de vergoeding betrekking heeft. In dit verband heeft de Hoge Raad overwogen dat bijvoorbeeld nodig zal kunnen zijn dat blijkt of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen.

Gesteld noch gebleken is dat er bij het toekennen van de letselschadevergoeding aan de vrouw rekening mee gehouden werd dan wel moest worden dat sprake was van door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen, dan wel dat de vrouw als gevolg van het ongeval blijvend extra medische kosten en/of kosten voor huishoudelijke hulp zou moeten maken. De hoogte van de materiële schadevergoeding, slechts € 5.000,- wijst er niet op dat dit het geval is geweest. Bovendien, zo blijkt uit de stellingen van de vrouw, was ten tijde van de huwelijkssluiting niet langer sprake van verlies van arbeidsvermogen en economische kwetsbaarheid, en werkte zij volledig. Naar het hof begrijpt heeft zich in die situatie geen verandering voorgedaan. Het dient er dan ook voor te worden gehouden dat de schadevergoeding niet ziet op schade door blijvende lichamelijke beperkingen ten gevolge van het ongeval. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding de vrouw in haar betoog inzake analoge toepassing te volgen en de materiële letselschadevergoeding als verknocht aan te merken. Het bedrag van € 5.000,- behoort tot de huwelijksgoederengemeenschap en de man komt daarvan de helft toe.

Het bedrag van € 2.100,- is verdisconteerd in het saldo van de op naam van de vrouw staande bankrekening op de peildatum, 3 november 2015, dat nihil bedroeg. Dit bedrag is kennelijk opgegaan aan de kosten van de huishouding.

De vrouw heeft niet betwist dat het tweede door haar opgenomen bedrag van € 10.000,- op de peildatum tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde. Ook van dit bedrag komt de man de helft toe.

Het hof zal het verzoek van de man toewijzen tot een bedrag van € 7.500,-. Grief 1 van de man slaagt in zoverre. Grief I van de vrouw faalt.

4.5.

Nadat de man de echtelijke woning op 24 april 2015 had verlaten, heeft hij zijn salaris op de bankrekening van zijn broer laten storten. Omdat het inkomen van de man door storting op de bankrekening van zijn broer volgens de rechtbank buiten de gemeenschap viel, achtte zij het redelijk dat de man de helft van het door de vrouw genoemde bedrag aan kosten van de huishouding over de periode van 1 mei 2015 tot 13 juli 2015 van totaal € 4.807,62 voldoet.

Tegen dit oordeel is grief 2 van de man gericht. De man betoogt dat artikel 3:172 BW niet van toepassing is. Ook hij heeft, zo voert hij aan, in die periode uit zijn salaris aanzienlijke kosten moeten maken voor levensonderhoud, huisvesting en lopende verplichtingen in verband met de huwelijksgoederengemeenschap.

In haar grief II betoogt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op haar verzoek te bepalen dat de man zijn over de periode van 1 april 2015 tot en met 13 juli 2015 ontvangen salaris heeft verbeurd omdat de man zijn salaris over die periode opzettelijk heeft verzwegen, zoekgemaakt en verborgen gehouden, althans te bepalen dat het salaris dat de man in die periode heeft ontvangen op de peildatum in de gemeenschap viel en tussen partijen bij helfte verdeeld dient te worden. Weliswaar is bekend dat de man zijn salaris indertijd op de rekening van zijn broer heeft laten storten, maar hij heeft volgens de vrouw niet inzichtelijk gemaakt hoeveel in die periode is uitbetaald, wat met het salaris is gedaan en hoeveel van dat salaris over was op de peildatum.

4.6.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De huwelijksgoederengemeenschap is op 13 juli 2015 ontbonden. Het verzoek van de vrouw tot verbeurdverklaring heeft betrekking op vóór de ontbinding door de man ontvangen salaris. Ingevolge artikel 3:189 lid 1 BW geldt artikel 3:194 lid 2 BW, welke bepaling ziet op het verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van een tot de gemeenschap behorend goed, niet voor een huwelijksgemeenschap zolang zij niet ontbonden is. Het verzoek van de vrouw tot verbeurdverklaring kan op die grond geen doel treffen.

De man heeft niet betwist dat in de periode na zijn vertrek uit de echtelijke woning tot 13 juli 2015 de kosten van de huishouding (nagenoeg) volledig ten laste zijn gekomen van het inkomen van de vrouw. Nu op grond van artikel 1:84 lid 1 BW de kosten van de huishouding ten laste komen van het inkomen van partijen naar evenredigheid en de rechtbank onbetwist heeft vastgesteld dat het netto besteedbaar inkomen van de man per maand € 1.605,- bedroeg en dat van de vrouw € 2.131,-, zal het hof bepalen dat de man niet de helft van het door de vrouw verzochte bedrag dient te betalen, doch een bedrag van € 2.080,-. In zoverre slaagt de grief van de man.

In de betrokken periode heeft de man voor zichzelf kosten van levensonderhoud moeten maken en een aantal vaste lasten van de huwelijksgoederengemeenschap voldaan, zoals verzekeringspremie voor de echtelijke woning en de auto van partijen. Nu de man daarnaast een deel van de door de vrouw in die periode gemaakte kosten van de huishouding aan de vrouw dient te vergoeden, ziet het hof geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek van de vrouw te bepalen dat het totaalbedrag van het salaris van de man over die periode tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort en de vrouw de helft van dit bedrag toekomt. De grief van de vrouw faalt.

4.7.

Bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen van de man is de rechtbank uitgegaan van de gehele woonkostencomponent. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het de bedoeling is dat de beslissing met betrekking tot de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage voor langere termijn zal gelden en het aannemelijk is dat de man binnen niet al te lange tijd een eigen woonruimte zal betrekken.

De vrouw stelt in haar grief III dat bij de vaststelling van de kinderbijdrage geen rekening dient te worden gehouden met de gehele woonkostencomponent. Zij voert daartoe aan dat de man na het verlaten van de echtelijke woning onafgebroken bij zijn ouders heeft gewoond, daar nog steeds woont en geen woonlasten heeft. Zij verwacht niet dat de man binnen enkele maanden eigen woonruimte zal betrekken en woonlasten zal hebben. Zodra de man woonlasten heeft kan hij met haar in overleg treden om een lagere kinderbijdrage af te spreken. In het uiterste geval kan de man de rechtbank verzoeken de kinderbijdrage te wijzigen op grond van gewijzigde omstandigheden. Volgens de berekening van de vrouw kan de man € 214,45 per maand bijdragen.

4.8.

Het hof overweegt het volgende.

De man heeft ter zitting verklaard dat hij via het door de vrouw ingeschakelde LBIO nog steeds de bij beschikking voorlopige voorzieningen van 19 augustus 2015 vastgestelde kinderbijdrage van € 220,- per maand betaalt en dat hij, zolang hij deze hoge last heeft, vanwege te weinig besteedbare middelen niet voor een woning in aanmerking komt. De vrouw heeft dit niet weersproken. Ook bij de thans door de vrouw berekende kinderbijdrage, die nagenoeg even hoog is, valt te verwachten dat de man er niet in zal slagen een woning te verkrijgen. Het hof is van oordeel dat de man – evenals de vrouw, die een eigen woning heeft – in staat dient te worden gesteld over eigen woonruimte beschikken. Het hof volgt daarom de vrouw niet in haar betoog en zal de beschikking van de rechtbank op het punt van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] bekrachtigen.. Haar grief III faalt.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat de man de helft van de door de vrouw betaalde kosten van de huishouding over de periode van 1 mei 2015 tot 13 juli 2015 aan de vrouw dient te voldoen, zijnde afgerond een bedrag van € 2.404,- en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag dient te betalen van € 2.080,-, zijnde zijn aandeel in de door de vrouw betaalde kosten van de huishouding over de periode van 1 mei 2015 tot 13 juli 2015;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan hoger beroep onderworpen, voor het overige;

bepaalt dat de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag van € 7.500,-, zijnde de helft van het bedrag van € 15.000,- dat zij onder zich heeft;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.J. Driessen - Poortvliet, mr. C.G. Kleene-Eijk en mr. C.M.J. Peters in tegenwoordigheid van mr. N. Groen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2017.