Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:125

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
200.198.617/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:5309, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling. Ten tijde van de bestreden beschikking werd het kind in haar ontwikkeling bedreigd. In hoger beroep zijn de gronden voor de ondertoezichtstelling niet meer aanwezig en is het inleidend verzoek van de GI afgewezen voor wat betreft de periode vanaf de dag van de uitspraak van het hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 17 januari 2017

Zaaknummer: 200.198.617/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/243014 / JU RK 16-768

in de zaak in hoger beroep van:

[X] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F.S. Cuperus te Amstelveen,

tegen

De gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de hierna nader te noemen minderjarige [de minderjarige] .

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna te noemen: de RvdK).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, (hierna: de kinderrechter) van 2 juni 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De moeder is op 2 september 2016 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 2 juni 2016.

2.2.

De GI heeft op 3 oktober 2016 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts van de zijde van de moeder ingekomen:

- een journaalbericht van 30 september 2016 met bijlage;

- nadere stukken op 24 november 2016.

2.4.

De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting afzonderlijk met de minderjarige [de minderjarige] in raadkamer gesproken. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 28 november 2016 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. J.J.C. Engels, advocaat te Heerhugowaard;

- de gezinsmanager namens de GI;

- de RvdK, vertegenwoordigd door mevrouw M. Dik.

3 De feiten

3.1.

Uit het huwelijk van de moeder met de heer [Y] (hierna: de vader) is geboren [de minderjarige] [in] 2003. Het huwelijk is op 21 januari 2013 door echtscheiding ontbonden. [de minderjarige] is hierna bij de moeder blijven wonen.

3.2.

[de minderjarige] is sedert 10 juni 2005 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is hierna telkens verlengd. Bij beschikking van de kinderrechter van 28 mei 2015 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 10 juni 2016.

3.3.

De vader is op 12 augustus 2016 overleden. De moeder oefent sinds het overlijden van de vader het gezag over [de minderjarige] alleen uit.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter, op het verzoek van de GI, de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd voor de duur van negen maanden, tot 10 maart 2017.

4.2.

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en - naar het hof begrijpt - het verzoek van de GI af te wijzen.

4.3.

De GI verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 260, eerste lid, in verband met artikel 255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige telkens verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2.

De moeder stelt dat de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling ontbreken en voert daartoe onder meer het volgende aan. De rechtbank heeft het standpunt van de GI gevolgd dat nog altijd sprake is van strijd tussen de ouders en dat het doel van de ondertoezichtstelling is om [de minderjarige] te begeleiden in het contact met de vader. De kinderrechter heeft geoordeeld dat, gelet op de situatie tussen de ouders in combinatie met de geestelijke en lichamelijke situatie van de vader, [de minderjarige] nog altijd in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De vader van [de minderjarige] is echter overleden, hetgeen een essentiële wijziging van omstandigheden is die meebrengt dat ondertoezichtstelling niet langer geïndiceerd is. Zoals de kinderrechter in de bestreden beschikking ook heeft overwogen, is in de thuissituatie bij de moeder meer rust en is sprake van een positieve ontwikkeling. De moeder kan in het vrijwillig kader hulpverlening voor [de minderjarige] organiseren en heeft dat ook gedaan. Het is niet in het belang van [de minderjarige] indien de ondertoezichtstelling zou blijven voortduren; [de minderjarige] heeft juist rust en ruimte nodig om het overlijden van haar vader te kunnen gaan verwerken, aldus de moeder.

5.3.

De GI betwist het standpunt van de moeder en voert daartoe onder meer het volgende aan. Er is nog geen sprake van een stabiele situatie voor [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft moeite met regels in huis en het is noodzakelijk dat zij een consequente opvoeding krijgt, omdat anders het risico bestaat op het ontwikkelen van een oppositionele gedragsstoornis. De moeder doet haar best, echter de belasting voor de moeder is zwaar en een meeleef- dan wel logeergezin voor [de minderjarige] is noodzakelijk voor de moeder om het vol te houden. Het meeleefgezin voor [de minderjarige] van Esdégé Reigersdaal is echter gestopt per juni 2016 en de vraag is of het de moeder wel zal lukken om, zonder de ondertoezichtstelling, zelf een nieuw logeergezin voor [de minderjarige] te organiseren.

Ook heeft de moeder de steun die haar werd geboden door Actiezorg beëindigd, in verband met fricties tussen haar en de begeleider van Actiezorg rondom de begrafenis van de vader. Het feit dat de hulpverlening is gestopt is zorgelijk, zeker nu [de minderjarige] de ondersteuning hard nodig heeft in verband met het overlijden van haar vader.

Het is eveneens zorgelijk dat [de minderjarige] door de moeder bij de ruzies met de familie van de vader is betrokken en dat [de minderjarige] op deze wijze wordt betrokken bij volwassenen problematiek. Dat is in het verleden al regelmatig een punt van zorg en aandacht geweest.

De GI is voornemens om de ondertoezichtstelling op termijn af te sluiten, daarvoor is echter wel van belang dat de ondersteuning wordt voortgezet en dat de zorg aan [de minderjarige] gewaarborgd blijft door zorgvuldige overdracht aan het gebiedsteam van de gemeente, voordat de termijn van de ondertoezichtstelling op 10 maart 2017 afloopt.

5.4.

De RvdK heeft ter zitting in hoger beroep het volgende verklaard. De RvdK hinkt op twee gedachten en vindt het lastig om het hof te adviseren. Enerzijds is bijna alle noodzakelijke hulp voor [de minderjarige] geregeld, met uitzondering van het meeleefgezin. Anderzijds is de wens van de GI om, voordat de termijn van de ondertoezichtstelling afloopt, de overdracht aan het gebiedsteam van de gemeente goed te regelen, ook te begrijpen.

5.5.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor of de kinderrechter terecht en op goede gronden de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] heeft verlengd en of de gronden hiervoor nog steeds aanwezig zijn.

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Doel van de ondertoezichtstelling ten tijde van de bestreden beschikking was om [de minderjarige] goed te begeleiden in het contact met de vader, die kampte met psychiatrische problematiek en lichamelijke gezondheidsklachten, terwijl ook de ouders er niet in slaagden om samen afspraken te maken met betrekking tot [de minderjarige] en het contact met haar vader. [de minderjarige] dreigde daardoor in een loyaliteitsconflict te geraken en werd derhalve in haar ontwikkeling bedreigd. Gelet daarop is aannemelijk geworden dat de gronden voor ondertoezichtstelling, die nauw samenhingen met de situatie tussen [de minderjarige] en de vader en tussen de ouders onderling, ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren.

Naar het oordeel van het hof is echter niet gebleken dat de gronden voor ondertoezichtstelling thans nog aanwezig zijn. Na het overlijden van de vader is van de instabiele situatie die de ontwikkeling van [de minderjarige] bedreigde, zoals hierboven omschreven, geen sprake meer. Van andere omstandigheden, die [de minderjarige] in haar ontwikkeling ernstig zouden kunnen bedreigen, is het hof thans niet, althans onvoldoende gebleken.

Gebleken is dat de moeder hulpverlening voor [de minderjarige] in een vrijwillig kader voldoende initieert en accepteert. Uit de verklaringen van de moeder en de GI ter zitting in hoger beroep blijkt dat de moeder sinds september 2016 (opnieuw) hulpverlening van Actiezorg heeft geaccepteerd; gedurende 1 uur per week voor haarzelf en 3 uren per week voor [de minderjarige] . Daarnaast is [de minderjarige] sinds november 2016 door de moeder aangemeld voor wekelijkse creatieve therapie, bij stichting De Praktijk in Hoorn. Naar het oordeel van het hof is hiermee voor [de minderjarige] voldoende hulpverlening en behandeling geborgd. Voorts is de moeder zelf ook actief in het zoeken naar een nieuw meeleefgezin voor [de minderjarige] , maar blijkt het vinden daarvan tot nu toe te worden bemoeilijkt door de afstand van zo’n gezin tot de school van [de minderjarige] .

Nu er geen discussie is dat een meeleefgezin essentieel is voor het creëren van een stabiele leefomgeving voor [de minderjarige] , gaat het hof er van uit dat de gemeente een deskundige toeleiding naar het meeleefgezin waarborgt op grond van zijn verplichting hiertoe ingevolge artikel 2.3, eerste lid, Jeugdwet.

Al het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover [de minderjarige] onder toezicht is gesteld tot heden, wordt bekrachtigd en dat, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor wat betreft de periode vanaf heden wordt afgewezen.

5.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep met ingang van heden en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst af het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor wat betreft de periode met ingang van heden;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E. Buitendijk, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en

J. Kok, in tegenwoordigheid van mr. N. Bakker als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2017.