Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1226

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-04-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
23-000981-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000981-12

datum uitspraak: 11 april 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 16 februari 2012 in de strafzaak onder parketnummer 15-800216-11 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 09 februari 2011, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 15.115,- euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld, kort en zakelijk weergegeven, dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van witwassen dan wel schuldwitwassen, nu niet bewezen kan worden dat het geld dat de verdachte in zijn bezit had toen hij op Schiphol aankwam, afkomstig is van enig misdrijf. De verdachte heeft de herkomst van het geld aangegeven en deze herkomst is concreet, verifieerbaar en kan zeker niet op voorhand als onwaarschijnlijk worden aangemerkt.

Vrijspraak

Vastgesteld kan worden dat de verdachte op 9 februari 2011 heeft getracht een groot geldbedrag via Schiphol het land in te voeren, zonder daarvan aangifte te doen. Het is een feit van algemene bekendheid dat niet zelden via Schiphol grote bedragen in contanten, die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, worden in- of uitgevoerd. De verdachte heeft op de vraag van de douane of hij geld met zich voerde, ontkennend geantwoord. In een van de zijvakken van zijn rolkoffer werd vervolgens een hoeveelheid eurobiljetten aangetroffen van in totaal € 2000,00. Op de vraag of hij nog meer geld bij zich had, antwoordde de verdachte wederom ontkennend. Tijdens de daarop volgende controle van zijn jas werd in een jaszak een bundeltje 50 eurobiljetten aangetroffen. De verdachte verklaarde vervolgens dat hij verder geen geld meer bij zich had. Tijdens de daaropvolgende kledingvisitatie werden nog meer bundeltjes met eurobiljetten aangetroffen en in zijn zwarte rolkoffer eveneens. In totaal werd een contant geldbedrag van € 15.115,00 aangetroffen.

De verdachte was afkomstig uit [plaats] . Hij heeft bij de douane op 9 februari 2011 – kort gezegd- onder meer verklaard dat hij eigenaar is van het bij hem aangetroffen geld. Hij heeft dit geld verdiend met zijn werk. Hij heeft een hotel in [land 1] en hij werkt in de autohandel. Hij is naar Nederland gekomen om auto’s te kopen.

Op 10 februari 2011 heeft de verdachte bij de FIOD – kort gezegd - verklaard dat hij geëmigreerd is naar [land 2] en daar een werkloosheidsuitkering ontvangt van ongeveer € 420,00 netto per maand. In [land 1] heeft hij nog inkomsten uit een hotel, ongeveer € 100,00 per dag, uit de inzet van een taxi, ongeveer € 30,00 euro per dag en uit de inzet van een minibus, ongeveer € 70,00 per dag. Voorts heeft hij verklaard dat hij handelde in verschillende goederen, zoals kleding. Op 29 augustus 2011 is de heer [getuige] door de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft verklaard dat de verdachte inderdaad handelde in onder meer kleding en daartoe op markten waar grote partijen worden verkocht, aankopen doet.

Ten aanzien van het aangetroffen geld heeft de verdachte specifiek het volgende verklaard.

Hij heeft € 4000,00 uit [land 2] meegenomen. Hij heeft dit geld in meer dan een jaar bij elkaar gespaard en bewaard. Hij had dit geld op de bank staan en in meerdere transacties opgenomen van de bank. De rest van het geld is nagenoeg geheel afkomstig uit zijn zaken in [land 1] en dat heeft hij van zijn broer ontvangen via een vriend van hem, te weten de heer [vriend 1] op 5 februari 2011. Die is van [land 1] naar [land 2] gekomen en had € 9.200,00 bij zich voor de verdachte. Op 9 november 2016 is de heer [vriend 1] door de raadsheer-commissaris gehoord. Hij heeft verklaard dat hij in februari 2011 voor de verdachte een geldbedrag in biljetten van 20 en 50 euro heeft meegenomen vanuit

[land 1] naar [land 2] . Tevens heeft hij verklaard dat hij weet dat de verdachte een auto heeft, taxidiensten doet en een soort pension heeft in [land 1] .

De overige € 1.800,00 heeft de verdachte geleend van een vriend van hem, te weten [vriend 2] . Dat geld heeft hij op 8 februari 2011 ontvangen.

Ter ondersteuning van al het voorgaande heeft de verdachte verschillende stukken overgelegd, die blijkens een proces-verbaal van ambtshandeling (AH-16) aan een nader onderzoek door de Belastingdienst/FIOD zijn onderworpen, waarvan de resultaten in het betreffende proces-verbaal zijn samengevat.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2017 heeft de verdachte in grote lijnen hetzelfde verklaard over de herkomst van het bij hem aangetroffen geldbedrag en de bedoeling om in Nederland daarmee auto’s te kopen.

Het hof overweegt als volgt.

Dat onder een verdachte aangetroffen contant geld "uit enig misdrijf afkomstig is" kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat het geldbedrag dat de verdachte voorhanden heeft gehad – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij voor de herkomst van het geld een verklaring geeft. Die verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn.

De omstandigheden waaronder de geldbedragen bij de verdachte zijn aangetroffen en de wijze waarop hij zich tegenover de douane heeft opgesteld, rechtvaardigen het hiervoor bedoelde vermoeden. Echter, gelet op de betrekkelijk geringe omvang van het aangetroffen bedrag en in aanmerking genomen de verklaringen die de verdachte daar over heeft afgelegd alsmede de stukken en getuigen die ter ondersteuning daarvan zijn aangedragen, afgewogen tegen de resultaten van het onderzoek dat de Belastingdienst/FIOD daar naar heeft gedaan, kan naar het oordeel van het hof niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de geldbedragen een legale herkomst hebben.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. A.M. Kengen en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 april 2017.

Mr. Duker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen

=========================================================================

[…]