Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:122

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
200.197.703/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot opheffing derdenbeslag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 17 januari 2017

Zaaknummer: 200.197.703/ 01 SKG

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/610095/ KG ZA 16-706 CB/AB

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats a] ,

appellant,

advocaat: mr. M.S. Vos te Tiel,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats b] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P. Crans te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is bij dagvaarding van 17 augustus 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2016, in kort geding gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde. De dagvaarding bevat de grieven en ging vergezeld van producties.

1.3.

De vrouw heeft gediend van memorie van antwoord in spoedappel, met producties.

1.4.

De man heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog, kort gezegd, de vrouw zal veroordelen tot opheffing van de door haar gelegde conservatoire derdenbeslagen, althans de door het hof geraden geachte maatregelen zal treffen, en voorts de vrouw te verbieden in de toekomst opnieuw conservatoir beslag te leggen, onder veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties alsmede de nakosten.

1.5.

De vrouw heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, onder veroordeling van de man in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten, begroot op € 25.000,-.

1.6.

Partijen hebben de zaak ter terechtzitting van 8 december 2016 doen bepleiten door hun advocaten. Beide partijen hebben voorafgaande aan deze behandeling nog producties verstrekt, en deze zijn in het geding gebracht. De advocaten hebben de standpunten van partijen aan de hand van overgelegde pleitnotities toegelicht. Van de zijde van de man is zijn vordering tot vergoeding van proceskosten eveneens begroot op € 25.000,-. Van de zijde van de vrouw is ter zitting nog verzocht de veroordeling van de man in de kosten van beide instanties. Verder hebben partijen ter zitting aanvullende inlichtingen verstrekt.

1.7.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 De feiten

2.1.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.10) de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit hetgeen ter zitting met partijen is besproken, dan wel de niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.

2.2.

Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Utrecht van 28 maart 2012 is de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 11 april 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In het zicht van de echtscheiding is door partijen op 8 februari 2012 een echtscheidingsconvenant ondertekend dat deel uitmaakt van eerdergenoemde beschikking. Ten aanzien van de afrekening van hun huwelijksvermogensrechtelijke betrekkingen zijn partijen niets overeengekomen en hebben zij hun rechten jegens elkaar voorbehouden.

2.3.

Tussen partijen is thans een bodemprocedure bij de rechtbank Amsterdam aanhangig ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de vennootschappen van [de man] . Bij tussenvonnis van 10 juli 2013 heeft deze rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de aandelen in de besloten vennootschappen [B.V. 1] , [B.V. 2] en [B.V. 3] in beginsel, al dan niet ten dele, tot het te verrekenen huwelijksvermogen behoren. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 17 september 2014 een deskundige benoemd om de waarde van de aandelen te bepalen.

2.4.

Bij tussenvonnis van 14 januari 2015 heeft de rechtbank Amsterdam de deskundige een aantal vragen voorgelegd.

Het gaat, voor zover in hoger beroep van belang, om de volgende vragen:

“5. Wat zijn de opgepotte winsten in [B.V. 1] , [B.V. 2] en [B.V. 3] per 1 augustus 2009?

6. Wilt u daarbij zoveel mogelijk in aanmerking nemen de opgenomen rekening-courantbedragen en tevens zoveel mogelijk opgave doen waaraan de opnames zijn uitgegeven?

7. Wilt u uw licht laten schijnen op alle mogelijke fiscale aspecten (latente belastingen daaronder begrepen) en de eventuele gevolgen daarvan voor het eventueel uit te keren bedrag?”

2.5.

Bij brief van 15 december 2015 heeft mr. Crans namens de vrouw de rechtbank Amsterdam het volgende geschreven:

“In verband met het uit te brengen deskundigenbericht zijn partijen op 7 december 2015 om 9.30 uur bij de deskundige uitgenodigd.

Ter voorbereiding op die bespreking van 7 december 2015, heeft de deskundige op 1 december 2015 aangegeven welke vragen er besproken moeten worden.

De bespreking d.d. 7 december 2015 is door de advocaat van de man op 3 december 2015 afgezegd. Vervolgens heeft de deskundige partijen verzocht nieuwe verhinderdata op te vragen. De opgave van de verhinderdata van de man en zijn advocaat resulteert erin dat de bespreking bij de deskundige ruim twee maanden moet worden opgeschoven. Cliënte (de vrouw) vindt dat onacceptabel.

Temeer daar haar ter ore is gekomen dat de man de bedrijfswoning aan [adres] te [plaats] op 3 augustus 2015 heeft geleverd aan hun zoon. (…)

Cliënte verzoekt om de interventie van uw Rechtbank om de deskundige efficiënt zijn werk naar behoren en binnen een redelijk tijdsbestek te kunnen volbrengen.

(…)”

2.6.

Op 6 juni 2016 heeft de vrouw verlof gekregen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van de man onder [B.V. 1] , de Stichting Administratiekantoor [B.V. 2] , de Stichting Administratiekantoor [B.V. 3] en voorts op de aandelen van de man in [B.V. 1] , met begroting van de vordering van de vrouw, inclusief rente en kosten, op € 1.230.000,-.

2.7.

Op 24 november 2016 heeft een regiezitting plaatsgevonden bij de rechtbank Amsterdam. Uit het proces-verbaal van deze zitting blijkt dat de deskundige ter zitting heeft aangegeven niet de complete administratie van [B.V. 3] te hebben ontvangen. Ook zou de deskundige nog de beschikking over de bankafschriften moeten krijgen in verband met de peildatum van 1 augustus 2009. Voorts heeft de man ter zitting toegezegd dat hij de opvolgende maandag (28 november 2016) de ordners met de administratie 2008 en 2009 zal afleveren bij de deskundige.

3 Beoordeling van het hoger beroep

3.1.

De man heeft de vrouw in kort geding gedagvaard teneinde te bewerkstelligen dat de derdenbeslagen die namens de vrouw zijn gelegd worden opgeheven en dat het de vrouw tevens wordt verboden in de toekomst derdenbeslag onder de hiervoor genoemde rechtspersonen te leggen. De voorzieningenrechter heeft de door de man gevraagde voorzieningen geweigerd en heeft de man in de proceskosten aan de zijde van de vrouw veroordeeld.

3.2.

De man is van het bestreden vonnis in beroep gekomen onder aanvoering van vier grieven. Deze grieven treffen de dragende overwegingen van het vonnis in eerste aanleg en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.3.

Het hof stelt voorop dat in hoger beroep niet ter discussie staat dat uitgangspunt is dat de opheffing van de gelegde conservatoire derdenbeslagen kan worden bevolen i) indien voorgeschreven vormen zijn verzuimd die tot nietigheid van een gelegd beslag leiden, ii) indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, iii) in het geval beslag is gelegd in verband met een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Gelet op de standpunten van partijen dient het hof na te gaan of de onder ii) beschreven maatstaf aanleiding vormt voor het treffen van de door de man gevraagde voorzieningen. Verder dient te worden opgemerkt dat – binnen het kader van het door partijen voorgelegde geschil - de voorziening waarbij het ook voor de toekomst wordt verboden opnieuw conservatoir beslag te leggen aan de orde kan zijn, indien in het licht van toekomstige, onzekere gebeurtenissen, niettemin voldoende aanknopingspunten bestaan voor de toepassing van de onder ii) beschreven maatstaf.

3.4.

Het hof overweegt voorts dat partijen in het kader van de voornoemde bodemprocedure beiden inmiddels uitgaan van een waardering tegen peildatum 1 augustus 2009, waarbij het gaat om de staande huwelijk in de ondernemingen opgepotte winsten. Uit het proces-verbaal van de regiezitting gehouden bij de rechtbank Amsterdam op 24 november 2016, maakt het hof op dat de deskundige zich thans dient te richten op de beantwoording van de vragen 5 tot en met 7, als hiervoor onder 2.4. geciteerd.

3.5.

De man voert in de toelichting op zijn eerste grief terecht aan dat de waardering van de opgepotte winsten in de ondernemingen tegen de peildatum niet noodzakelijkerwijs verband houdt met het rendement dat de ondernemingen thans opleveren. Dat de man thans in staat is een hoge kinder- en partneralimentatie te betalen, zijn gezin te onderhouden en een hoge huur te betalen, betekent inderdaad niet zonder meer dat kan worden uitgegaan van een hoge waarde aan opgepotte winsten tegen de peildatum van 1 augustus 2009.

Een en ander betekent echter niet dat daarmee summierlijk de ondeugdelijkheid van de vordering van de vrouw is vastgesteld. Zoals de vrouw betoogt, is de deskundige doende een onderzoek te doen naar de omvang van haar vorderingsrecht en dient tussen partijen nog een nadere vaststelling plaats te vinden van de omvang van de aanspraken van de vrouw. Dat de vrouw een aanspraak toekomt op grond van de (afrekening van de) huwelijkse voorwaarden is daarmee uitgangspunt.

3.6.

De man stelt dat veeleer sprake zal zijn van een negatieve waarde van de ondernemingen op de peildatum, zodat de vrouw per saldo geen aanspraak zal toekomen. De man heeft in eerste aanleg gewezen op een door de accountant opgesteld overzicht en wijst in dit verband onder meer op een in hoger beroep overgelegd “rapport van feitelijke bevindingen” van A.L.H. van Herwijnen & co accountants gedateerd 6 oktober 2016. In dit rapport geeft de accountant Van Oort aan dat de (geconsolideerde) opgepotte winst per 1 augustus 2009 circa € 315.000,- negatief bedraagt. De vrouw wijst erop dat het eenzijdig opgemaakte stukken betreffen en dat partijen daarnaast nog een discussie voeren over privé onttrekkingen al dan niet geboekt in rekening-courant van de ondernemingen en de gevolgen daarvan.

3.7.

Het hof overweegt dat de vrouw terecht erop heeft gewezen dat het betreffende rapport uitsluitend in opdracht van de man is tot stand gekomen, waarbij in de toelichting is aangegeven dat “aan onze rapportage geen zekerheid kan worden ontleend omtrent de getrouwheid van het cijfermateriaal en toelichtingen daarop”. Hoewel de deskundige blijkens het proces-verbaal van de regiezitting van 24 november 2016 heeft aangegeven dat het rapport hem gedegen voorkomt, en ook het hof geenszins kan uitsluiten dat de door de rechtbank benoemde deskundige tot een vergelijkbare gevolgtrekking komt als de accountant die door de man is ingeschakeld, heeft de door de rechtbank benoemde deskundige tevens verklaard dat hij de onderliggende stukken niet heeft gezien.

Bovendien heeft de vrouw terecht erop gewezen dat de deskundige nog onderzoek zal doen naar privé onttrekkingen al dan niet geboekt in rekening-courant, en de gevolgen van deze onttrekkingen voor de waardering, zoals aan hem voorgelegd met vraag 6 als hiervoor onder 2.4. geciteerd. Het onderhavige kort geding leent zich niet voor een onderzoek naar de vraag of de door de vrouw genoemde betalingen wel of niet in rekening-courant zijn geboekt en zo ja, of dat terecht is gebeurd.

Uit het proces-verbaal blijkt voorts dat de deskundige doende is zelfstandig een onderzoek uit te voeren, onder andere op grond van de nog door de man aan de deskundige te overhandigen (grootboek-)gegevens en de bankafschriften betreffende [B.V. 3] . Deze gegevens zijn ook relevant omdat het de deskundige in staat kan stellen de getrouwheid van de cijfers van de ondernemingen na te gaan.

Onder deze omstandigheden kan thans niet de slotsom zijn dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door de vrouw ingeroepen recht.

3.8.

Het hof overweegt voorts dat inmiddels namens de derden waaronder de vrouw beslag heeft gelegd, de verklaringen derdenbeslag als bedoeld in artikel 476a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn verstrekt (productie R in hoger beroep). De man heeft in zijn hoedanigheid van (middellijk) bestuurder van de betrokken drie rechtspersonen deze verklaringen afgegeven, en met de man is ter zitting in hoger beroep nagegaan wat de strekking is van deze verklaringen. Het komt erop neer dat volgens de man het beslag de aandelen van de man in [B.V. 1] heeft getroffen.

In het licht van deze verklaringen valt niet in te zien op welke wijze het beslag knelt, zoals de man betoogt. Vaststaat dat de vrouw geen loonbeslag heeft gelegd, en de man heeft onvoldoende omstandigheden voorgedragen waaruit voortvloeit dat hij niet in staat is met behulp van zijn loon, in combinatie met het doen van feitelijke onttrekkingen aan zijn ondernemingen, zijn inkomen aan te vullen voor zover dat nodig is. Dat de onttrekkingen wellicht in de toekomst tot een belastingclaim zullen leiden levert geen feitelijke belemmering op. Dat het beslag thans knelt waar het betreft de man in zijn hoedanigheid van aandeelhouder, heeft de man in het licht van deze omstandigheden ook niet voldoende onderbouwd. Omtrent het vervreemden van de aandelen liggen geen stellingen voor en de man heeft niet onderbouwd dat er een noodzaak en concreet voornemen bestaat tot het nemen van een besluit inzake een dividenduitkering waardoor aan zijn zijde een belang bestaat bij opheffing van het beslag.

In dit verband overweegt het hof nog dat het op de weg van de man ligt om in zijn hoedanigheid van (middellijk) bestuurder van de ondernemingen de deskundige van de nodige informatie betreffende de ondernemingen te voorzien. Daarmee heeft de man ook bij uitstek het in zijn macht de deskundige van die informatie te voorzien die nodig is voor het uitbrengen van zijn deskundigenrapport, opdat partijen duidelijkheid verkrijgen omtrent hetgeen hen verdeeld houdt.

3.9.

De vordering van de man de vrouw te verbieden in de toekomst beslag te leggen onder de eerder genoemde rechtspersonen dient ook in hoger beroep te worden afgewezen. De man heeft geen nadere feiten en omstandigheden voorgedragen op grond waarvan reeds nu zou moeten worden aangenomen dat een dergelijk beslag onrechtmatig jegens de man zou zijn. In dit verband wijst het hof nog op de omstandigheid dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de man na beëindiging van het huwelijk een onroerende zaak aan de zoon van partijen heeft vervreemd. In die zin heeft de man de verhaalsmogelijkheden voor de vrouw beperkt.

3.10.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grieven alle falen. De door de man gevraagde voorzieningen dienen dan ook te worden geweigerd. Het hof is van oordeel dat hoewel partijen voormalig echtelieden zijn, de man gelet op de mate van gelijk en ongelijk dient te worden verwezen in de kosten van de beide instanties. De kostenveroordeling in eerste aanleg dient in stand te blijven en het vonnis kan in zijn geheel worden bekrachtigd, onder veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep, waarbij de gebruikelijke tarieven worden toegepast.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de man in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de vrouw begroot op € 314,- aan verschotten en € 2682,- voor salaris;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. H.A. van den Berg, mr. J. Jonkers en mr. M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2017.