Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1217

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
23-002468-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzetheling bewijsoverweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-002468-15

Datum uitspraak: 28 maart 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-702152-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

adres: [adres],

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2016 en 14 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 12 juni 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen a. 2 zonnebrillen (Prada) en/of b. een trui ([bedrijf 2]) en/of c. een trui ([bedrijf 3]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (onderscheidenlijk) a. de firma [bedrijf 1] (Leidsestraat) en/of b. de firma [bedrijf 2] (Heiligeweg) en/of c. de firma [bedrijf 3] (Leidsestraat), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s);

subsidiair:
hij op of omstreeks 12 juni 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, 2, althans een of meer zonnebrillen (Prada) en/of 2, althans een of meer truien ([bedrijf 2] en/of [bedrijf 3]), heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd.

Vrijspraak primair ten laste gelegde

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging subsidiair ten laste gelegde

De raadsman heeft vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte wist wat in de rugzak zat, laat staan dat hij wist dat de in de tas aangetroffen spullen en de aan hem overhandigde zonnebril van diefstal afkomstig waren.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte had voorafgaande aan en tijdens zijn aanhouding een rugzak bij zich, met daarin een ID‑staat op zijn naam en twee Samsung telefoons, waarvan hij heeft verklaard dat ze van hem zijn. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt verder dat de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en de verdachte elkaar op 12 juni 2015 op het Centraal Station in Amsterdam hebben ontmoet en enige tijd met elkaar zijn opgetrokken. De verdachte zou een slaapplaats voor de anderen regelen. Eén van de medeverdachten heeft verklaard dat zij hem om die reden een aantal gestolen goederen hebben gegeven.

[medeverdachte 1] heeft de Prada zonnebril direct na de diefstal aan de verdachte overhandigd en de verdachte had deze ten tijde van zijn aanhouding bij zich.

In de rugzak werden naast de voorwerpen van de verdachte gestolen goederen aangetroffen: een trui van het merk [bedrijf 3] en een kledingstuk van het merk [bedrijf 2]. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hadden de twee aangetroffen kledingstukken niet lang daarvoor gestolen. [medeverdachte 1] heeft de twee kledingstukken vervolgens aan de verdachte overhandigd. De verdachte heeft deze in de rugzak gedaan.

Gelet op het vorengaande en bij het uitblijven van een aannemelijk geworden alternatief scenario, is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte ervan op de hoogte was dat de aan hem overhandigde zonnebril en de zich in zijn rugzak bevindende kledingstukken even daarvoor gestolen waren. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:
hij op 12 juni 2015 te Amsterdam een zonnebril (Prada) en 2 truien ([bedrijf 2] en [bedrijf 3]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het door diefstal verkregen goederen betrof.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft de teruggave aan de verdachte gelast van de twee Samsung telefoons en de portemonnee.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een dure merkzonnebril en twee truien. Door aldus te handelen heeft de verdachte de diefstallen bevorderd. Een dergelijk feit leidt bovendien tot schade en overlast voor de rechthebbenden.

Het hof acht alles afwegende een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Gelet op de betrekkelijk hoge waarde van de geheelde goederen, de omstandigheden waaronder het feit is begaan alsmede de omstandigheid dat de verdachte geen adres in Nederland heeft, kan niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Beslissingen omtrent het beslag

Het hof zal de verbeurdverklaring bevelen van de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geprepareerde rugtas, omdat het feit met behulp daarvan is begaan.

Onvoldoende is komen vast te staan dat het hierboven bewezen verklaarde feit met behulp van de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven telefoons, die aan hem toebehoren, is begaan of voorbereid. Derhalve wordt de teruggave van deze goederen aan de verdachte gelast.

Uit het dossier blijkt niet van wie de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven portemonnee is, deze dient dan ook te worden bewaard voor de rechthebbende.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33a en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de verbeurdverklaring van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

geprepareerde tas, merk: Nike (nr. 4995219).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- telefoon, merk Samsung, kleur zwart (nr. 4995224),

- telefoon, merk Samsung, kleur zwart (nr. 4995227).

Gelast bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de portefeuille, inhoudende een tijdelijke ING pinpas, NH hotelpas, creditcard, 10 euro (nr. 4995232).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. W.M.C. Tilleman en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Oomkes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 maart 2017.