Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1211

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
23-001372-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte verbleef ten tijde van het onderzoek in eerste aanleg in detentie, uit de stukken van het dossier blijkt niet dat hij afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Ook niet gebleken van een gemachtigd raadsman. Terugwijzen naar rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-001372-16

Datum uitspraak: 16 februari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 april 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 13‑040425-16 en 13-096884-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2017.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 februari 2016 in tramlijn 4 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 72 juncto 98 van de Wet personenvervoer 2000, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar [naam] (brigadier van de eenheid Amsterdam), zijnde een ambtenaar als bedoeld in de artikelen 87 en 89 van deze wet, belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, gegeven bevel of vordering inhoudende – zakelijk weergegeven – om zich niet meer te bevinden in en/of zich te onthouden van het gebruik van het openbaar vervoer en de daarbij behorende voorzieningen in de vervoersclusters A en D voor de duur van zes maanden, ingaande op 14 oktober 2015 te 20.30 uur en geldig tot 14 april 2016 te 20.30 uur.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman aangevoerd dat de verdachte ten tijde van de terechtzitting in eerste aanleg in detentie verbleef. Nu de verdachte geen afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, is de zaak door de politierechter ten onrechte bij verstek afgedaan. Het vonnis dient derhalve te worden vernietigd en de zaak dient te worden teruggewezen naar de politierechter, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Uit een mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting blijkt dat de verdachte op 5 april 2016 uit andere hoofde in verzekering was gesteld. Gelet hierop en mede gelet op de verklaring van de verdachte, gaat het hof er vanuit dat de verdachte ten tijde van de behandeling van de onderhavige zaak in eerste aanleg op 7 april 2016 in detentie verbleef. Uit de stukken in het dossier blijkt niet dat de verdachte in eerste aanleg afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht noch dat destijds een gemachtigd raadsman ter terechtzitting is verschenen.

Artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering regelt de terugwijzing van een strafzaak door het hof in het geval de rechtbank/politierechter niet is toegekomen aan een beslissing over de hoofdzaak. In de jurisprudentie van de Hoge Raad is deze regeling uitgebreid voor het geval dat de rechtbank wel over de hoofdzaak heeft beslist maar aan de behandeling ten gronde niet had mogen toekomen, bijvoorbeeld omdat de verdachte, die een kernrol vervult bij het onderzoek ter terechtzitting aldaar niet is verschenen zonder dat kon worden aangenomen dat hij afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

Nu de verdachte op de dag van de terechtzitting in eerste aanleg in detentie verbleef en niet is verschenen terwijl niet is gebleken dat hij afstand van zijn aanwezigheidsrecht heeft gedaan, had de politierechter niet aan de inhoudelijke behandeling van de zaak mogen toekomen.

De verdediging heeft uitdrukkelijk om terugwijzing naar de rechtbank verzocht en ook de advocaat‑generaal heeft daartoe gerequireerd, zodat het hof de zaak niet zelf kan afdoen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep daarom vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank Amsterdam.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroepen doet opnieuw recht:

wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Amsterdam, teneinde met inachtneming van dit arrest opnieuw recht te doen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Oomkes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 februari 2017.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.