Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1209

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
23-003587-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:306, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwerping verweer niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie; openlijke geweldpleging door standbeeld in brand te steken; verwerping verweer ontslag van alle rechtsvervolging nu strafvervolging in strijd zou zijn met de artikel 10 en 11 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-003587-15

Datum uitspraak: 2 maart 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 september 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-050593-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2016 en 16 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 13 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Spui, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een standbeeld, te weten het Lieverdje, welk geweld bestond uit - het gooien en/of overgieten van/met lampenolie, althans een soortgelijk (brandbare) vloeistof over dat standbeeld en/of (vervolgens) - het aansteken van die lampenolie met een brandende fakkel, althans het (open)vuur in aanraking en/of contact te brengen met die lampenolie waardoor dat standbeeld begon te branden en/of - het gooien van een doek, althans kleding op het vuur bij en/of op dat standbeeld en/of - het gooien en/of sproeien van (nog meer) van die lampenolie op het vuur bij en/of op dat standbeeld;

subsidiair:
hij op of omstreeks 13 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk het standbeeld het Lieverdje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Gemeente Amsterdam, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De raadsman heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ter zake van het ten laste gelegde. Daartoe heeft hij – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

De aanhouding en de strafrechtelijke vervolging van de verdachte zijn in strijd geweest met de artikelen 10 en 11 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en de artikelen 19 en 21 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Het recht op vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht van de verdachte zijn door de aanhouding de facto teniet gedaan en daarmee in de kern aangetast. Een belang van de staat bij onverwijlde aanhouding weegt daar niet tegenop. Strafrechtelijke vervolging is tegen deze achtergrond in strijd met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, zodat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging in de rede ligt.

Het hof overweegt als volgt.

De artikelen 10 van het EVRM en 19 van het IVBPR geven een ieder het recht op vrijheid van meningsuiting. De artikelen 11 van het EVRM en 21 van het IVBPR geven een ieder het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging. Deze twee vrijheden zijn geen absolute rechten. Ze kunnen worden beperkt, mits bij wet voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving met het oog op legitieme doelstellingen.

Feiten en omstandigheden

Op 13 maart 2015 vond een studentendemonstratie plaats op onder meer het Spui te Amsterdam. De demonstratie werd aangevoerd door de verdachte. Binnen de demonstratie droeg een groep van ongeveer 20 personen bivakmutsen en geheel zwarte bovenkleding. Zij deelden op verfbommen gelijkende voorwerpen uit en ontstaken zogenaamde Romeinse kaarsen. Op een gegeven moment klom de verdachte op het standbeeld ‘Het Lieverdje’ en sprak de gehele demonstratie toe. Dit standbeeld is eigendom van de gemeente Amsterdam. Een van de personen in het zwart gekleed en met bivakmuts op, spoot vloeistof uit een fles, die door verbalisanten werd herkend als een verpakking lampenolie, over het standbeeld en de sokkel van dit beeld. Deze persoon ontstak vervolgens een Romeinse kaars en probeerde daarmee de vloeistof te laten ontbranden. Het beeld vatte vlam en hierop gooide een tweede persoon vloeistof over het standbeeld, waardoor de vlammen hoger werden. Vervolgens raapte de verdachte een doek van de straat en gooide deze op de reeds rijzende vlammen, waardoor het vuur nog meer aanwakkerde. Ook legde hij een aantal flyers in de vlammen. Gezien deze feiten en omstandigheden zijn de verbalisanten overgegaan tot aanhouding van de verdachte.

Oordeel hof

Naar het oordeel van het hof vormden de hierboven bedoelde feiten en omstandigheden voldoende grond voor de conclusie dat op het moment van aanhouden sprake was van een redelijk vermoeden van schuld van de verdachte aan enig strafbaar feit als bedoeld in de artikelen 157, eerste lid, 141 of 350 Wetboek van Strafrecht.

Het overgaan tot aanhouding van de verdachte en de uiteindelijke strafvervolging leverden een beperking op van de vrijheden zoals neergelegd in de genoemde verdragsbepalingen. Die beperking kon naar het oordeel van het hof echter worden aangemerkt als noodzakelijk in een democratische samenleving, met het oog op het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en met het oog op de bescherming van het eigendomsrecht van een ander. Het hof merkt daarbij op dat bij de beoordeling daarvan aan de officier van justitie en de dienstdoende opsporingsambtenaren een ruime vrijheid toekomt.

De beperkingen die werden gesteld voldeden aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Door politie en justitie werd ingegrepen toen naar alle redelijkheid een - voor personen dan wel goederen - gevaarlijke situatie ontstond, waarbij inbreuk werd gemaakt op het eigendomsrecht van de gemeente Amsterdam als eigenaar van het standbeeld ‘Het Lieverdje’. Het middel dat is ingezet, te weten aanhouding, staat daarmee in redelijke verhouding. De betreffende ambtenaren waren daartoe dan ook bevoegd.

Gelet op het vorengaande is het hof voorts van oordeel dat het openbaar ministerie in redelijkheid tot strafrechtelijke vervolging van de verdachte heeft kunnen overgaan en dat deze vervolging niet in strijd is met het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van het EVRM en de artikelen 19 en 21 van het IVBPR.

Nu ook overigens niet is gebleken van een belemmering in de strafrechtelijke vervolging van de verdachte door het openbaar ministerie, wordt het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:
hij op 13 maart 2015 te Amsterdam, met anderen, op de openbare weg het Spui, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een standbeeld, te weten het Lieverdje, welk geweld bestond uit

- het gooien van lampenolie, althans een soortgelijke brandbare vloeistof over dat standbeeld en

- het aansteken van die lampenolie met een brandende fakkel waardoor dat standbeeld begon te branden en

- het gooien van een doek op het vuur bij dat standbeeld.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft subsidiair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het ten laste gelegde geweld niet kan worden aangemerkt als een zodanige kracht dat de openbare orde erdoor wordt verstoord, te meer nu het geweld werd aangewend in het kader van een demonstratie.

Het hof is, anders dan de raadsman, van oordeel dat van het handelen van de verdachte en diens medeverdachten gelet op de aard en het karakter daarvan, te weten kort gezegd het in brand steken van een standbeeld, een zodanige kracht uitging dat de openbare orde daardoor werd verstoord. Dat deze openlijke geweldpleging in het kader van een demonstratie plaatsvond, doet hieraan niet af.

Derhalve is naar het oordeel sprake van openlijk geweld als bedoeld in de tenlastelegging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

De raadsman heeft meer subsidiair bepleit dat het ten laste gelegde handelen wordt beschermd door de artikelen 10 en 11 van het EVRM en de artikelen 19 en 21 van het IVBPR. De door de tenlastelegging beoogde strafbepaling dient in dit geval dan ook buiten toepassing te blijven en de verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Meest subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu, gelet op het feit dat brandstichting zelfstandig strafbaar is gesteld in de strafwet, sprake is van systematische specialiteit.

Het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht van vergadering staan aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van openlijke geweldpleging niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van voornoemde verdragsbepalingen toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van genoemde vrijheden vormt.

Vast staat dat de verdachte zich binnen het kader van een demonstratie schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen goederen als bewezenverklaard.

De verdachte wordt door strafrechtelijke veroordeling mogelijk gehinderd in zijn recht op meningsuiting op de wijze die de verdachte voor ogen had. Deze beperking is evenwel in overeenstemming met de wet en noodzakelijk en gerechtvaardigd gezien de bewezenverklaarde handelingen waardoor de verdachte en de medeverdachten door het toepassen van geweld de openbare orde hebben geschonden. De verdachte en zijn medeverdachten hadden hun mening kunnen uiten, kunnen demonstreren en invulling kunnen geven aan het hun toekomende recht op vergadering zonder het standbeeld in brand te steken. Daaraan doet de symbolische of historische betekenis van juist dit standbeeld, zoals door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw benadrukt, niet af.

Een veroordeling voor het bewezen verklaarde handelen is naar het oordeel van het hof derhalve niet in strijd met voornoemde verdragsbepalingen. Het meer subsidiaire verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Tot slot verwerpt het hof ook het meest subsidiaire verweer van de raadsman. Daartoe overweegt het hof dat gelet op hun inhoud, strekking en de te beschermen belangen de artikelen 157 en 429 Sr niet als specialis van het bepaalde in artikel 141 Sr kunnen worden aangemerkt.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan een gedeelte van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, subsidiair10 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.

De raadsman heeft verzocht de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte niet het initiatief heeft genomen tot het feit en dat zijn rol beperkt was. Voorts dient rekening te worden gehouden met de context van een demonstratie. De verdachte heeft reeds drie dagen in voorarrest verbleven, hetgeen voldoende straf is voor de feitelijke gedraging die hem wordt verweten.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Met medeverdachten heeft hij (gedeelten van) een standbeeld in brand gestoken en de rol van de verdachte was significant. Door aldus te handelen heeft de verdachte de openbare orde verstoord en inbreuk gemaakt op het recht van de gemeente Amsterdam op een ongestoord eigendomsrecht van het betreffende standbeeld.

Dergelijke feiten dragen bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid binnen de samenleving en leveren een gevaar op voor de openbare orde.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 januari 2017 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Gelet op het vorengaande acht het hof in beginsel een straf zoals de politierechter heeft opgelegd passend en geboden. In het voordeel van de verdachte houdt het hof echter rekening met het feit dat hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft benadrukt dat hij spijt heeft van hetgeen hij heeft gedaan, waarmee hij in de ogen van het hof inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen. Gelet hierop en gelet ook op de inhoud van het reclasseringsadvies van 31 mei 2016 daaromtrent, acht het hof de kans op recidive gering.

Het hof acht mede gelet daarop, alles afwegende, een onvoorwaardelijke geldboete in combinatie met een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c en 141 Sr.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Oomkes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 maart 2017.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.