Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1190

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-04-2017
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
200.189.061/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurkwestie. Overeenkomst op grond waarvan geïntimeerde de huurovereenkomst bedrijfsruimte mag overnemen van appellante. Appellante stelt dat geïntimeerde niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en weigert nakoming. Uitleg akte. Akte levert dwingend bewijs van volledige betaling. Tegenbewijs is door appellante niet geleverd. Met haar beslissing dat het vonnis ex art. 3:300 lid 1 en 3:296 lid 2 BW dezelfde kracht heeft als een door appellante gedane opzegging van de huur is de rechtbank niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Bepleite belangenafweging heeft geen succes nu de investeringen in het gehuurde door appellante zijn gedaan tijdens de bodemprocedure en daarom voor eigen rekening komen. Zie ECLI:NL:GHAMS:2016:5753.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.189.061/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/573645 / HA ZA 14-960

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 april 2017

inzake

IC E-NORM B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. P.J. Sandberg te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. B. Coskun te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna IC E-norm en [geïntimeerde] genoemd.

IC E-norm is bij dagvaarding van 30 maart 2016, onder buitenwerkingstelling van de op 16 maart 2016 uitgebrachte dagvaarding, in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Amsterdam onder bovenstaand zaak- en rolnummer gewezen vonnissen van 28 januari 2015, 24 juni 2015 en 30 december 2015 (eindvonnis) tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie en IC E-norm als gedaagde in conventie. De dagvaarding bevat de grieven alsmede een incidentele vordering strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis totdat is beslist op de (bodem)zaak in hoger beroep. Aan de dagvaarding zijn producties gehecht. Ter rolle heeft IC E-norm geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding.

Bij arrest van 9 augustus 2016 heeft dit hof voormelde incidentele vordering afgewezen.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] een memorie van antwoord in de hoofdzaak ingediend, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 21 februari 2017 doen bepleiten, IC E-norm door mr. Sandberg voornoemd en [geïntimeerde] door mr. Coskun voornoemd. Daarbij heeft mr. Sandberg zich bediend van aan het hof overgelegde aantekeningen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

IC E-norm heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen (in conventie) zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] alsnog in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze hem zal ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] - uitvoerbaar bij voorraad - tot terugbetaling van de reeds voldane proceskosten ten bedrage van € 1.801,77 en in de kosten van het geding in beide instanties.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van IC E-norm in de kosten van het geding in hoger beroep.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden tussenvonnis van 24 juni 2015 onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Deze feiten komen - voor zover thans nog van belang en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan - neer op het volgende.

2.1

Tussen enerzijds IC E-norm en [A] (huurders) en anderzijds [B] (verhuurder) bestond een huurovereenkomst betreffende de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres 1] alsmede betreffende de inpandige ruimten [adres 2] en [adres 3] , steeds te [plaats] (hierna: het gehuurde).

2.1.1

[A] is op 25 maart 2014 in staat van faillissement verklaard en is als huurder uitgetreden.

2.2

Omstreeks 28 april 2014 heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 59.300,00 betaald aan de deurwaarder van de verhuurder.

2.3

Op 2 mei 2014 is een vaststellingsovereenkomst gesloten, strekkende tot vervanging van een op 29 april 2014 gesloten vaststellingsovereenkomst. In de overeenkomst van 2 mei 2014 (hierna: de vaststellingsovereenkomst) is bepaald, zakelijk weergegeven:

  • -

    Als wederpartij van [geïntimeerde] treedt op ‘partij 2’.

  • -

    Als ‘partij 2’ treden op: Beyoglu Nederland B.V., IC E-norm (“rechtsgeldig

vertegenwoordigd door [A] in de functie van directeur”) en [A] in privé;

 [geïntimeerde] heeft een bedrag van € 95.000,00 reeds ter beschikking gesteld aan

partij 2, zulks ter voorkoming van ontruiming van het gehuurde en ontbinding van de huurovereenkomst;

 Het bedrag van € 95.000,00 is bedoeld als tegenprestatie van [geïntimeerde] voor het

door [geïntimeerde] overnemen van de huur van het gehuurde;

 Partij 2 zal haar huurrechten overdragen aan [geïntimeerde] of aan een door [geïntimeerde]

aan te wijzen derde;

 Mocht overdracht van de huur aan [geïntimeerde] niet mogelijk zijn vanwege niet aan

[geïntimeerde] toe te rekenen omstandigheden, dan betaalt partij 2 het bedrag van € 95.000,00 aan [geïntimeerde] terug;

 De echtgenote van [A] zal de overeenkomst mede ondertekenen.

2.3.1

De vaststellingsovereenkomst is ondertekend door [geïntimeerde] en “Namens partij 2” door [A] . Voorts is onder de naam van de echtgenote van [A] een handtekening geplaatst.

2.4

Op 14 mei 2014 is in het handelsregister geregistreerd dat [A] per l mei 2014 is afgetreden als bestuurder van IC E-norm en dat met ingang van 1 mei 2014 [C] als bestuurder van IC E-norm is benoemd.

2.6

Bij brief van 12 juni 2014 heeft [geïntimeerde] [A] als volgt bericht:

‘(…) Gezien bovenstaande feiten is onze relatie duurzaam beschadigd. Vanwege dramatiserende handelingen aan uw zijde heb ik er geen hoop meer in dat u de overeenkomst [vaststellingsovereenkomst, hof] alsnog na zal leven. De afgelopen zes weken hebben u er niet toe bewogen de overeenkomst alsnog na te leven. Nu tevens niet uit uw handelen blijkt dat u alsnog naleving van de overeenkomst wenst, eis ik het eerder door mij aan u en uw verhuurder beschikbaar gesteld bedrag ad. €95.0000,00, overeenkomstig de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst, binnen 24 uur van u terug. (…).’

2.7

Bij brief van 16 juni 2014 is [A] namens [geïntimeerde] in gebreke gesteld met betrekking tot de betaling van voormeld bedrag.

2.8

Bij e-mail van 23 juni 2014 heeft [C] Albayrak (voormalig advocaat van [geïntimeerde] ) als volgt bericht:

‘(…). In aanvulling op mijn eerdere e-mail wil ik u mededelen dat wij bereid zijn om de overeenkomst over te dragen onder de volgende opties. (…).’

2.9

Overneming van de huur van het gehuurde heeft niet plaatsgevonden.

3 Beoordeling

3.1

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] in conventie primair gevorderd te verklaren dat het te wijzen vonnis hem ex artikel 3:299 BW machtigt om namens IC E-norm de huurovereenkomst met [B] op te zeggen onder de voorwaarde dat [geïntimeerde] met [B] een nieuwe huurovereenkomst sluit en subsidiair te verklaren ex artikel 3:300 BW dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van de akte indeplaatsstelling ten behoeve van de huurovereenkomst zonder dat IC E-norm daaraan haar medewerking behoeft te verlenen, waardoor met toestemming van [B] de huurovereenkomst rechtens zal overgaan van IC E-norm naar [geïntimeerde] dan wel een door hem aan te wijzen derde partij.

3.2

Bij het bestreden eindvonnis van 30 december 2015 heeft de rechtbank in conventie bepaald - samengevat - dat dat vonnis op de voet van de artikelen 3:300 lid 1 en 3:296 lid 2 BW dezelfde kracht heeft als een door IC E-norm gedane opzegging van de huur tegen de datum waarop [geïntimeerde] huurder wordt van het gehuurde onder de voorwaarden dat:

 het vonnis aan IC E-norm is betekend;

 [geïntimeerde] en [B] binnen zes weken na de betekening een huurovereenkomst sluiten;

 de ingangsdatum van die nieuwe huurovereenkomst niet eerder mag zijn dan 12 weken na de betekening van het vonnis;

 [geïntimeerde] en [B] gezamenlijk binnen zes weken na betekening van het vonnis IC E-norm bij aangetekende brief hebben medegedeeld dat (a) [geïntimeerde] en [B] een nieuwe huurovereenkomst hebben gesloten, (b) dat de huurovereenkomst met IC E-norm hierdoor wordt beëindigd en (c) tegen welke datum.

Het eindvonnis is in conventie uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.3

Tegen deze beslissing en de daaraan in dat eindvonnis en in het tussenvonnis van 24 juni 2015 ten grondslag gelegde motivering komt IC E-norm met haar grieven op.

3.4

In het kader van dit hoger beroep is voorts het volgende relevant.

3.4.1

Op 6 januari 2016 is het vonnis aan IC E-norm betekend.

3.4.2

Op 8 februari 2016 is op verzoek van [geïntimeerde] een brief van die datum, die is ondertekend door [B] en [geïntimeerde] , aan IC E-norm betekend. In die brief is onder meer opgenomen dat tussen [geïntimeerde] en [B] een huurovereenkomst tot stand is gekomen die ingaat op 1 april 2016 en dat als gevolg hiervan, gezien het vonnis van 30 december 2015, de huurovereenkomst tussen IC E-norm en [B] als opgezegd geldt. In de brief is voorts opgenomen dat [B] de eigendom van het gehuurde op korte termijn zal overdragen en dat de nieuwe eigenaar een huurovereenkomst met [geïntimeerde] zal aangaan.

3.4.3

Op 11 februari 2016 is op verzoek van [D] , de nieuwe eigenaar van het gehuurde, en [geïntimeerde] een door hen op 10 februari 2016 ondertekende brief aan IC E-norm betekend. In de brief van 10 februari 2016 is onder meer opgenomen dat tussen [D] en [geïntimeerde] een huurovereenkomst is gesloten die ingaat op 1 april 2016 en dat deze brief ingevolge het vonnis van 30 december 2015 een rechtsgeldige opzegging constitueert van de huurovereenkomst tussen [D] en IC E-norm.

3.4.4

Naar aanleiding van de nadien tussen partijen gevoerde procedure in kort geding, in welke procedure [D] is tussengekomen, heeft het hof, in navolging van het oordeel van de voorzieningenrechter in eerste aanleg, bij arrest van 20 mei 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:2115) de (in conventie) door IC E-norm gevorderde schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis van 30 december 2015 afgewezen en de (in reconventie) door [geïntimeerde] gevorderde ontruiming van het gehuurde toegewezen. De grieven die IC E-norm in die procedure heeft opgeworpen zijn inhoudelijk (groten)deels gelijkluidend aan de grieven in onderhavige bodemprocedure. Voor zover deze procedure dat toelaat, zal het hof in de beoordeling verwijzen naar zijn eerdere overwegingen met betrekking tot bedoelde grieven.

3.5

Tegen het vonnis van 28 januari 2015 zijn geen grieven aangevoerd, zodat IC E-norm in het hoger beroep tegen dat vonnis niet kan worden ontvangen.

3.6

In grief 1 bestrijdt IC E-norm het oordeel van de rechtbank dat zij partij is bij de met, voor zover van belang, [geïntimeerde] gesloten vaststellingsovereenkomst. IC E-norm heeft daartoe, samengevat, gesteld dat [A] op dat moment niet bevoegd was IC E-norm te vertegenwoordigen. [A] was immers reeds als bestuurder van IC E-norm afgetreden. Het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, achter de rug van IC E-norm, kan aan laatstgenoemde niet worden tegengeworpen. Of [geïntimeerde] van het aftreden van [A] op de hoogte was of daarvan op de hoogte had kunnen zijn, is daarbij niet van belang, aldus steeds IC E-norm.

3.7

Anders dan IC E-norm heeft aangevoerd, is de (geobjectiveerde) wetenschap omtrent het aftreden van een vertegenwoordigingsbevoegde bestuurder - [A] - bij het leerstuk van de vertegenwoordigingsbevoegdheid juist wel van belang. Het gaat er immers om of [geïntimeerde] bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst ervan mocht uitgaan dat [A] de bestuurder van IC E-norm was. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de bestuurswissel van 1 mei 2014, waarbij [A] is afgetreden en [C] bestuurder van IC E-norm is geworden, niet aan [geïntimeerde] kan worden tegengeworpen, nu deze bestuurswissel pas op 14 mei 2014 bij de Kamer van Koophandel is geregistreerd. [geïntimeerde] kón aldus niet weten dat [A] op 2 mei 2014 kennelijk geen bestuurder meer was, zodat hij op grond van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel van het tegendeel mocht uitgaan. De grief faalt derhalve.

3.8

In grief 3 – grief 2 komt hierna aan de orde – heeft IC E-norm voorts aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst nietig is, aangezien de daarop onder de naam van [E] (echtgenote van [A] ) geplaatste handtekening door [A] zou zijn vervalst. Nu IC E-norm in dit hoger beroep niet nader heeft toegelicht op welke grond(en) het valselijk mede ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst in haar rechtsverhouding met [geïntimeerde] dient te leiden tot nietigheid van de overeenkomst, heeft zij haar stelling onvoldoende onderbouwd. De grief faalt dan ook in zoverre.

3.9

In grief 2 klaagt IC E-norm dat de rechtbank niet heeft overwogen dat de vaststellingsovereenkomst op het moment van dagvaarden reeds was ontbonden, zodat de vordering (in conventie) tot nakoming van die overeenkomst niet had kunnen worden toegewezen. Immers, bij brieven van 12 en 16 juni 2014 heeft [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op (terug)betaling van € 95.000,-. Volgens IC E-norm kunnen die brieven niet anders worden uitgelegd dan dat [geïntimeerde] de vaststellingsovereenkomst daarmee heeft ontbonden. Ook het kort nadien namens [geïntimeerde] ingediende verzoekschrift tot faillietverklaring van IC E-norm onderstreept die lezing. [geïntimeerde] heeft daarmee gekozen voor “de route van terugbetaling” en kan op die keuze niet eenzijdig terugkomen door alsnog nakoming van de vaststellingsovereenkomst te verlangen. Voor zover nodig heeft IC E-norm de vaststellingsovereenkomst bij brief van 10 maart 2016 (alsnog) ontbonden wegens tekortkoming van [geïntimeerde] in de nakoming van de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen betalingsverplichting.

3.10.1

Los van de vraag of de inhoud van de vaststellingsovereenkomst ontbinding door één der partijen toestaat, is het hof van oordeel dat aan het sturen van twee verzoeken tot (terug)betaling en het indienen van een faillissementsrekest niet een beroep op ontbinding van de vaststellingsovereenkomst besloten ligt. Deze brieven dan wel het aanhangig maken van het faillissementsrekest zijn, zoals [geïntimeerde] in dit hoger beroep opnieuw heeft aangevoerd, bedoeld geweest om druk op IC E-norm uit te oefenen en haar ertoe te bewegen de vaststellingsovereenkomst alsnog na te komen. Dat ook IC E-norm de brieven van 12 en 16 juni 2014 niet als een beroep op ontbinding van de vaststellingsovereenkomst heeft aangemerkt, blijkt wel uit de e-mail van 23 juni 2014 van [C] aan Albayrak . [C] toont zich in die e-mail (alsnog) bereid tot overdracht van de huurovereenkomst. Dat uitgangspunt verhoudt zich niet met de stelling dat de brieven als een schriftelijke verklaring tot buitengerechtelijke ontbinding van de vaststellingsovereenkomst moeten worden begrepen. Ook het namens [geïntimeerde] ingediende faillissementsrekest, volgens IC E-norm bedoeld om de ontbinding extra kracht bij te zetten, kan, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, op zichzelf niet worden beschouwd als een verklaring tot ontbinding van de vaststellingsovereenkomst. In het kader van deze grief heeft voorts te gelden dat, zoals het hof in de in overweging 3.4.4 bedoelde procedure reeds heeft geoordeeld, in artikel 4.2 van de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat het bedrag van € 95.000,- onmiddellijk opeisbaar is indien mocht blijken dat de overname van de huurovereenkomst niet mogelijk is vanwege een niet aan [geïntimeerde] toe te rekenen reden. Een beroep op deze bepaling heeft als een beroep op nakoming te gelden, niet als een beroep op ontbinding dan wel vernietiging van de vaststellingsovereenkomst.

3.10.2

De vraag of IC E-norm aan de buitengerechtelijke ontbinding van de vaststellingovereenkomst bij brief van 10 maart 2016, derhalve na het eindvonnis van de rechtbank, rechten kan ontlenen, is afhankelijk van het lot van de overige grieven tegen dat vonnis, nu daarin is bepaald dat [geïntimeerde] zijn verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst jegens IC E-norm is nagekomen, waarmee de grond voor (buitengerechtelijke) ontbinding van de vaststellingsovereenkomst zou ontbreken (artikel 6:265 BW).

3.11

De grieven 3 (voor het overige) en 4 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Samengevat klaagt IC E-norm erover dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat met de vaststellingsovereenkomst dwingend is bewezen dat [geïntimeerde] het bedrag van € 95.000,- aan IC E-norm heeft voldaan en dat IC E-norm niet is geslaagd in het haar toegelaten tegenbewijs.

3.12

In deze grieven staat de zinsnede “ter beschikking gesteld” centraal, zoals opgenomen in artikel 2.1 van de vaststellingsovereenkomst. Daarmee hebben partijen volgens IC E-norm niet bedoeld dat [geïntimeerde] het verschuldigde bedrag daadwerkelijk heeft betaald. Die woordkeuze, waarbij nadrukkelijk is afgeweken van “betaald”, duidt juist op het tegendeel. De rechtbank heeft de overeenkomst op dit punt dan ook onjuist uitgelegd. Ook verder is de tekst van de vaststellingsovereenkomst dermate wollig en inconsequent dat daaruit geen bewijs van betaling kan worden gedestilleerd.

Dat [geïntimeerde] het bedrag van € 95.000,- nog niet volledig heeft voldaan volgt voorts uit de diverse getuigenverklaringen. Daaruit kan slechts worden opgemaakt dat niet meer is betaald dan het bedrag dat [geïntimeerde] aan de deurwaarder van [B] heeft voldaan (zie r.o. 2.2). Volgens IC E-norm hadden de getuigenverklaringen tot het oordeel moeten leiden dat het voorshandse bewijs van die betaling daarmee was ontzenuwd. Daarbij verzet IC E-norm zich tevens tegen het oordeel van de rechtbank dat de inhoud van de overeenkomst dwingende bewijskracht heeft.

3.13.1

Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat de bewoordingen in artikel 2.1 van de vaststellingsovereenkomst redelijkerwijs niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat [geïntimeerde] in totaal een bedrag van € 95.000,- aan of namens IC E-norm heeft voldaan. Ook in deze procedure betrekt het hof hierbij het feit dat in artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst nog is vermeld dat partij 1 – [geïntimeerde] – bedoeld bedrag heeft “gespendeerd om zich zeker te stellen van het recht op overname van de huurovereenkomst”, alsmede de omstandigheid dat vast staat dat het grootste deel van het bedrag van € 95.000,- niet (rechtsreeks) aan IC E-norm is betaald, maar aan de deurwaarder, wat de wat wollige formuleringen zou kunnen verklaren. De in dit hoger beroep door IC E-norm aangevoerde feiten en omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel op dat punt.

3.13.2

Niet in geschil is verder dat de tussen [geïntimeerde] en, voor zover van belang, IC E-norm gesloten overeenkomst is te kwalificeren als een onderhandse akte. Aldus levert een verklaring van hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring (artikel 157 lid 2 Rv). Het staat de wederpartij – IC E-norm – evenwel vrij daarvan tegenbewijs te leveren (artikel 151 lid 2 Rv). Het behoeft geen nadere toelichting dat verzet van IC E-norm tegen de uitleg die het hof in navolging van de rechtbank aan artikel 2.1 van de overeenkomst geeft, niet betekent dat die uitleg in dat geval tussen partijen geen dwingende bewijskracht oplevert.

3.13.3

Hetgeen IC E-norm in dit hoger beroep in het kader van het haar toegelaten tegenbewijs heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere waardering van het bewijs. Hoewel het hof met IC E-norm van oordeel is dat aan een verklaring de auditu bewijskracht kan worden toegekend, heeft in onderhavig geschil te gelden dat de verklaring van [G] niets toevoegt aan de eigen verklaringen van [A] en [C] . Deze verklaringen zijn, tegenover de verklaring van [geïntimeerde] , op hun beurt onvoldoende om de stelling van [geïntimeerde] dat hij ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst reeds een bedrag van € 95.000,00 ter beschikking had gesteld (naar het hof begrijpt: voldaan), te ontzenuwen. Ook deze grieven falen dus.

3.14

In grief 5 klaagt IC E-norm dat de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, doordat de rechtbank op de voet van de artikel 3:300 lid 1 en 3:296 lid 2 BW heeft bepaald dat het vonnis dezelfde kracht heeft als een door IC E-norm gedane opzegging van de huur, terwijl [geïntimeerde] primair een verklaring had gevorderd dat het vonnis “ex artikel 3:299 BW” hem machtigt tot opzegging namens [geïntimeerde] en subsidiair dat het vonnis “ex artikel 3:300 BW” in de plaats treedt van de akte indeplaatsstelling. Het vonnis berust daarmee op een misslag, aldus IC E-norm.

3.15

In het tussenvonnis van 24 juni 2015 heeft de rechtbank op dit punt overwogen: ‘IC E-norm merkt terecht op dat overdracht van de huur niet mogelijk is zonder de toestemming van de verhuurder. [geïntimeerde] heeft dat overigens ook onderkend, hetgeen ligt besloten in de formulering van de eis, zoals nader toegelicht ter comparitie. De rechtbank merkt op dat in het primair gevorderde artikel 3:299 BW als rechtsgrond wordt genoemd, terwijl opzegging van de huur als een rechtshandeling is te beschouwen, zodat artikel 3:300 BW in beeld komt.’

De rechtbank heeft de primaire vordering aldus uitgelegd dat deze ertoe strekt dat de rechtbank een zodanige voorziening treft dat ook zonder de medewerking van IC E-norm opzegging van de huurovereenkomst plaats kan hebben. Aan die strekking wordt naar het kennelijke oordeel van de rechtbank – nu het doen van een opzegging moet worden aangemerkt als een rechtshandeling en niet, zoals ligt besloten in de primaire vordering van [geïntimeerde] , als het verrichten van een feitelijke handeling – tegemoet gekomen door op de voet van artikel 3:300 lid 1 BW te bepalen dat het vonnis dezelfde kracht heeft als een opzegging door IC E-norm. Met deze uitleg van de primaire vordering is de rechtbank, mede gelet op de formulering van de subsidiaire vordering, niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden - de rechter vult immers ambtshalve de rechtsgronden aan (artikel 25 Rv) - zodat om die reden niet kan worden gezegd dat het vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag. Bij dat oordeel heeft het hof voorts betrokken dat dit onderwerp uitdrukkelijk ter comparitie is besproken. De grief faalt derhalve.

3.16

Grief 6, die inhoudt dat het toegewezene - de opzegging - in strijd is met de huurovereenkomst en de wet, faalt reeds omdat partijen de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden hebben beëindigd, nu de opzegging van IC E-norm, in welke plaats het vonnis is getreden, door de verhuurder is geaccepteerd. Aan de opzegging heeft de rechtbank immers de voorwaarde verbonden dat [geïntimeerde] en de verhuurder een nieuwe huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde sluiten. Uit het feit dat laatstgenoemden die huurovereenkomst hebben gesloten, volgt aldus dat de verhuurder de opzegging van IC E-norm heeft geaccepteerd.

3.17

Grief 7 houdt, samengevat en voor zover de grief betrekking heeft op onderhavig geding, een beroep in op de redelijkheid en billijkheid. Volgens IC E-norm verzetten die maatstaven zich ertegen haar te houden aan de afspraken zoals die zijn opgenomen in de vaststellingsovereenkomst. IC E-norm zal in dat geval schade lijden, aangezien zij, althans haar franchisegever [X] Club B.V. (hierna: [X] ), na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst (substantiële) investeringen in het gehuurde heeft gedaan. Deze investeringen waren gerechtvaardigd aangezien IC E-norm, gelet op de uitlatingen van [B] (voormalig verhuurder), erop mocht vertrouwen dat zij huurder van het gehuurde was en ook zou blijven. Als gevolg van het vonnis van de rechtbank vloeien bedoelde investeringen thans, ten onrechte, toe aan de nieuwe eigenaar van het gehuurde, [D] . IC E-norm meent dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen en die van [X] .

3.18

In onderhavige procedure heeft te gelden dat de belangen waarop IC E-norm thans een beroep doet – dreigend faillissement, verlies van investeringen – door haar zelf zijn gecreëerd. Bedoelde investeringen zijn immers gedaan tijdens de bodemprocedure in eerste aanleg, in welke procedure [geïntimeerde] uitdrukkelijk aanspraak op het gehuurde maakte. Reeds op grond van die omstandigheid kan IC E-norm niet in haar stelling worden gevolgd dat zij huurder was en ook zou blijven. Die kwestie lag immers ter beoordeling voor. Met het (laten) doen van investeringen heeft IC E-norm een risico genomen, dat, nu het risico zich openbaart, naar het oordeel van het hof voor haar eigen rekening dient te komen. De grief faalt.

3.19

Grief 8, ten slotte, is een veeggrief zonder zelfstandige betekenis en behoeft om die reden geen afzonderlijke behandeling. Uit het falen van de overige grieven vloeit voort dat ook grief 2, voor zover die ziet op de buitengerechtelijke ontbinding door IC E-norm, tevergeefs is voorgedragen. Ook grief 2 faalt dus geheel.

3.20

De slotsom luidt dat geen van de grieven tot vernietiging van de bestreden vonnissen leidt. De vonnissen waarvan beroep zullen daarom worden bekrachtigd. IC E-norm zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

verklaart IC E-norm niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het vonnis van 28 januari 2015;

bekrachtigt de bestreden vonnissen van 24 juni 2015 en 30 december 2015;

veroordeelt IC E-norm in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 314,00 aan verschotten en € 2.682,00 voor salaris;

verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W.B. Snijders Blok en E.P. Stolp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 april 2017.