Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1031

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
200.177.458/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht, vaststelling vordering nalatenschap inzake wettelijke verdeling, zuivere aanvaarding ja of nee?, vaststelling legitieme portie en wel of geen rentevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0087
JERF 2017/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team III

zaaknummer : 200.177.458/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland: C14/149710/HA-ZA 13-301

(locatie Alkmaar)

arrest van de meervoudige familiekamer van 28 maart 2017

inzake

[appellant] ,

wonend te [plaats a] ,

appellant,

advocaat: mr. A.C. Kool te Amsterdam,

tegen

1 [geintimeerde sub 1] ,

in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van wijlen [erflaatster] ,

wonend te [plaats b] ;

2. [geintimeerde sub 2] ,

wonende te [plaats c] ;

3. [geintimeerde sub 3] ,

wonende te [plaats d] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. Th.C.J. Kaandorp te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Partijen worden hierna respectievelijk [appellant] enerzijds en anderzijds [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] genoemd.

1.2

[appellant] is bij dagvaarding van 15 september 2015 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Noord Holland (locatie Alkmaar) van respectievelijk

8 januari 2014, 9 juli 2014, 21 januari 2015 en 17 juni 2015, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] als gedaagden.

1.3

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte uitlating productie van 16 februari 2016 van de zijde van [appellant] .

1.4

Ten slotte is arrest gevraagd.

1.5

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad – hem alsnog in zijn vorderingen ontvankelijk zal verklaren en zijn vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van het geding in beide instanties.

1.6

Geïntimeerden hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in zijn vorderingen althans tot afwijzing van diens vorderingen, althans tot bevestiging van het gewezen eindvonnis - zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden - , met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedures in beide instanties.

1.7

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden tussenvonnis van 9 juli 2014 onder 2.1 onder a tot en met f de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellant] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] zijn de kinderen van [erflater] (hierna: de vader) en [erflaatster] (hierna: de moeder) die buiten iedere gemeenschap van goederen waren gehuwd. De vader is overleden op 7 november 2008 zonder bij testament over zijn nalatenschap te hebben beschikt, zodat de moeder ingevolge de wettelijke verdeling alle goederen van de nalatenschap heeft verkregen onder de verplichting de schulden van de nalatenschap voor haar rekening te nemen en de kinderen een vordering op de moeder hebben gekregen ter grootte van ¼ deel van de nalatenschap van de vader. Vervolgens is op 2 september 2012 de moeder overleden. Zij heeft bij uiterste wilsbeschikking [appellant] onterfd, [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] tot haar enige erfgenamen benoemd en [geintimeerde sub 1] tot executeur.

3.2

[appellant] heeft bij brief van 19 oktober 2012 zijn vordering in de nalatenschap van de vader opgeëist en tegelijkertijd een beroep op zijn legitieme portie in de nalatenschap van de moeder gedaan en verzocht om een boedellijst, inzage in de administratie vanaf het moment van overlijden van de vader tot datum brief en te kennen gegeven dat de waarde van de woning en eventueel de garage moeten worden vastgesteld.

3.3

[geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] hebben blijkens een daartoe op 13 februari 2013 opgemaakte akte ter griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, verklaard dat zij de nalatenschap van de moeder beneficiair hebben aanvaard. [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] hebben zich op het volgende standpunt gesteld. Aangezien de schulden de baten van deze nalatenschap overtreffen, is als gevolg daarvan de executele beëindigd en treden de gezamenlijke erfgenamen [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] samen als vereffenaars op. Daardoor rijst de vraag of [appellant] [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] niet ook in hun hoedanigheid van vereffenaar had moeten dagvaarden. De beoordeling van de hoedanigheid van een procespartij is van openbare orde en komt in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid aan de orde. [appellant] heeft [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] in beginsel pro se gedagvaard en niet in hun hoedanigheid van vereffenaar, hetgeen wel had gemoeten (artikel 4:198 BW).

Het hof is van oordeel dat partijen over en weer geen rechtens te respecteren belang hebben bij een niet-ontvankelijkverklaring. Nu [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] zowel de enige erfgenamen als de enige vereffenaars zijn en het gezag van gewijsde van een beslissing van het hof zich tot hen als erfgenamen en als vereffenaars uitstrekt zal het hof in navolging van de uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:721) [appellant] ontvankelijk achten in zijn vorderingen.

3.4

In de nalatenschap van de vader is aan [appellant] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] op respectievelijk 5 april 2013 en op 7 november 2013 steeds € 50.000,- als voorschot op hun vordering op hun moeder overgemaakt.

3.5

Tussen partijen zijn geschillen gerezen over de afwikkeling van de nalatenschappen van de vader en de moeder. Deze geschillen betreffen kort samengevat de hoogte en betaling van de vordering van [appellant] inzake de nalatenschap van de vader, de hoogte en betaling van de legitieme portie in de nalatenschap van de moeder, de vraag of [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] de nalatenschap van hun moeder door gedragingen zuiver hebben aanvaard en de inzage en afgifte van afschriften van stukken betreffende de goederen behorende tot de nalatenschappen van de vader en van de moeder.

3.6

[appellant] heeft in eerste aanleg - na wijziging - gevorderd:

I. te verklaren voor recht dat [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] de nalatenschap zuiver hebben aanvaard;

II. [geintimeerde sub 1] , althans [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] , te veroordelen binnen 14 dagen na een door de rechtbank te wijzen (tussen)vonnis aan [appellant] een voorschot in de nalatenschap van de vader uit te betalen van € 50.000,-;

III. [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] te veroordelen om [appellant] inzage te verschaffen in en afschriften te verstrekken van de in de dagvaarding onder III genoemde bescheiden;

IV. op grond van de door [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] verstrekte informatie de vordering van [appellant] in de nalatenschap van de vader vast te stellen;

V. [geintimeerde sub 1] , althans [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] , te veroordelen binnen 14 dagen na een door de rechtbank te wijzen vonnis het resterende bedrag van zijn vordering in de nalatenschap van de vader, vermeerderd met de wettelijke rente hierover tot aan de dag van de voldoening, uit te betalen;

VI. op grond van de door [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] verstrekte informatie de legitieme in de nalatenschap van de moeder vast te stellen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van overlijden tot aan de dag van de algehele voldoening, te voldoen binnen 14 dagen na een door de rechtbank te wijzen vonnis;

VII. subsidiair: Indien [appellant] onvoldoende kan verkrijgen om hem zijn legitieme te verschaffen: [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] te veroordelen aan hem de waarde van het ingekorte gedeelte van de aan hen gedane giften te vergoeden binnen 14 dagen na een door de rechtbank te wijzen vonnis;

VIII. [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] hoofdelijk te veroordelen de buitengerechtelijke incassokosten van € 5.873,52 te voldoen, althans een bedrag dat de rechtbank redelijk oordeelt;

IX. [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure en de nakosten.

3.7

De rechtbank heeft voor zover in hoger beroep nog van belang:

  • -

    beslist dat [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] de in het vonnis van 9 juli 2014 genoemde inzage en afschriften dienen te verstrekken voor zover zij daarover beschikken;

  • -

    vastgesteld dat de vordering van [appellant] in de nalatenschap van de vader € 164.495 bedraagt;

  • -

    uitvoerbaar bij voorraad - [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis aan [appellant] te voldoen het resterende bedrag van zijn vordering uit de nalatenschap van erflater van € 52.622,-;

  • -

    de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.8

[appellant] is met 16 grieven opgekomen tegen de beslissingen van de rechtbank. De grieven onder 1 en 2 betreffen de vordering in de nalatenschap van de vader, de grieven 3 tot en met 15 betreffen de nalatenschap van de moeder. Het hof zal deze grieven hieronder achtereenvolgens bespreken. Grief 16 is een veeggrief en faalt nu de grief zelf noch de toelichting daarop een inhoudelijk bezwaar bevat.
heeft geen grieven gericht tegen het tussenvonnis van 8 januari 2014. Hij zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep voor zover dit is gericht tegen dit vonnis, zeker nu in dit vonnis alleen een comparitie van partijen is gelast en daartegen op grond van artikel 132 lid 4 Rv geen rechtsmiddel openstaat.

Nalatenschap van de vader

Grieven 1 en 2

3.9

Grief 1 ziet op de overwegingen van de rechtbank onder 2.8 en 2.9 in het vonnis van 9 juli 2014 dat [appellant] de weg van artikel 4:15 Burgerlijk Wetboek (BW) had moeten bewandelen om de vordering in de nalatenschap van erflater vast te stellen en naar het hof begrijpt ook het daaraan verbonden gevolg dat de rechtbank bij gebreke daarvan zal uitgaan van de gegevens zoals opgenomen in de successieaangifte in de nalatenschap van de vader. [appellant] maakt in dit kader ook bezwaar dat de rechtbank deze kwestie niet naar de kantonrechter heeft verwezen.

Grief 2 ziet op de ten overvloede overwegingen onder 2.10 tot en met 2.14 betreffende de stellingen van [appellant] over de verhoging van zijn erfdeel in de nalatenschap van zijn vader en is in zoverre van belang, dat deze een (subsidiair) dragende grond voor de beslissing van de rechtbank vormden. De grieven 1 en 2 strekken ertoe toe dat het hof alsnog [appellants] vordering in de nalatenschap van de vader vaststelt.

3.10

Het hof stelt voorop dat [appellant] inderdaad de weg van artikel 4:15 BW had moeten bewandelen en dat de rechtbank met toepassing van de artikelen 69 en 71 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) had moeten bepalen dat de procedure voor dit onderdeel van het geschil zou worden voortgezet volgens de regels van de verzoekschriften procedure en wel ten overstaan van de kantonrechter. Artikel 4:15 BW is van toepassing indien na het overlijden van een echtgenoot op diens nalatenschap de wettelijke verdeling van toepassing is. Dat daarna de langstlevende echtgenoot ook overlijdt alvorens de vordering is vastgesteld doet daaraan niet af.

De regeling van artikel 69 Rv geldt ook in hoger beroep en kan worden toegepast op elk moment in het geding. Nu echter een eindbeslissing zal volgen, is er geen aanleiding meer voor verwijzing op grond van artikel 69 Rv.

Ingevolge artikel 71 vijfde lid Rv staat tegen het uitblijven van een verwijzing van de sector civiel naar de sector kanton (dus van de ene naar de andere kamer) van de rechtbank geen hogere voorziening open. In zoverre faalt grief 1. Dit geldt echter niet voor het daaraan verbonden gevolg dat de rechtbank zal uitgaan van de gegevens zoals opgenomen in de successieaangifte. Naar het oordeel van hof heeft de rechtbank ten onrechte in die zin geoordeeld, zodat het hof alsnog over deze vordering van [appellant] zal oordelen. Het hof komt alsdan niet toe aan grief 2. Volledigheidshalve zal het hof de argumenten van [appellant] onder grief 2 betrekken bij de beoordeling.

3.11

De grief van [appellant] betreffende de vaststelling van zijn vordering in de nalatenschap van de vader ziet op:

- de waarde van de woningen aan de [a-straat] en aan de [b-straat] te [plaats e] ;

- de waarde van de aandelen in [de B.V.] ;

- het buiten beschouwing laten van de waarde van de inboedel; en

- de waarde en verrekening van de geldlening.

Het hof zal, zoals [appellant] heeft gedaan, de gecorrigeerde successieaangifte in de nalatenschap van de vader als uitgangspunt nemen en zijn bezwaren daartegen hieronder achtereenvolgens beoordelen. Daarbij geldt als uitgangspunt artikel 4:6 BW dat bepaalt dat onder waarde van de goederen van de nalatenschap wordt verstaan, de waarde daarvan op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater.

woningen [a-straat] en [b-straat] te [plaats e]

3.12

[appellant] stelt kort samengevat dat de waarde van € 550.000,- in de successieaangifte niet zonder meer gelijk is aan de civielrechtelijke waarde van de woning en dat nu in de aangifte de WOZ waarde, de waarde van een jaar daarvoor is gehanteerd, moet worden aangeknoopt bij de waarde waarvoor de woning kort na het overlijden van de vader is verkocht, dat is € 600.000,- in augustus 2009.

Het hof gaat hieraan voorbij. Ten eerste op grond van het bepaalde in artikel 4:6 BW. Zoals hiervoor overwogen, geldt immers de waarde op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater. Ten tweede omdat [appellant] de met stukken onderbouwde stellingen van [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] dat er aan de woningen achterstallig onderhoud is verricht en kosten zijn gemaakt om de koopprijs van € 600.000,- te kunnen realiseren onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Ten derde omdat hij de stellingen van [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] over de wijze waarop de waarde destijds is vastgesteld niet heeft betwist. [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] hebben zich beroepen op de correspondentie met de belastingdienst (productie 6 en 7 bij de CvA). Daaruit blijkt dat niet de WOZ-waarde aan de waarde van € 550.000,- ten grondslag lag maar een tijdens het overlijden van de vader bestaand bod van een bieder die is afgehaakt wegens achterstallig onderhoud en voorts dat voorafgaand aan dit bod in het voorjaar van 2009 een verkoop en levering voor een bedrag van € 450.000,- niet is doorgegaan, omdat die koper de financiering niet rond kreeg. Het hof acht een waarde van € 550.000,- dan ook reëel en zal deze in aanmerking nemen bij de vaststelling van de vorderingen in de nalatenschap van de vader. Het hof komt niet toe aan het bewijsaanbod, nu [appellant] daarvoor te weinig heeft gesteld.

aandelen [de B.V.]

3.13

[appellant] stelt kort samengevat dat de waarde van de aandelen van [de B.V.] dient te worden verhoogd met minimaal € 45.773,-. Hij licht dit toe als volgt. Uit de jaarstukken van deze vennootschap van 2008 blijkt dat de vennootschap een bedrag van € 15.000,- aan voorraden had en een bedrag van € 30.773,- aan vorderingen. Daar staat tegenover dat de vader een vordering had op de vennootschap van € 80.334,-. Bij de liquidatie van de vennootschap moet het bedrag aan voorraad en vorderingen aan de nalatenschap van de erflater ten goede zijn gekomen. [geintimeerde sub 1] zal uitleg moeten geven over de toename van de overige reserves in 2008 van € 24.773,- naar € 95.860-.

[geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] stellen onder verwijzing naar de jaarstukken van de vennootschap van 2008 dat de waarde van de aandelen nihil was.

Het hof volgt de berekening van [appellant] niet. Ook hier geldt het bepaalde in artikel 4:6 BW, zodat in aanmerking dient te worden genomen de waarde van de aandelen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de vader op 7 november 2008. Uit de in de procedure overgelegde balans per 31 december 2008 met toelichting blijkt dat de vennootschap per 31 december 2008 aan voorraden had € 15.000,- en aan vorderingen € 30.773,- (inclusief € 29.787,- in rekening courant op de erflater) en daarnaast een som negatief eigen vermogen van € 77.860,-. Op grond hiervan mag worden aangenomen dat de waarde van de aandelen zelf per de peildatum nihil was. Anders dan [appellant] heeft betoogd is er geen reden om op de waarde van de aandelen correcties toe te passen in verband met de voorraden en de vordering van de aandeelhouder op de vennootschap van € 80.334,- per 1 september 2009 zoals blijkt uit de liquidatiebalans per die datum. Zeker niet nu de moeder in de periode na het overlijden als directeur van [de B.V.] is opgetreden en namens deze vennootschap heeft gehandeld.

Naar het oordeel van het hof gaat [appellant] er ten onrechte van uit dat [geintimeerde sub 1] nadere informatie dient te verschaffen. Het gaat hier om de vordering in de nalatenschap van de vader, waarin [appellant] samen met [geintimeerde sub 2] , [geintimeerde sub 3] en de moeder erfgenamen waren. [geintimeerde sub 1] was slechts executeur in de nalatenschap van de moeder waartoe geen aandelen in [de B.V.] behoren. Het bepaalde in artikel 4:78 BW is te dezen niet van toepassing.

inboedel

3.14

[appellant] wijst in de dagvaarding op een groot aantal zaken van de inboedel die volgens hem een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen en waarvan een groot deel door de vader is aangebracht bij het huwelijk dan wel door hem verzameld. Hij betwist dat de moeder postzegels en munten verzamelde. Hij stelt dat deze zaken althans de helft daarvan behoren/behoort tot de nalatenschap van de erflater en beroept zich op de akte van huwelijkse voorwaarden. Hij is van mening dat de rechtbank deze zaken in de nalatenschap van de vader had moeten betrekken voor de bepaling van zijn vordering.

[geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] betwisten dat de opgesomde goederen tot de nalatenschap van de vader behoorden en ook dat die zaken aanwezig waren.

Vaststaat dat ten tijde van het overlijden van de moeder tot haar nalatenschap behoren een postzegel- en muntenverzameling. [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] betwisten niet dat de moeder geen postzegels en munten verzamelde. Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat deze ook ten tijde van het overlijden van de erflater aanwezig waren en dat deze tot zijn nalatenschap behoorden. Geen van de betrokkenen heeft gesteld wat de waarde hiervan was ten tijde van het overlijden van de vader. Het hof stelt de waarde in redelijkheid op de helft van de in verband met het overlijden van de moeder gerealiseerde waarde, zodat de vordering van elk van de kinderen dient te worden gecorrigeerd met een/vierde van (1/2 (€ 562,- + € 10.762,- =) € 11.324,-) of afgerond € 1.415,-.

Het hof kan mede gelet op de betwisting door [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] niet vaststellen of de door [appellant] opgesomde goederen, behoudens de postzegel- en muntenverzameling, aanwezig waren ten tijde van het overlijden van de vader, laat staan dat deze tot zijn nalatenschap behoorden en voor welke waarde. Daartoe is te weinig aangevoerd. De bepaling in de huwelijkse voorwaarden waarop [appellant] zich beroept ziet op een bewijsvermoeden met betrekking tot goederen waarvan de aanwezigheid vaststaat. Om die reden gaat het hof aan de stellingen van [appellant] voorbij.

Geldlening

3.15

Blijkens een tweetal onderhandse akten van respectievelijk 7 april en 25 maart 1999 (producties 10 en 11 bij de CvA) heeft [appellant] (met zijn echtgenote) van zijn vader geleend respectievelijk f. 50.000,- en f. 6.000,-. In de akte van 25 maart 1999 staat onder meer vermeld:

“1. [de vader] verstrekt [appellant] en [echtgenote van appellant] een lening van f. 50.000,- in de vorm van een tante-Agaathlening t.b.v. [bedrijf] en daarnaast een lening van f. 6.000,- voor privédoeleinden.

(…)

6. Indien [de vader] komt te overlijden voordat het bedrag is afgelost worden alle goederen weer eigendom van [appellant] en [echtgenote van appellant] en zullen de geleende bedragen of de restanten daarvan worden aangemerkt als zijnde een voorschot op de erfenis van [appellant] .”

[appellant] stelt zich op het standpunt dat deze vorderingen niet kunnen worden verrekend met zijn vordering in de nalatenschap van de vader, omdat - kort samengevat - deze afspraak niet meer gold, de vordering van f. 6.000,- is kwijtgescholden, het bedrag van f. 6.000,- door [appellant] is voldaan, waarna de vader de lening heeft verscheurd en omdat beide vorderingen zijn verjaard. Hij beroept zich op de successieaangifte in de nalatenschap van de vader waar deze vorderingen ontbreken. Voor zover het hof deze verweren passeert, stelt [appellant] zich op het standpunt dat de vordering op grond van de huwelijkse voorwaarden niet geheel in de nalatenschap van de erflater viel maar slechts voor de helft, zodat de rechtbank maximaal de helft of € 13.612,50 in aanmerking had mogen nemen bij de vaststelling van zijn vordering.

[geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] betwisten dat de successieaangifte doorslaggevend is en dat de vordering is verjaard. Zij beroepen zich op toepassing van voormeld artikel 6 en een brief van 25 juni 2010 (productie 7 bij de CvA) en stellen dat de vordering bestaat en om die reden terecht is verrekend.

Het hof overweegt als volgt. [appellant] heeft zijn stellingen betreffende de beëindiging van de verplichting (betaling/kwijtschelding) op geen enkele manier onderbouwd, hoewel dat op zijn weg lag. Hij heeft een bewijs van de kwijtschelding noch een bewijs van de betaling overgelegd, terwijl de gelegenheid daartoe er volop is geweest. Het hof gaat hieraan dan ook voorbij.

[appellant] heeft ook zijn stellingen betreffende de verjaring onvoldoende (met stukken) onderbouwd. Hij heeft niet toegelicht waarom de vordering als gevolg van het faillissement van zijn onderneming opeisbaar is geworden en hoe die vermeende opeisbaarheid zich verhoudt met de afspraak dat de geleende bedragen zullen worden aangemerkt als een voorschot op de erfenis. Hij miskent dat als gevolg van het overlijden van de vader in 2008 de desbetreffende clausule uit de akte van 25 maart 1999 van kracht is geworden.

Tot slot heeft [appellant] ook zijn stelling dat maximaal de helft in mindering zou kunnen komen, onvoldoende onderbouwd. De leningen en de afspraak dat deze als voorschot op de nalatenschap van de vader gelden, zijn respectievelijk aangegaan en gemaakt tussen de vader en [appellant] (en zijn echtgenote). Daarnaast geldt dat de vader en de moeder buiten iedere gemeenschap van goederen waren gehuwd.

[appellant] heeft in eerste aanleg terecht nog gesteld dat indien de geleende bedragen niet zijn verjaard, deze bij de nalatenschap van de vader moeten worden opgeteld, zodat deze (en daarmee voor ¼ deel zijn kindsdeel) moet worden verhoogd. Het hof zal hiervan dan ook uitgaan en het saldo van de nalatenschap van de vader met € 27.225,- vermeerderen.

3.16

Uit het voorgaande volgt dat deze grief slaagt ten aanzien van de postzegel- en muntenverzameling en overigens faalt. Het saldo van de nalatenschap bedraagt met inachtneming van het vorenstaande € 770.054,- vermeerderd met € 5.662,- en € 27.225,-, derhalve in totaal € 802.941,-. De vorderingen van [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] zijn gelijk aan een vierde daarvan minus het successierecht voor zover gesteld, te weten (€ 200.735,- -/- € 9.868,- =) € 190.867,- en die van [appellant] € 200.735,- verminderd met € 27.225,- en verminderd met successierecht € 9.868,- , derhalve € 163.642,-. Gelet op het bepaalde in artikel 4:13 lid 4 BW is er geen reden deze vorderingen te verhogen met de wettelijke rente vanaf de datum van overlijden van de vader, omdat zoals [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] terecht hebben aangevoerd, deze het percentage van 6 niet te boven is gegaan.

Vaststelling legitieme portie

3.17

Het hof zal nu eerst de grieven ten aanzien van de vaststelling van de legitieme portie in de nalatenschap van de moeder beoordelen en vervolgens vaststellen in hoeverre de vordering in de nalatenschap van de vader kan worden uitbetaald.

De grieven onder 3 tot en met 15 zien op de (vaststelling van de legitieme portie in de) nalatenschap van de moeder. Het hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 4:6 BW in samenhang met artikel 4:65 BW voor de berekening van de legitieme portie moet worden uitgegaan van de waarde van de goederen van de nalatenschap op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de moeder en dat het daarbij gaat om de waarde in het economisch verkeer.

Grief 3

3.18

Grief 3 ziet op de vaststelling van de waarde van de inboedel op € 2.300,-. [appellant] stelt dat de rechtbank gelet op zijn gemotiveerde betwisting niet had mogen uitgaan van de door [geintimeerde sub 1] gestelde waarde van de inboedel en [geintimeerde sub 1] had moeten verplichten de inboedel te laten taxeren door een erkend taxateur.

Het hof overweegt als volgt. [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] hebben aangevoerd dat de erfgenamen de nalatenschap van de moeder beneficiair hebben aanvaard en dat vanwege het negatieve saldo de taken van de executeur zijn beëindigd. [geintimeerde sub 1] is vanaf 8 februari 2013 opgetreden als gevolmachtigde van de erfgenamen. Er was op die grond dan ook geen reden om [geintimeerde sub 1] te verplichten de inboedel te laten taxeren. Ook op de erfgenamen rust geen verplichting om goederen te laten taxeren. Zeker niet nu volgens de erfgenamen de schulden door de vorderingen in de nalatenschap van de vader de waarde van de activa in de nalatenschap van de moeder overtreffen. Ter uitoefening van zijn rechten als legitimaris staat/stond [appellant] als legitimaris een aantal rechtsmiddelen ten dienste, onder meer de mogelijkheden van de artikelen 4:78 lid 2 BW, 4:203 en 4:204 BW e.v., de artikelen 660, 672 en 674 Rv. Dat [appellant] deze middelen niet te baat heeft genomen, komt voor zijn eigen rekening.

Naar het oordeel van het hof is de rechtbank op goede gronden uitgegaan van een waarde van de inboedelgoederen van € 2.300,-. Niet is komen vast te staan dat zich te midden van de inboedel dermate bijzondere goederen bevonden dat deze waarde nog met enig bedrag dient te worden verhoogd. De erfgenamen hebben evenals de legitimaris belang bij een zo hoog mogelijk opbrengst. Zij hebben een deel van de inboedel naar de Gemeentewerf afgevoerd, een deel verkocht en een deel opgeslagen. De opbrengst van de verkoop is verantwoord en [appellant] is de gelegenheid geboden de in de garage opgeslagen goederen om niet mee te nemen. Weliswaar heeft [appellant] het recht om zijn legitieme in geld te ontvangen, maar ook hierin ziet het hof een aanwijzing dat deze goederen geen bijzondere waarde vertegenwoordigen.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld om uit te gaan van de waarde van de inboedel en de totaalopbrengst van het door hem overgelegde overzicht. Hij heeft onvoldoende onderbouwd waarom de door [geintimeerde sub 1] [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] verstrekte overzichten met betrekking tot de inboedel onjuist zouden zijn. Hij heeft de foto’s waarop hij zich beroept niet overgelegd en de waarde die hij aan de respectieve inboedelgoederen toekent, kan niet als reëel worden beschouwd. Elke objectieve onderbouwing van deze waarde ontbreekt. In de regel daalt de waarde van eenmaal gekochte inboedelgoederen direct na de aanschaf sterk en valt bij verkoop aan derden geen prijs te realiseren die in de buurt komt van de nieuwwaarde. Grief 3 faalt. [appellant] heeft onvoldoende gesteld om tot bewijs te worden toegelaten.

Grief 4

3.19

Grief 4 betreft de niet verbeurdverklaring van de postzegelverzameling en de sieraden in overweging 2.17 van het vonnis van 21 januari 2015 op de voet van artikel 3:194 lid 2 BW. Volgens [appellant] had dit wel gemoeten, omdat beide niet op de boedelbeschrijving bij de brief van 22 april 2013 (productie 18 bij de dagvaarding) staan vermeld. Voor een geslaagd beroep op artikel 3:194 lid 2 BW is vereist dat een deelgenoot opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt, of verborgen houdt. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] tegenover de gemotiveerde betwisting door [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] niet onderbouwd dat hiervan sprake is. Allereerst geldt dat [appellant] geen deelgenoot is in de nalatenschap van zijn moeder, zodat een beroep op artikel 3:194 lid 2 BW hem niet kan baten. Uit de overgelegde stukken en de verklaringen (zie onder meer het proces-verbaal in eerste aanleg) blijkt verder dat het overzicht waarnaar [appellant] verwijst een voorlopig overzicht betreft en dat [geintimeerde sub 3] uit veiligheidsoverwegingen de sieraden thuis heeft bewaard. Noch hieruit noch uit de discussie over de waarde kan enig opzettelijk verzwijgen, zoek maken of verborgen houden worden afgeleid. Grief 4 faalt.

Grief 5

3.20

Met grief 5 richt [appellant] zich tegen overweging 2.20 van het vonnis van 21 januari 2015 over de waarde van de garage van € 18.000,--. Ook hier geldt hetgeen het hof heeft overwogen onder 3.18 over de hem ter beschikking staande middelen als legitimaris. [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] hebben aansluiting gezocht bij de WOZ waarde, omdat deze volgens hen een goede maatstaf is. [appellant] betwist deze waarde en beroept zich op vergelijkbare garages in de omgeving voor de prijs van € 24.000,-. Hij heeft deze stelling niet onderbouwd met bewijsstukken. Dit had wel op zijn weg gelegen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] ten aanzien van dit punt te weinig (concreet) gesteld om te kunnen worden toegelaten tot bewijs. Voor zover het bewijsaanbod ziet op het overleggen van stukken geldt bovendien nog dat dit aanbod in dezen tardief is. [appellant] heeft immers volop de gelegenheid gehad deze stukken in te brengen. Het hof zal het bewijsaanbod van [appellant] dan ook passeren. Nu het hof niet beschikt over een andere reële indicatie van de waarde dan de WOZ waarde en [appellant] niet heeft gesteld waarom de WOZ waarde in dit geval anderszins geen reële waarde is, gaat het hof met de rechtbank uit van een waarde voor de garage van € 18.000,-. Ook deze grief faalt.

Grief 6

3.21

Grief 6 ziet op het oordeel van de rechtbank in overweging 2.22 e.v. van het vonnis van 21 januari 2015, dat [geintimeerde sub 1] met het overleggen van bankafschriften heeft voldaan aan hetgeen verwacht mag worden in het kader van een verantwoorde vermogensopstelling. Hetgeen het hof heeft overwogen onder 3.18 over de hem ter beschikking staande middelen als legitimaris geldt ook in dezen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellant] geen concrete feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan de vraag gewettigd is of [geintimeerde sub 1] de betreffende zaken wel allemaal ter veiling heeft gebracht, zodat ook het hof ervan uitgaat dat [geintimeerde sub 1] zulks heeft gedaan. Dat niet elke fles wijn, postzegel of munt bij naam en toenaam is genoemd doet hieraan niet af. Anders dan [appellant] stelt verplicht artikel 4:78 BW de erfgenamen slechts tot het verstrekken van informatie nodig voor de berekening van zijn legitieme portie (zie onder meer ECLI:NL:GHARL:2011:BU9640) en niet tot het afleggen van rekening en verantwoording (ECLI:NL:GHDHA:2014:2987). Het hof is eveneens van oordeel dat uit de bewoordingen ‘alle daartoe strekkende inlichtingen’ in artikel 4:78 BW moet worden afgeleid dat dit begrip zo ruim mogelijk moet worden uitgelegd, maar dat het wel beperkt is tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie en dat de informatieplicht van artikel 4:78 BW geen verplichting inhoudt tot het afleggen van rekening en verantwoording. De verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording veronderstelt immers een rechtsverhouding tussen partijen krachtens welke de een jegens de ander verplicht is zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te rechtvaardigen. Een dergelijke rechtsverhouding ontbreekt tussen de erfgenamen en de legitimaris. Deze grief faalt.

Grief 7

3.22

Grief 7 betreft een verkeerde lezing van overweging 2.31 van het vonnis van de rechtbank van 17 juni 2015. De rechtbank heeft daar overwogen dat de stelling dat de kopieerkosten voor rekening van [appellant] zijn niet opgaat. Hiermee heeft de rechtbank naar het hof begrijpt bedoeld dat deze kosten niet alleen voor [appellant] zijn maar ten laste van de drie kinderen komen voor een gelijk deel. Om die reden faalt ook deze grief.

Grief 8

3.23

In Grief 8 (zie rechtsoverweging 2.8 van het vonnis van 17 juni 2015) betoogt [appellant] onder verwijzing naar zijn producties 24 en 25 bij dagvaarding dat de rechtbank ten onrechte slechts een bedrag van € 20.750,- aan schenkingen in de vermogensopstelling heeft opgenomen. Hij stelt dat [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] voor een groot deel van deze bedragen geen weerwoord hebben kunnen geven. [appellant] maakt slechts beperkt inzichtelijk op welke bedragen hij doelt. Het hof neemt dan ook de motivering van de rechtbank onder 2.9 tot en met 2.14 over die ziet op alle posten en maakt deze tot de zijne met dien verstande dat het hof anders dan de rechtbank de schenkingen aan [appellant] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] van elk € 4.500,- wel meetelt voor de berekening van de legitieme ongeacht dat elk een gelijk bedrag heeft ontvangen, omdat het enkele gegeven dat ieder deze heeft ontvangen, geen grond vormt deze buiten beschouwing te laten.

Daarnaast oordeelt het hof nog als volgt. Niet valt in te zien dat een uitgave voor herenkleding enkel op die grond als gift bij de berekening van de legitimaire massa moet worden meegenomen, nog daargelaten dat het hof deze factuur (productie 25) niet bij de stukken heeft aangetroffen. [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] hebben gesteld dat de ouders voor elk van de kinderen de kosten van de bruiloft hebben voldaan. [appellant] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Te meer nu [appellant] niet heeft gesteld om welk bedrag het gaat, zal het hof de giften ter zake van de bruiloften buiten beschouwing laten. (Deze zouden ook op grond van artikel 4:69 lid 1, onder b BW het buiten beschouwing blijven nu het gebruikelijke schenkingen betreft uitgaande van de stand van het vermogen van de ouders). Voor zover al zou vaststaan dat de overige kleine bedragen toch als een schenking zouden moeten worden aangemerkt - daartoe heeft [appellant] gelet op de gemotiveerde betwisting door [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] te weinig gesteld - vallen deze eveneens onder het bepaalde in artikel 4:69 lid 1, onder b BW, zodat deze ook op deze grond buiten beschouwing moeten worden gelaten.

Het hof gaat voorbij aan de stellingen van [appellant] betreffende de vermeende gift van € 135.208,93 aan [geintimeerde sub 1] . [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] hebben deze gemotiveerd betwist aan de hand van door hen overgelegde stukken, zodat [appellants] stelling dat dit bedrag geschonken is, niet is komen vast te staan. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat [geintimeerde sub 1] B.V. destijds betalingen voor de moeder heeft gedaan in het kader van een verstrekt krediet en dat tot zekerheid voor terugbetaling daarvan een recht van hypotheek is gevestigd door de moeder ten behoeve van deze vennootschap op de panden aan de [a-straat] en de [b-straat] . Ter gelegenheid van verkoop en levering van de panden aan de [a-straat] en de [b-straat] heeft aflossing plaats gevonden.

Uit het voorgaande volgt dat grief 8 in zoverre slaagt dat het totaal van de bij de berekening van de legitimaire massa in aanmerking te nemen schenkingen bedraagt: € 20.750,-- + € 13.500,- = € 34.250,-.

Grief 9

3.24

[appellant] komt in grief 9 op tegen de overweging van de rechtbank (2.27 e.v. van het vonnis van 17 juni 2015) dat geen sprake is van zuivere aanvaarding. Hij beroept zich op het overzicht van betalingen (productie 27 bij de dagvaarding) dat grotendeels betrekking heeft op de periode na het overlijden van de moeder en voor de akte van beneficiaire aanvaarding.

Het hof overweegt als volgt. Het overzicht bevat acht transacties, te weten:

  1. 25-02-2013 [geintimeerde sub 3] boodschappen € 59,77

  2. 25-02-2012 Verbouwing [geintimeerde sub 2] € 210,69

  3. 21-11-2012 [geintimeerde sub 2] eten € 51,55

  4. 15-10-2012 [geintimeerde sub 2] Efteling € 56,37

  5. 15-10-2012 [geintimeerde sub 2] € 100,-

  6. 15-10-2012 [geintimeerde sub 2] € 100,-

  7. 24-10-2012 [geintimeerde sub 2] , plastic bak + munten € 37,81

  8. 04-09-2012 kasopname € 500,-

De post a. [geintimeerde sub 3] boodschappen 25 februari 2013 ziet op de periode na de beneficiaire aanvaarding en de post b. verbouwing [geintimeerde sub 2] 25 februari 2012 op de periode voor het overlijden van de moeder, zodat deze buiten beschouwing blijven. De transactie d. [geintimeerde sub 2] Efteling betreft een storting en blijft om die reden eveneens buiten schot. De kasopname h. van € 500,-, zal het hof buiten beschouwing laten, omdat [appellant] het betreffende bankafschrift niet heeft overgelegd en mede gelet op de betwisting dat de erfgenamen op de in productie 27 genoemde data gelden tot zich hebben genomen.

De vraag doet zich voor of de resterende uitgaven onder c., e., f. en g. als daden van zuivere aanvaarding kunnen worden aangemerkt.

[geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] hebben onder meer gesteld hooguit handelingen van beheer te hebben verricht en dan nog (meestentijds) op verzoek of in opdracht van [geintimeerde sub 1] als aangesteld executeur. Zij stellen op verzoek/in opdracht van [geintimeerde sub 1] met behulp van derden werkzaamheden betreffende de ontruiming van de woning van de erflater te hebben verricht in welk verband een eenvoudige maaltijd is genuttigd van € 51,55. Daarnaast is er nog een tweetal afschrijvingen van € 100,- waarvoor geen concrete verklaring bestaat, en een post [geintimeerde sub 2] , plastic bak munten € 37,81.

De Hoge Raad heeft op 20 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1489) overwogen:

“Een erfgenaam kan een nalatenschap aanvaarden of verwerpen. Een aanvaarding kan zuiver geschieden of onder voorrecht van boedelbeschrijving (art. 4:190 lid 1 BW). Een eenmaal gedane keuze is onherroepelijk en werkt terug tot het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap (art. 4:190 lid 4 BW). Zuivere aanvaarding van een nalatenschap kan niet alleen uitdrukkelijk geschieden (art. 4:191 lid 1 BW), maar ook stilzwijgend (art. 4:192 lid 1 BW), dat laatste doordat een erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud gedraagt als een erfgenaam die zuiver heeft aanvaard, tenzij hij zijn keuze reeds eerder heeft gedaan.

In de T.M. bij art. 4:192 BW (Parl. Gesch. Vaststellingswet Boek 4 BW, p. 932) is onder meer opgemerkt dat het enige wat nodig is om van stilzwijgende aanvaarding van een nalatenschap te kunnen spreken, is dat de erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als erfgenaam gedraagt. In de MvA II bij deze bepaling (Parl. Gesch. Vaststellingswet Boek 4 BW, p. 933-934) is onder meer opgemerkt dat van zuivere aanvaarding geen sprake is indien de erfgenaam daden van beheer verricht. Van zuivere aanvaarding is wél sprake indien de erfgenaam over de goederen van de nalatenschap als heer en meester beschikt of wanneer hij, eventueel in een andere vorm dan een verklaring ter griffie, duidelijk aan de schuldeisers van de nalatenschap doet blijken dat hij de schulden van de nalatenschap geheel voor zijn rekening neemt. Wanneer er twee of meer erfgenamen zijn, hangt het in beginsel van de gedragingen van iedere erfgenaam afzonderlijk af of hij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. In zijn beschikking van 26 april 1968, NJ 1969/322, heeft de Hoge Raad overwogen dat het antwoord op de vraag of uit de gedragingen van een erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid om de erfenis stilzwijgend te aanvaarden, afhangt van de omstandigheden van het geval.”

Voor de beantwoording van voormelde vraag acht het Hof de volgende omstandigheden van belang. [geintimeerde sub 1] is tot executeur benoemd in de nalatenschap van de erflaatster en had in die hoedanigheid het beheer en de beschikking over de goederen van de nalatenschap en recht op loon, dat tezamen met de door hem gemaakte kosten ten laste van de nalatenschap komt. Hij heeft de benoeming aanvaard en, naar [appellant] niet heeft betwist, bij de uitoefening van zijn taak [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] verzocht/opgedragen handelingen ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap te verrichten, die daartoe zijn overgegaan. Uit deze opdrachten/ handelingen zijn kosten voortgevloeid die ten laste van de nalatenschap zijn gekomen. [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] stellen, onbetwist, op de bewuste data geen bedragen tot zich te hebben genomen. Het gaat om geringe bedragen afgezet tegen de activa met een saldo destijds voorlopig gesteld op € 497.925,- en de eigen vorderingen van de kinderen voorlopig vastgesteld op € 192.593,-. In het licht van deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat uit de gedragingen van [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] kan worden afgeleid dat zij de bedoeling hebben gehad de nalatenschap van hun moeder zuiver te aanvaarden of dat zij zich door het verrichten van de gewraakte gedragingen ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als zuiver aanvaard hebbende erfgenamen hebben gedragen.

Overigens heeft [appellant] geen feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden, die indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

Grief 9 faalt.

Grieven 10, 11 en 12

3.25

De grieven 10, 11 en 12 richten zich tegen de afwijzing van het beroep van [appellant] op artikel 4:184 lid 2 aanhef en onder b, c en d BW (de overwegingen 2.32, 2.33 en 2.34 van het vonnis van 17 juni 2015).

Het hof sluit ten aanzien van artikel 4:184 lid 2 aanhef en onder b BW aan bij de motivering van de rechtbank en neemt deze over en maakt deze tot de zijne. Partijen hadden en hebben nog steeds een geschil over de afwikkeling van de nalatenschappen van hun ouders. In dat kader heeft de betaling langer geduurd. Daarom kan niet worden geoordeeld dat [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] de voldoening van de schuld hebben verhinderd en dat hun daarvan een verwijt kan worden gemaakt.

Anders dan [appellant] classificeert het hof de handelingen van [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] betreffende de sieraden en de inboedel niet als daden van zuivere aanvaarding. De opmerking bepaalde sieraden te willen ontvangen, dient gelet op de vordering van [geintimeerde sub 3] , worden gezien als een wens om deze in mindering op haar vordering te ontvangen. Het veiligstellen van goederen leidt niet tot zuivere aanvaarding en de verkoop van goederen in opdracht van de executeur of in het kader van de vereffening evenmin. Het hof verwijst in dit kader ook naar hetgeen hierover is overwogen onder overweging 3.19. Het bepaalde in artikel 4:184 aanhef en onder c BW is derhalve niet van toepassing.

Voor een geslaagd beroep op artikel 4:184 lid 2, aanhef en onder d BW is vereist dat de vereffenaar in de vervulling van zijn verplichtingen als zodanig in ernstige mate tekortschiet en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Hiervan is geen sprake wanneer bij vergissing of uit onwetendheid verplichtingen niet worden nageleefd (MvA, Parl Gesch. Boek 4 BW, p. 897). In dit licht bezien heeft [appellant] niet aan zijn stelplicht voldaan. Het enkele feit dat de erfgenamen/vereffenaars de melding van artikel 4:199 lid 2 BW niet hebben voldaan rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat aan de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling is voldaan. Ook de grieven 10, 11 en 12 falen.

Grief 13

3.26

Grief 13 is gericht tegen de afwijzing van een rentevergoeding vanaf 2 september 2012. Daartoe is het volgende van belang. Over de vordering is eerst wettelijke rente verschuldigd als [geintimeerde sub 3] en [geintimeerde sub 2] in verzuim zijn, nadat zij in gebreke zijn gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij aan hen een redelijke termijn is gesteld voor de nakoming en nakoming binnen deze termijn uitblijft. [appellant] heeft zijn vordering in de nalatenschap van de vader opgeëist bij zijn brief van 19 oktober 2012. Bij brief van 19 februari 2013 heeft [appellant] bij monde van zijn advocaat [geintimeerde sub 3] en [geintimeerde sub 2] gesommeerd tot uitbetaling van de vordering althans een voorschot daarop binnen 10 dagen en meegedeeld indien hiertoe niet wordt overgegaan een dagvaarding te zullen uitbrengen. [geintimeerde sub 3] en [geintimeerde sub 2] hebben de nalatenschap van hun moeder beneficiair aanvaard, zodat de regels van vereffening in boek 4 van toepassing zijn. Bepalingen van de Faillissementswet (FW) zijn voor zoveel mogelijk van toepassing. Het hof zal hierbij aansluiten zoeken, nu voor de vereffening een specifieke regeling ontbreekt. Op grond van artikel 128 FW kunnen schuldeisers in een faillissement in beginsel opkomen voor het bedrag dat zij op dat moment van de faillietverklaring te vorderen hebben. Analoge toepassing van deze bepaling leidt ertoe dat vanwege de toepassing van de wettelijke vereffening en het feit dat de omvang van de nalatenschap negatief is, geen wettelijke rente in rekening kan worden gebracht/verschuldigd is. Het hof ziet daarom net als de rechtbank aanleiding de wettelijke rente buiten beschouwing te laten, zodat het slagen van deze grief in zoverre niet kan leiden tot vernietiging van de bestreden vonnissen.

Grief 14

3.27

Grief 14 ziet op de berekening van de legitimaire massa in het vonnis van 17 juni 2015. Op grond van dit vonnis en de beoordeling van de grieven, kan de legitimaire massa als volgt worden berekend betreffende de nalatenschap van de moeder.

Onroerende zaken

Woonhuis [c-straat] 5 te [plaats d] € 216.675,-

Garagebox [c-straat] 1C ter [plaats d] € 18.000,-

Totaal € 234.675,-

Banksaldi

ING Bank [rekeningnummer 1] , betaalrekening € 20.527,-

ING Bank [rekeningnummer 1] , profijtrekening € 224.340,-

ING Bank [rekeningnummer 2] , betaalrekening € 2.268,-

ING Bank [rekeningnummer 3] , zakelijke rekening € 17.328,-

ABNAMRO [rekeningnummer 4] € 343,-

Totaal € 264.806,-

Overige bezittingen

Robeco € 1.870,-

Opbrengst veiling munten € 10.762,-

Opbrengst veiling wijnen € 7.840,-

Opbrengst veiling postzegels € 562,-

Opbrengst inboedel € 2.300,-

Getaxeerde waarde schilderijen € 835,-

Vorderingen € 10.459,-

Sieraden € 4.127,-

Totaal € 38.755,-

Totaal bezittingen € 538.236,-

Schulden € 8.682,-

Erfgenamen [de vader] overweging 3.16 € 545.376,-

Totaal € 554.058,-

Saldo negatief € 15.822,-

Te vermeerderen met wettelijke rente

Schenkingen € 34.250,-

Legitimaire massa € 18.428,-

De legitieme portie van [appellant] bedraagt 1/6 deel daarvan of € 3.071,-. Op grond van artikel 4:70 BW komen de waarde van giften gedaan aan een legitimaris in mindering van diens legitieme. Indien voormeld bedrag van € 3.071,- wordt verminderd met de schenking € 4.500,-, heeft [appellant] niets meer te vorderen, zodat geen recht bestaat op een rentevergoeding. Ook indien de vermindering van de gift niet zou plaatsvinden, zou geen recht bestaan op een rentevergoeding. De inflatiecorrectie van artikel 4:84 BW is niet van toepassing, omdat de wettelijke rente niet hoger is geweest dan zes procent. Overigens bestaat slechts recht op vergoeding van de wettelijke rente volgens de regels van boek 6 BW indien de schuldenaren jegens de legitimaris in verzuim zijn. Daartoe is nu de nalatenschap van de moeder negatief is, vereist een verklaring op de voet van artikel 4:90 BW jegens de begiftigden. Niet is gesteld of gebleken dat daaraan is voldaan.

Nalatenschap van de moeder

3.28

Ieder van de erfgenamen in de nalatenschap van de vader deelt naar evenredigheid van zijn vordering in de schulden van de nalatenschap van de moeder. Dat betekent dat [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] ieder € 190.867,-/€ 545.376,- x € 15.822,- of voor € 5.537,- en [appellant] voor € 163.642,-/€ 545.376,- x € 15.822,- of voor € 4.747,- bijdraagt in het tekort. Om die reden dient de vordering van [appellant] van € 163.642,- na aftrek van zijn voorschot van € 100.000,-- te worden verminderd met € 4.747,-, met zijn aandeel in de kopieerkosten € 119,- en een schuld aan [appellant] van € 2.723,-, zodat resteert te ontvangen: € 56.053,-. Dit bedrag dient nog te worden verminderd met de vordering als toegewezen door de rechtbank € 52.622,-, zodat het hof alsnog zal toewijzen een bedrag van € 3.431,-.

buitengerechtelijke kosten en de kostencompensatie

3.29

Grief 15 richt zich tegen de afwijzing van de vergoeding van de buitengerechtelijke proceskosten en de kostencompensatie in overweging 2.39 van het vonnis van 17 juni 2015. [appellant] beroept zich op productie 29 bij de dagvaarding waarin staat aangegeven welke buitengerechtelijke werkzaamheden zijn advocaat heeft verricht. Voor aanvang van de procedure heeft hij meerdere brieven aan [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] gestuurd (productie 9 tot en met 15 bij dagvaarding) en daarmee getracht een procedure te voorkomen. Nu dit niet is gelukt moeten de buitengerechtelijke kosten worden toegewezen. Volgens hem dient te worden afgeweken van de compensatie van de kosten, omdat [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] informatie hebben achtergehouden en ten onrechte niet eerder de vordering hebben voldaan. [geintimeerde sub 1] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] voeren verweer. De incassokosten zijn buitenproportioneel en dienen te worden aangemerkt als werkzaamheden ter instructie van het geding, zodat de grond voor een buitengerechtelijke kostenveroordeling ontbreekt. Zij stellen dat zij de vorderingen van [appellant] , [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] - met inachtneming van de beschikbare informatie en de aanwezigheid van de daarvoor benodigde financiële middelen - steeds naar de stand van de afwikkeling van de onderhavige nalatenschappen zijn voldaan.

Naar het oordeel van het hof zijn de aangevoerde buitengerechtelijke kosten te beschouwen als kosten ter voorbereiding van de onderhavige procedure. Reeds de eerste brief ziet op aankondiging van de procedure. Deze kosten dienen dan ook te worden betrokken in de beslissing omtrent de proceskosten.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de kosten, inclusief de nakosten, terecht gecompenseerd nu partijen in een familierelatie tot elkaar staan en de verweten gedragingen niet vast zijn komen te staan. Grief 15 faalt.

slotsom

3.30.

De grieven 1, 8, 13 en 14 slagen gedeeltelijk, de grieven 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10, 11, 12 en 15 en 16 falen. Het hof zal het eindvonnis van 17 juni 2015 vernietigen behoudens de compensatie van de proceskosten.

3.31

Op dezelfde gronden hiervoor aan het slot van r.o. 3.29 overwogen zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren als hierna te vermelden.

4 Beslissing

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 januari 2014;

vernietigt het vonnis van 17 juni 2015 van de rechtbank Noord-Holland voor zover daarin de vordering van [appellant] in de nalatenschap van erflater is vastgesteld op een bedrag van € 164.495,- en [geintimeerde sub 1] c.s. zijn veroordeeld aan [appellant] een bedrag te voldoen van € 52.622,- en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt de vordering van [appellant] in de nalatenschap van de vader vast op € 163.642,-.

veroordeelt [geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] om binnen 14 dagen na betekening van dit arrest te voldoen in de nalatenschap van de vader € 3.431,- en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt voornoemd eindvonnis van 17 juni 2015 voor het overige;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, C.M.J. Peters en

M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op

28 maart 2017.