Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1012

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
23-000719
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Agressie in verkeer; geen noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000719-16

datum uitspraak: 10 februari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 februari 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-258819-15 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 juni 2015 te [plaats], gemeente [gemeente], [slachtoffer] heeft mishandeld door hem één of meermalen te slaan en/of te schoppen waardoor die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert.

Beroep op noodweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte van

het aan hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat hem een beroep op noodweer

toekomt, nu de aangever volgens de verdachte als eerste zou hebben geslagen en de verdachte zich daarop heeft verdedigd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de lezing van de verdachte steun vindt in de verklaring zoals de broer van de verdachte die op 7 december 2015 tegenover de politie heeft afgelegd en in de verklaring zoals de getuige [getuige 1] die op 2 november 2016 tegenover de raadsheer-commissaris heeft afgelegd. Voorts heeft zij ter onderbouwing van het standpunt van de verdediging aangevoerd dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] – anders dan zij verklaren – de aangever mogelijk wel kennen, nu zij in dezelfde gemeente woonachtig zijn als de aangever en dezelfde moskee bezoeken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof acht de verklaring van de aangever dat het de verdachte is geweest die als eerste tot het uitoefenen van geweld is overgegaan betrouwbaar, nu zijn verklaring steun vindt in de verklaringen zoals de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] die tegenover de politie en de raadsheer-commissaris hebben afgelegd. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] beiden tegenover de raadsheer-commissaris hebben verklaard dat zij noch de aangever noch de verdachte kennen en derhalve als onafhankelijke getuigen hebben te gelden. Dit in tegenstelling tot de getuigen [getuige 4] en [getuige 1] die de verklaringen van de verdachte ondersteunen. [getuige 4] is de broer van de verdachte, terwijl [getuige 1] tegenover de raadsheer-commissaris heeft verklaard de verdachte en ook zijn ouders wel te kennen, nu zij vroeger bij elkaar in de buurt woonden, en dat zij elkaar nog groeten als zij elkaar op straat tegenkomen. Voor de verder niet onderbouwde stelling van de raadsvrouw dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] – in weerwil van hun verklaringen – de aangever wel kennen nu zij in dezelfde gemeente woonachtig zijn en de dezelfde moskee bezoeken, heeft het hof geen enkel aanknopingspunt gevonden, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

Het Hof verwerpt het beroep op noodweer dan ook, nu het, uitgaande van de verklaring van de aangever dat het de verdachte is geweest die als eerste is overgegaan tot het uitoefenen van geweld, de feiten en omstandigheden die aan het beroep ten grondslag zijn gelegd niet aannemelijk acht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 juni 2015 te [plaats], gemeente [gemeente], [slachtoffer] heeft mishandeld door hem te slaan en te schoppen waardoor die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft naar aanleiding van irritatie in het verkeer de bestuurder van een andere auto mishandeld, nadat hij hem uit zijn auto had getrokken. De verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 januari 2017 is hij meerdere keren onherroepelijk veroordeeld, onder meer voor een geweldsdelict. Dit weegt in zijn nadeel.

Het hof acht, alles afwegende, oplegging van een taakstraf voor de duur van zestig uren passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.256,70, bestaande uit € 5256,70 aan materiële schade en

€ 6000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de executiekosten en de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 514,-, bestaande uit

€ 239,00 aan materiële schade en € 275,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging. Daarnaast is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Voor het overige is de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De verdachte heeft de hoogte van de gevorderde schade niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zoals in hoger beroep aan de orde zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 514,00 (vijfhonderdveertien euro), bestaande uit € 239,00 (tweehonderdnegenendertig euro) materiële schade en € 275,00 (tweehonderdvijfenzeventig euro) immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 514,00 (vijfhonderdveertien euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. R.D. van Heffen en mr. S. Bek, in tegenwoordigheid van

mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 februari 2017.

[...]

[...]

[...]