Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1001

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
23-004894-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak mensenhandel. Toetsing betrouwbaarheid verklaringen aangeefster. Hof betracht behoedzaamheid wegens inconsistenties in verklaringen omtrent rol verdachte, die toen ook nog minderjarig was. Ontbreken objectief en consistent steunbewijs voor verklaringen aangeefster over seksuele uitbuiting in de ten laste gelegde periode. Hof kan niet met de benodigde mate van zekerheid vaststellen dat sprake was van meer dan ‘samen ontsporen’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004894-15

datum uitspraak: 10 maart 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 november 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-685024-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

adres: [adres] [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van driehonderd dagen met aftrek van voorarrest, waarvan tweehonderdtachtig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en hij heeft gevorderd aan de voorwaardelijke gevangenisstraf bijzondere voorwaarden te verbinden inhoudende een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting en een contactverbod met [aangeefster] .

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de door de rechtbank gegeven gronden terzijde stelt en de vrijspraak van de verdachte motiveert zoals hieronder weergegeven.

Vrijspraak

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep bewezen verklaring gevorderd van het aan de verdachte ten laste gelegde feit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster [aangeefster] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs zijn en heeft daartoe gewezen op de persoon van aangeefster, de professionele wijze waarop de politie de aangeefster heeft gehoord en haar verklaringen heeft weergegeven in de processen-verbaal, de gedetailleerdheid van de verklaringen en de relatief korte tijd tussen de feiten en het afleggen van de verklaringen door [aangeefster] .

De advocaat-generaal heeft er voorts op gewezen dat de verklaringen van [aangeefster] in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen uit het dossier.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het haar ten laste gelegde feit, nu er naast de verklaringen van [aangeefster] geen verklaringen van andere betrokkenen zijn die uit eigen waarneming verklaren en de verklaringen van [aangeefster] bevestigen.

Oordeel van het hof

- de verklaringen van de aangeefster met betrekking tot haar seksuele contacten

[aangeefster] is diverse malen gehoord door de politie en een maal door de rechter-commissaris.

In haar eerste verhoor door de politie op 16 mei 2014 heeft [aangeefster] aangifte gedaan van seksuele uitbuiting tegen [medeverdachte] . Op een moment dat die aangifte al vergevorderd was, verklaarde zij dat ook “een aantal meiden” haar in de prostitutie had laten werken. Daarop bevraagd noemde zij de naam van de verdachte. Gevraagd wanneer dat was gebeurd antwoordde zij: “laatst nog”. De verdachte zou vaak met haar alleen hebben afgesproken en dan hebben gezegd dat ze ‘geld gingen maken’ in Amsterdam en dan reed de verdachte naar een Marokkaanse man die tegenover [medeverdachte] woonde of naar een Afghaanse man in Duivendrecht. Het betrof telkens een huis en een man waar [medeverdachte] haar eerder zou hebben gebracht. [aangeefster] verklaarde dat zij twintig keer seks heeft gehad met de Marokkaanse man en tien keer met de Afghaanse man. Het geld dat de mannen betaalden werd verdeeld tussen [aangeefster] en de verdachte. [aangeefster] verklaarde verder dat dit de enige mannen waren waar de verdachte haar naartoe heeft gebracht en waarmee [aangeefster] seks tegen betaling had.

Op 16 oktober 2014 verklaarde [aangeefster] dat zij tweemaal seks heeft gehad met de Marokkaanse man en dat zij niet meer wist hoe vaak zij seks heeft gehad met de Afghaanse man. Een van die keren met de Marokkaanse man was [medeverdachte] daarbij en de andere keer [medeverdachte] en de verdachte, maar het idee kwam toen van [medeverdachte] . Die keer gaf die man geld aan [medeverdachte] en een iPhone aan de verdachte. Achteraf dacht [aangeefster] dat ook die iPhone misschien als betaling bedoeld was. Naar de Afghaanse man werd zij de ene keer gebracht door de verdachte en de andere keer door [medeverdachte] . Degene die [aangeefster] naar de Afghaanse man bracht werd betaald. Een keer zou zij ook zelf zijn betaald.

In dit verhoor heeft [aangeefster] voor het eerst verklaard over een woning aan de [adres] te Amsterdam, waar zij betaalde seks met twee mannen zou hebben gehad. De verdachte had van tevoren met de mannen een deal gesloten en zei dat [aangeefster] seks met hen moest hebben. De mannen hebben vervolgens de verdachte betaald.

[aangeefster] betwistte in dit verhoor de verklaring van [getuige 1] dat zij, [aangeefster] , vlak voor de zomervakantie van 2013 op Amsterdam Centraal had gezegd dat ze beter als hoer kon gaan werken, dat de verdachte toen een man had aangesproken die daar in de buurt liep en dat ze met die man naar een adres waren gegaan waar [aangeefster] met die man seks tegen betaling had gehad, terwijl de verdachte en [getuige 1] ook in die woning waren. [aangeefster] betitelde deze verklaring als onzin.

Op 19 januari 2015 heeft [aangeefster] verklaard dat de verdachte en zij een paar keer met een van de mannen aan de [adres] te Amsterdam gedronken hebben en dat zij op één dag seks met hem heeft gehad. Zij verklaarde verder dat de verdachte haar een keer vertelde dat deze man haar € 100, - had gegeven. [aangeefster] wist niet waarvoor dat was. Zij verklaarde vervolgens na het zien van een foto dat zij in het huis van de Marokkaanse man een keer met nog iemand anders dan de Marokkaanse man seks had gehad. Dit was een beetje bollige man, naar zij dacht ook een Afghaan. Van deze man kreeg zij zelf

€ 120, -, waarvan zij € 40, - aan de verdachte heeft gegeven.

Bij de rechter-commissaris heeft [aangeefster] op 2 juni 2015 verklaard dat zij, nadat zij in [de instelling] was opgenomen, geen seks tegen betaling meer had gehad. Voors verklaarde zij dat zij denkt dat zij de eerste keer seks tegen betaling heeft gehad met de Afghaan aan de [adres] (het hof begrijpt: [adres] ) en dat de verdachte haar naar dat adres heeft gebracht. De tweede keer dat [aangeefster] seks had was met de Marokkaanse overbuurman van [medeverdachte] . [medeverdachte] was hier ook bij. [aangeefster] verklaarde dat zij het geld heeft gekregen. [aangeefster] heeft verder verklaard dat zij twee of drie keer seks met de Marokkaanse overbuurman en ongeveer tien keer seks met de Afghaanse man uit Duivendrecht heeft gehad. De verdachte zou haar op één keer na altijd hebben vergezeld. Over de opbrengst heeft [aangeefster] verklaard dat die verdeeld werd. Soms kreeg de verdachte de helft en soms wat meer. [aangeefster] verklaarde verder dat, voordat zij tegen betaling seks had met de Marokkaanse overbuurman, zij er nog met een groep vriendinnen waren gaan chillen. Dat was geweest op voorstel van de verdachte, waarbij die man een fles drank had gehaald. [aangeefster] bevestigde verder nu wel de verklaring van [getuige 1] voor zover deze inhield dat zij, [aangeefster] , vlak voor de zomervakantie van 2013 op Amsterdam Centraal had gezegd dat ze beter als hoer kon gaan werken en dat de verdachte haar toen had meegenomen naar een adres waar ze seks tegen betaling had gehad. Dat was volgens haar ( [aangeefster] ) de Afghaanse man in de [adres] . Zij betwistte echter dat [getuige 1] daar bij was geweest, zoals [getuige 1] had verklaard.

Voorts verklaarde zij dat het op een gegeven moment gewoon werd dat de verdachte voorstelde om seks tegen betaling te hebben.

- overwegingen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster

Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [aangeefster] – voor zover zij verklaart over de feitelijke toedracht met betrekking tot de seksuele uitbuiting – wisselend en niet consistent zijn. Zo verklaart [aangeefster] wisselend over het aantal seksuele contacten dat zij voor betaling zou hebben gehad, de wijze waarop de contacten tot stand kwamen, de wijze waarop betaald is en over de rol die de verdachte hierin heeft gespeeld. Ook over wanneer de periode waarin deze contacten plaatsvonden eindigde heeft zij verschillend verklaard. Zo verklaarde zij op 16 mei 2014 dat dit ‘laatst nog’ was gebeurd, terwijl zij bij de rechter-commissaris verklaarde dat zij na haar opname in [de instelling] geen betaalde seks meer had gehad. Die opname vond plaats op 9 augustus 2013, welke datum tevens het eindpunt is van de ten laste gelegde periode.

Vorenstaande feiten en omstandigheden brengen naar het oordeel van het hof op zichzelf beschouwd niet met zich mee dat de verklaringen van [aangeefster] onbetrouwbaar zijn en daarom moeten worden uitgesloten van het bewijs. Voor de inconsistenties in haar verklaringen zijn immers meerdere oorzaken denkbaar. Daarbij komt dat het hof er geen twijfel over heeft dat zij seksuele contacten heeft gehad met de door haar genoemde mannen. De beschrijvingen die zij van die mannen en hun woningen heeft gegeven, vinden in ruime mate steun in hetgeen in het proces-verbaal van de politie is opgenomen. De vraag is echter welke rol de verdachte hierbij heeft gespeeld.

Het feit dat de aangeefster over de betaalde seksuele contacten en de rol van de verdachte daarbij wisselend heeft verklaard, betekent dat in zoverre sprake is van risico’s voor wat betreft de betrouwbaarheid van die verklaringen en dat daarom bijzonder gewicht toekomt aan hetgeen omtrent de gestelde uitbuiting door de verdachte overigens uit het dossier naar voren komt. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat de aangeefster tegen de verdachte – indertijd haar beste vriendin – geen aangifte heeft willen doen.

Het hof zal dan ook behoedzaamheid betrachten bij de beoordeling van de waarheidsgetrouwheid van de verklaringen van [aangeefster] . Dit uitgangspunt brengt met zich mee dat voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit voldoende steunbewijs zal worden vereist, dat ziet op de specifieke rol van de verdachte en dat bij het ontbreken daarvan naar het oordeel van het hof het bewijs niet zal zijn geleverd, zodat vrijspraak zal moeten volgen.

- beoordeling van het steunbewijs

De advocaat-generaal vindt steunbewijs voor de verklaringen van [aangeefster] in de verklaring van getuige [getuige 1] . Zij heeft verklaard dat zij aanwezig is geweest toen [aangeefster] seks tegen betaling had en dat de verdachte dit heeft georganiseerd. [aangeefster] heeft echter twee maal met stelligheid betwist dat [getuige 1] er ooit bij is geweest toen zij seks tegen betaling had en nooit verklaard dat dit wel zo was. Het hof acht deze verklaring daarom niet bruikbaar als steunbewijs voor de verklaringen van [aangeefster] .

De verklaring van de moeder van [aangeefster] , voor zover uit eigen waarneming, houdt niet in dat de verdachte [aangeefster] seks tegen betaling liet hebben en levert dus evenmin steunbewijs op. [getuige 2] verklaarde dat [aangeefster] haar vertelde dat zij samen met de verdachte seksuele contacten had met mannen in de Bijlmer. Zij herinnerde zich niet dat [aangeefster] ooit verteld had dat ze seks met mannen had voor geld. Deze verklaring sluit niet aan bij hetgeen [aangeefster] heeft verklaard en biedt geen steun voor de verklaring dat het initiatief voor het hebben van seks bij de verdachte zou hebben gelegen en dat zij zou hebben geprofiteerd van de seks tegen betaling door [aangeefster] . De andere bewijsmiddelen die de advocaat-generaal in het requisitoir heeft aangehaald zien op de medeverdachte [medeverdachte] .

Omtrent hetgeen overigens uit het dossier naar voren komt overweegt het hof nog het volgende. De ten laste gelegde periode betreft de periode voorafgaand aan de opname van [aangeefster] in [de instelling] . Van haar vriendengroep in die periode maakten deel uit de getuigen [getuige 1] , [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 5] . Deze vriend en vriendinnen zijn allemaal als getuigen gehoord. Zij hebben allen verklaard dat de verdachte bazig en dwingend was en dat het leek of [aangeefster] een beetje bang voor haar was. Over de rol van de verdachte bij de seksuele contacten die [aangeefster] met mannen had heeft echter alleen [getuige 1] verklaard. De anderen hebben pas later van [aangeefster] gehoord dat de verdachte haar voor betaling seks zou hebben laten hebben. De verklaring van [getuige 1] , die over een concreet incident op het Centraal Station heeft verklaard, wordt echter door niemand bevestigd. Niet door de aangeefster zelf, maar evenmin door de getuige [getuige 3] , die daar volgens [getuige 1] bij aanwezig zou zijn geweest. Voorts komt de beschrijving die [getuige 1] van de ‘klant’ gaf volstrekt niet overeen met de beschrijving die [aangeefster] van haar klanten gaf. [getuige 1] sprak van een kale man met een dure bontjas, dure schoenen en veel gouden sieraden (p. Z1 03 036). Een dergelijke beschrijving heeft [aangeefster] van geen van de mannen met wie zij seks heeft gehad gegeven. Ook het adres in Bos en Lommer (Amsterdam West) dat [getuige 1] heeft aangewezen ligt ver weg van de woningen waar [aangeefster] volgens haar verklaringen betaalde seks heeft gehad. Het hof overweegt ten slotte dat uit de verklaringen van [aangeefster] , haar moeder en haar begeleiders kan worden opgemaakt dat [aangeefster] in de ten laste gelegde periode opstandig was en ontspoorde. Het hof wijst daarbij op het feit dat ook de verdachte in die tijd nog minderjarig was en dat de aangeefster haar beschouwde als haar beste vriendin. Ook met betrekking tot de verdachte komt uit de stukken naar voren dat zij in die tijd door een bijzonder problematische periode ging.

Het hof stelt – op grond van het voorgaande – vast dat objectief en consistent (getuigen)bewijs voor de verklaringen van [aangeefster] over seksuele uitbuiting in de ten laste gelegde periode door de verdachte ontbreekt, terwijl de verdachte het ten laste gelegde steeds heeft ontkend. Weliswaar is meer dan aannemelijk dat de verdachte een rol speelde bij de seksuele contacten die de aangeefster met diverse mannen had, maar het hof kan niet met de benodigde mate van zekerheid vaststellen dat daarbij sprake was van meer dan ‘samen ontsporen’. Met name bestaat onduidelijkheid over wie het initiatief tot deze seksuele contacten nam, hoe vaak en wanneer precies dat is gebeurd en hoe de betaling verliep.

Het hof kan daarom niet vaststellen dat sprake is geweest van seksuele uitbuiting door de verdachte van [aangeefster] , noch dat de verdachte daartoe het oogmerk zou hebben gehad. Dit alles dwingt tot de beslissing dat de verdachte bij gebrek aan het voor de bewezenverklaring vereiste wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken van het aan haar ten laste gelegde feit.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. F. van den Brink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 maart 2017.

Mrs. Boumans en Gonggrijp- van Mourik zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.