Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:1000

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
23-003577-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak mensenhandel. Toetsing betrouwbaarheid verklaringen aangeefster. Hof betracht behoedzaamheid wegens inconsistenties in verklaringen omtrent rol verdachte. Ontbreken objectief en consistent steunbewijs voor verklaringen aangeefster over seksuele uitbuiting.

Bewezenverklaring ontuchtige handelingen, waaronder seksueel binnendringen, met twee meisjes van veertien en vijftien jaren oud. Verdachte heeft medewerking aan rapportage omtrent zijn persoon geweigerd, terwijl sprake is van zeer zorgelijke ontwikkeling. Deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. (Gedeeltelijke) toewijzing vorderingen benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003577-15

datum uitspraak: 10 maart 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 augustus 2015 in de strafzaak onder de parketnummers 13-741343-14 en 13-171200-13 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

adres: [adres en woonplaats] .

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is blijkens de akte instellen rechtsmiddel onbeperkt ingesteld en dus mede gericht tegen de vrijspraak van het hem onder 1 ten laste gelegde. Voor zover het hoger beroep is gericht tegen het onder 1 ten laste gelegde feit is de verdachte om die reden niet ontvankelijk. Het openbaar ministerie heeft zijn hoger beroep evenwel niet beperkt, zodat het onder 1 ten laste gelegde wel aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2013 tot en met 9 augustus 2013 te Amsterdam en/of Duivendrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten [aangever 1] , geboren op [geboortedatum] , (telkens) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van voornoemde [aangever 1] (artikel 273f, eerste lid, sub 2° Wetboek van Strafrecht) en/of

ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (een) seksuele handeling(en) met of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van voornoemde [aangever 1] (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat voornoemde [aangever 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die seksuele handeling(en), terwijl voornoemde [aangever 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt (atrikel 273f, eerste lid, sub 5° Wetboek van strafrecht) en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handeling(en) van voornoemde [aangever 1] , met of voor een derde tegen betaling, terwijl voornoemde [aangever 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, (artikel 273f, eerste lid, sub 8°)

immers heeft/hebben/is/zijn hij verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer van zijn mededader(s)

- een (liefdes)relatie en/of (vriendschaps)relatie aangegaan en/of onderhouden met voornoemde [aangever 1] en/of

- ( vervolgens) voornoemde [aangever 1] er toe aangezet en/of overgehaald om (een) seksuele handeling(en) te verrichten met een of meer man(nen) tegen betaling en/of

- een film(pje) van voornoemde [aangever 1] gemaakt, op welk(e) film(pje) seksuele activiteiten staan/te zien zijn van voornoemde [aangever 1] en/of gedreigd voornoemd(e) film(pje) openbaar te maken (via de social media) en/of gedreigd een naaktfoto van voornoemde [aangever 1] openbaar te maken (via de social media) en/of voornoemde naaktfoto (korte tijd) op facebook geplaatst en/of

- voornoemde [aangever 1] eenmaal en/of meermalen tegen het lichaam geslagen en/of gestompt en/of voornoemde [aangever 1] eenmaal of meermalen tegen een muur geduwd en/of gegooid en/of bij de keel vastgepakt en/of vastgehouden, in elk geval voornoemde [aangever 1] eenmaal of meermalen mishandeld en/of een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp aan voornoemde [aangever 1] getoond en/of voorgehouden en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan voornoemde [aangever 1] getoond en/of

- tegen voornoemde [aangever 1] gezegd dat zij een varken is en/of dat zij dom is en toch geen diploma zou halen en/of dat haar keel doorgesneden zou worden, in elk geval (telkens) woorden van gelijke aard of strekking en/of

- voornoemde [aangever 1] in een door verdachte en/of zijn mededader(s) gecontroleerde situatie gebracht en/of gehouden, in elk geval één of meer handeling(en) verricht (zoals het sociaal isoleren van voornoemde [aangever 1] en/of het vrijwel permanent controleren van voornoemde [aangever 1] ) strekkende tot het brengen en/of houden van voornoemde [aangever 1] in een dwang- en/of uitbuitingssituatie, in elk geval in een van verdachte en/of zijn mededader(s) (emotioneel) afhankelijke positie en/of

- voornoemde [aangever 1] naar een of meer man(nen) gebracht en/of vervoerd, met welke man(nen) voornoemde [aangever 1] seksuele handelingen moest verrichten en/of verrichtte tegen betaling en/of

- voornoemde [aangever 1] gecontroleerd en/of aanwezig geweest op het moment dat zij (een) seksuele handeling(en) moest verrichten en/of verrichtte tegen betaling met voornoemde man(nen) en/of

- voornoemde [aangever 1] een (groot) deel van haar (prostitutie)verdiensten heeft/hebben laten afgeven aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), (terwijl voornoemde [aangever 1] de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt);

2:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 9 augustus 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met [aangever 1] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [aangever 1] , hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, (stijve) penis in de vagina van voornoemde [aangever 1] geduwd en/of gebracht;

3:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2013 tot en met 1 juli 2014 te Amsterdam, met [aangever 2] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die voornoemde [aangever 2] , hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, (stijve) penis in de vagina van voornoemde [aangever 2] geduwd en/of gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, om redenen van doelmatigheid.

Vrijspraak feit 1

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep bewezen verklaring gevorderd van het onder 1 aan de verdachte ten laste gelegde feit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster [aangever 1] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs zijn en heeft daartoe gewezen op de persoon van aangeefster, de professionele wijze waarop de politie de aangeefster heeft gehoord en haar verklaringen heeft weergegeven in de processen-verbaal, de gedetailleerdheid van de verklaringen en de relatief korte tijd tussen de feiten en het afleggen van de verklaringen door [aangever 1] .

De advocaat-generaal heeft er voorts op gewezen dat de verklaringen van [aangever 1] in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen uit het dossier.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken, nu hij ontkent het feit te hebben gepleegd en de verklaringen van aangeefster [aangever 1] onbetrouwbaar zijn en onvoldoende steun vinden in de overige gegevens uit het dossier.

Oordeel van het hof

- de verklaringen van de aangeefster met betrekking tot haar seksuele contacten

[aangever 1] is door de politie en door de rechter-commissaris diverse malen gehoord.

In haar eerste verhoor bij de politie op 16 mei 2014 heeft [aangever 1] verklaard dat ‘wat haar is overkomen’ in de zomer van 2013 haar is aangedaan door de verdachte. Zij was in het voorjaar van 2013 met hem bevriend geraakt en vervolgens verliefd op hem geworden. In de zomer had hij haar op enig moment voorgesteld klanten te zoeken op straat waarmee zij naar bed zou kunnen gaan om geld te verdienen. [aangever 1] moest van de verdachte tweemaal achter elkaar seks hebben met een Marokkaanse man die tegenover de verdachte woonde. De verdachte kreeg hier € 120, - voor betaald. Ook heeft de verdachte haar een keer meegenomen naar Duivendrecht en gezegd dat ze seks moest hebben met een Afghaanse man. De Afghaanse man moest hier € 90, - voor betalen. Later tijdens het verhoor heeft [aangever 1] verklaard dat ook de medeverdachte [medeverdachte] haar naar mannen bracht om seks tegen betaling te hebben. [aangever 1] zou twintig keer seks gehad hebben met de Marokkaanse man en ongeveer tien keer met de Afghaanse man.

Op 16 oktober 2014 heeft [aangever 1] verklaard dat zij tweemaal seks heeft gehad met de Marokkaanse man. De eerste keer was alleen de verdachte erbij, de tweede keer de verdachte en [medeverdachte] samen. Met de Afghaanse man heeft [aangever 1] een aantal keren seks gehad, waarbij zij soms door de verdachte en andere keren door [medeverdachte] werd gebracht.

[aangever 1] heeft in dit verhoor voor het eerst verklaard over de klanten aan de [adres] te Amsterdam. Hierbij zou enkel [medeverdachte] betrokken zijn geweest.

In het derde verhoor op 19 januari 2015 heeft [aangever 1] niet concreet verklaard over enige betrokkenheid van de verdachte bij de seks die zij tegen betaling zou hebben gehad. Wel heeft zij toen verklaard dat de verdachte en [medeverdachte] zeiden dat als ze ‘het’ (het hof begrijpt: seks hebben met mannen tegen betaling) niet deed, zij er voor zouden zorgen dat ze haar vriendinnen zou kwijtraken.

Bij de rechter-commissaris heeft [aangever 1] op 2 juni 2015 verklaard dat zij tegen [medeverdachte] geen aangifte had willen doen, maar wel tegen de verdachte omdat hij ‘haar hele leven kapot had gemaakt’. De verdachte was er in totaal één keer bij geweest toen zij seks tegen betaling had. Zij wist niet of de verdachte van tevoren met de man met wie zij seks had afspraken had gemaakt. Zij had zelf het geld gekregen. [medeverdachte] zou hier ook bij aanwezig zijn geweest. Op de andere momenten dat [aangever 1] seks tegen betaling had – in deze verklaring sprak [aangever 1] over twee of drie keer met de Marokkaanse overbuurman en tien keer met de Afghaanse man uit Duivendrecht – was alleen [medeverdachte] hierbij aanwezig geweest. [aangever 1] bevestigde verder de verklaring van [getuige 1] dat zij, [aangever 1] , vlak voor de zomervakantie van 2013 op Amsterdam Centraal had gezegd dat ze beter als hoer kon gaan werken en dat [medeverdachte] haar toen had meegenomen naar een adres waar ze seks tegen betaling had gehad met volgens haar ( [aangever 1] ) de Afghaanse man in de [adres] – van welke verklaring zij tegenover de politie op 16 oktober 2014 had gezegd dat deze onwaar was. Voorts verklaarde zij dat het op een gegeven moment gewoon werd dat [medeverdachte] voorstelde om seks tegen betaling te hebben.

Op 21 mei 2015 heeft [aangever 1] bij de rechter-commissaris niet concreet verklaard over enige betrokkenheid van de verdachte bij de seks die zij tegen betaling heeft gehad.

- beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster

Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [aangever 1] – voor zover zij heeft verklaard over de feitelijke toedracht met betrekking tot de seksuele uitbuiting – op onderdelen wisselend en niet consistent zijn. Zo heeft zij wisselend verklaard over het aantal seksuele contacten dat zij voor betaling zou hebben gehad en over de aanwezigheid van de verdachte hierbij. Verder heeft zij de rol van de verdachte bij haar betaalde seksuele contacten met mannen in de loop van haar verhoren, met name in haar verhoor bij de rechter-commissaris, aanzienlijk afgezwakt.

Vorenstaande feiten en omstandigheden behoeven naar het oordeel van het hof op zichzelf beschouwd niet met zich mee te brengen dat de verklaringen van [aangever 1] op alle onderdelen onbetrouwbaar zijn en daarom moeten worden uitgesloten van het bewijs. Voor de inconsistenties in haar verklaringen zijn immers meerdere oorzaken denkbaar. Daarbij komt dat het hof er geen twijfel over heeft dat zij seksuele contacten heeft gehad met de door haar genoemde mannen. De beschrijvingen die zij van die mannen en hun woningen heeft gegeven, vinden in ruime mate steun in hetgeen in het proces-verbaal van de politie is opgenomen. De vraag is echter welke rol de verdachte hierbij heeft gespeeld.

Het feit dat de aangeefster over zijn rol wisselend heeft verklaard betekent dat in zoverre sprake is van risico’s voor wat betreft de betrouwbaarheid van die verklaringen en dat bijzonder gewicht toekomt aan hetgeen omtrent de gestelde uitbuiting door de verdachte overigens uit het dossier naar voren komt.

Het hof zal daarom behoedzaamheid betrachten bij de beoordeling van de waarheidsgetrouwheid van de verklaringen van [aangever 1] . Dit uitgangspunt brengt mee dat voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit voldoende steunbewijs zal worden vereist, dat specifiek ziet op de rol van de verdachte. Bij het ontbreken daarvan zal naar het oordeel van het hof het bewijs niet zijn geleverd, zodat vrijspraak zal moeten volgen.

- beoordeling van het steunbewijs

De advocaat-generaal vindt belangrijk steunbewijs voor de verklaringen van [aangever 1] in de verklaring van de getuige [getuige 1] . Het hof deelt dit standpunt niet. Het hof merkt hierover op dat [getuige 1] met betrekking tot mogelijke seksuele uitbuiting van [aangever 1] door de verdachte juist ontlastend heeft verklaard en heeft verklaard dat [aangever 1] tegen haar had gezegd dat ze aangifte tegen [verdachte] had gedaan omdat hij niets meer met haar wilde. Dat [aangever 1] de panden waar zij seks heeft gehad heeft herkend zegt op zichzelf niets over een eventuele rol van de verdachte. De mannen verblijvend aan de [adres] te Amsterdam hebben niets over de verdachte verklaard. De verklaringen van enkele meisjes uit de groep rond [aangever 1] , die inhouden dat de verdachte hen – op tijdstippen ruim na de ten laste gelegde periode – zou hebben gevraagd seksuele contacten met mannen te hebben voor geld, zijn zo algemeen dat deze niet kunnen dienen als steunbewijs voor hetgeen de verdachte onder feit 1 ten laste wordt gelegd. Het betreft bovendien meisjes die na de ten laste gelegde periode met [aangever 1] in [de instelling] opgenomen zijn geweest en de aangeefster en de verdachte pas toen hebben leren kennen. Zij hebben hun wetenschap van wat er voor die tijd was gebeurd dus alleen ‘van horen zeggen’. Daarbij komt dat er ook meisjes uit voornoemde groep zijn die juist een voor de verdachte ontlastende verklaring hebben afgelegd. Voor de verklaring van een van hen, [aangever 2] , geldt verder dat zij met betrekking tot het door haar overgelegde briefje heeft verklaard dat dit betrekking had op seks met toeristen, terwijl [aangever 1] niet heeft verklaard dat zij seks met toeristen heeft gehad. [aangever 2] heeft overigens ook niet verklaard dat de verdachte [aangever 1] in de prostitutie zou hebben laten werken. De verklaring van de moeder van [aangever 1] , voor zover uit eigen waarneming, ondersteunt de stelling dat de verdachte en [aangever 1] een relatie hadden, maar biedt geen bewijs voor seksuele uitbuiting van [aangever 1] door de verdachte. Het door de advocaat-generaal aangehaalde bewijs dat ziet op de naaktfoto van [aangever 1] houdt evenmin in dat de verdachte [aangever 1] seks tegen betaling heeft laten hebben of daaruit voordeel heeft getrokken. Tot slot heeft de advocaat-generaal gewezen op de verklaring van [getuige 9] , maar ook [getuige 9] heeft niet verklaard over seksuele uitbuiting van [aangever 1] door de verdachte.

Het hof merkt omtrent hetgeen zich overigens in het dossier bevindt nog op dat opvalt dat de getuigen uit de vriendengroep waarmee [aangever 1] omging in de tenlastegelegde periode – de maanden voorafgaand aan [aangever 1] ’s opname in [de instelling] –, niet hebben verklaard te hebben gezien, gehoord of vermoed dat de verdachte [aangever 1] seks liet hebben voor geld. Het hof doelt dan op haar vriendinnen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] en haar vriend [getuige 4] .

- conclusie

Het hof stelt – op grond van het voorgaande – vast dat objectief en consistent (getuigen)bewijs voor de verklaring van [aangever 1] over (kort gezegd) seksuele uitbuiting door de verdachte ontbreekt, terwijl de verdachte het ten laste gelegde steeds heeft ontkend. Niet kan met de benodigde mate van zekerheid worden geoordeeld dat de verdachte een rol heeft gespeeld bij het aangaan van seksuele contacten met diverse mannen door [aangever 1] , noch dat hij voordeel uit die contacten heeft getrokken.

Het hof is van oordeel dat, op grond van hetgeen uit het dossier naar voren komt, noch op grond van hetgeen ter terechtzitting overigens is gebleken, bewezen kan worden geacht hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Dit alles dwingt tot de beslissing dat de verdachte bij gebrek aan het voor de bewezenverklaring vereiste wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken van het aan hem onder 1 ten laste gelegde feit.

Bewijsoverwegingen feit 2 en feit 3

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep bewezen verklaring gevorderd van de onder 2 en 3 aan de verdachte ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het hem onder 2 en 3 ten laste gelegde. De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat diverse getuigen in algemene zin hebben bevestigd dat de verdachte en [aangever 1] een relatie hadden, maar dat deze getuigenverklaringen allen zijn terug te voeren tot één bron, te weten [aangever 1] zelf. Voorts zijn er de verklaringen van [getuige 5] en [getuige 6] die verklaren dat zij van de verdachte hebben gehoord dat hij seks met [aangever 1] had. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze verklaringen onvoldoende overtuigend zijn, mede gelet op de ontkenning door de verdachte.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van [aangever 2] zoveel tegenstrijdigheden en ongeloofwaardigheden bevatten dat deze niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Daarbij komt dat verschillende getuigen hebben verklaard dat [aangever 2] een leugenaar is. Uit de Facebook chatgesprekken blijkt dat [aangever 2] en de verdachte tussen 26 november 2013 en 19 april 2014 geen gesprekken hebben gevoerd en [aangever 2] heeft verklaard dat zij zeker een paar maanden geen contact heeft gehad met de verdachte. De raadsman heeft geconcludeerd dat het onwaarschijnlijk is dat er seksuele contacten tussen de verdachte en [aangever 2] hebben plaatsgevonden in de tenlastegelegde periode.

Overwegingen en oordeel van het hof

Ten aanzien van feit 2

[aangever 1] heeft verklaard dat zij een relatie had met de verdachte en dat zij in mei 2013 voor het eerst seks hadden.

De moeder van [aangever 1] , [moeder aangever 1] , heeft verklaard dat de relatie tussen [aangever 1] en de verdachte volgens haar speelde vanaf juni of juli 2013 en dat zij achteraf hoorde dat [aangever 1] en de verdachte al in mei 2013 een relatie hebben gekregen. [moeder aangever 1] heeft voorts verklaard dat wanneer de verdachte en [aangever 1] ruzie hadden de verdachte bleef bellen, ook midden in de nacht, waarbij hij seksueel getinte beledigingen uitte. Het bellen gebeurde volgens [moeder aangever 1] in de maanden mei, juni en juli 2013. [moeder aangever 1] heeft ook verklaard over een voorval waarbij de verdachte vanuit Marokko belde. [aangever 1] deed hysterisch en schreeuwde: ‘Ik wil bij jou zijn, ik hou van je’.

[getuige 6] heeft verklaard dat [aangever 1] en de verdachte een relatie hadden voordat [aangever 1] in [de instelling] verbleef en dat de verdachte later weer een relatie met [aangever 1] wilde. [getuige 6] heeft de verdachte tweemaal gezien. [aangever 1] was hier beide keren bij.

[getuige 2] heeft over de relatie tussen [aangever 1] en de verdachte verklaard dat de verdachte [aangever 1] het ene moment uitschold en even later zei dat hij van haar hield. [aangever 1] was altijd bij de verdachte en zij heeft [getuige 2] verteld dat zij seks hadden.

[getuige 5] heeft verklaard dat de verdachte haar vertelde dat hij seks met [aangever 1] heeft gehad, waarbij hij vertelde hoe de vagina van [aangever 1] eruit zag.

Uit meerdere getuigenverklaringen en de verklaringen van [aangever 1] zelf komt naar voren dat [aangever 1] seksueel actief was in de periode voordat zij in [de instelling] werd geplaatst.

De verdachte heeft zelf ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij vanuit Marokko naar Nederland is gereisd toen hij hoorde dat [aangever 1] in [de instelling] werd geplaatst en dat hij geld heeft geleend om daarvoor een nieuw vliegticket te kopen.

Het hof kent voorts betekenis toe aan een gesprek op facebook tussen de aangeefster en de verdachte, waarin de verdachte het volgende bericht plaatste: “Eerst neuken dan is het goed daarna gelijk ruzie kan niet he”. De aangeefster heeft daarover verklaard: “daar bedoelt hij mee dat het eerst goed gaat, dat we dan seks hebben en dat het daarna weer seks (het hof begrijpt: slecht) gaat.”

Voor het hof staat gelet op het voorgaande vast dat de verdachte en [aangever 1] vanaf mei 2013 tot aan de plaatsing van [aangever 1] in [de instelling] in augustus 2013 een seksuele relatie hadden, waarbij sprake is geweest van seksueel binnendringen (‘neuken’). De verklaringen van [aangever 1] hierover zijn consistent en het hof acht die op dit punt betrouwbaar. Ze vinden voldoende steun in het overige bewijs.

Het hof acht, het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 1 mei 2013 tot 9 augustus 2013 meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [aangever 1] , die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [aangever 1] .

Ten aanzien van feit 3

- wat uit het dossier naar voren komt

[aangever 2] heeft in haar verhoor op 20 mei 2014 verklaard dat zij de verdachte via [aangever 1] heeft leren kennen. Zij heeft verklaard in totaal ongeveer vijf of zes keer seks met de verdachte te hebben gehad in en na januari 2014. Zij herinnert zich dat eenmaal het condoom was ‘geklapt’ en dat zij toen een soa-test heeft gedaan. Dit was een maand of drie voor de datum van het verhoor.

In het dossier bevindt zich een Facebook-chatgesprek uit november 2013, gevoerd door de verdachte en [aangever 2] . Op 10 november 2013 stuurde [aangever 2] het volgende bericht: ‘Helemaal wel ik kom wel!!!! Maar mag ik nou komen? Dan ga ik nu douchen enso en dn kom ik!’. De verdachte antwoordt: ‘Maar je komt zeker als je weet dat je niet komt moet je me nu zegen.’ [aangever 2] : Ik kom zeker. Ja ik kooohooom!! Ik ga nu opladen bel en fb je zo ja? To zo Xx.’ De verdachte antwoordt daarop: ‘bye bye xc wek goed wassen beneden’. [aangever 2] : ‘Haha jaa Altijd x Jij ook X’. De verdachte: ‘… mij pik bedoel je’.

Voorts heeft de getuige [getuige 5] verklaard dat de verdachte met meerdere jonge meisjes, onder wie [aangever 2] , omging en dat hij aan haar de vagina van [aangever 2] heeft beschreven.

De getuigen [getuige 6] en [getuige 7] hebben bevestigd van [aangever 2] te hebben gehoord dat de verdachte haar vriend was en dat zij seks met hem had. [aangever 2] gebruikte [getuige 6] ’s telefoon wel eens om met de verdachte via Whatsapp te chatten. [getuige 6] heeft tevens verklaard dat [aangever 2] ‘ergens in maart of april’ 2014 over het hek van [de instelling] was geklommen en naar de verdachte was gegaan. Dit laatste werd bevestigd door de getuige [getuige 8] , die ook verklaarde dat [aangever 2] ‘ging’ met de verdachte. Deze drie getuigen waren tegelijkertijd met [aangever 2] opgenomen in [de instelling] .

- overwegingen en oordeel

[aangever 2] heeft verklaard dat zij (naar zij denkt) in en na januari 2014 seks heeft gehad met de verdachte, waarbij sprake is geweest van seksueel binnendringen (‘neuken’). Het hof vindt daarvoor enige bevestiging in het hiervoor genoemde Facebook-chatgesprek van 10 november 2013, waaruit naar voren komt dat de verdachte de intentie had om seks met [aangever 2] te hebben. Het hof constateert dat de frequentie van het contact tussen de verdachte en [aangever 2] in de ten laste gelegde periode niet precies is vast te stellen. Uit de zich in het dossier bevindende chatgesprekken tussen [aangever 2] en de verdachte blijkt enkel van (chat)contact in november 2013 en in de tweede helft april 2014. Uit de verklaring van [getuige 6] kan echter worden afgeleid dat [aangever 2] niet alleen via haar eigen telefoon met de verdachte contact had. Voorts vindt de verklaring van [aangever 2] dat zij eind maart/ begin april 2014 twee nachten bij de verdachte heeft geslapen bevestiging in de verklaringen van [getuige 6] en [getuige 8] . Het hof gaat er daarom vanuit dat er in de ten laste gelegde periode wel sprake is geweest van contact.

De verklaring van [aangever 2] dat zij en de verdachte op enig moment na het begin van hun contact daadwerkelijk seks met elkaar hebben gehad vindt voorts steun in de verklaring van [getuige 5] . De bron van deze verklaring is niet [aangever 2] , maar de verdachte zelf. Het feit dat de verdachte intieme details over [aangever 2] ’s vagina vertelde, biedt sterke steun aan haar verklaring dat zij met de verdachte geslachtsgemeenschap heeft gehad.

Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat er voldoende ondersteunend bewijs is voor de verklaring van [aangever 2] dat zij meermalen seks heeft gehad met de verdachte. Het hof ziet ook overigens geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van die verklaring te twijfelen, voor zover die verklaring ziet op de seks tussen haar en de verdachte.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 1 december 2013 tot en met 20 mei 2014 meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [aangever 2] , die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [aangever 2] .

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2013 tot en met 9 augustus 2013 te Amsterdam, met [aangever 1] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [aangever 1] , hebbende verdachte telkens zijn, verdachtes, stijve penis in de vagina van voornoemde [aangever 1] gebracht;

3:
hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 20 mei 2014 te Amsterdam, met [aangever 2] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die voornoemde [aangever 2] , hebbende verdachte telkens zijn, verdachtes, stijve penis in de vagina van voornoemde [aangever 2] gebracht.

Hetgeen onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 en 3 bewezen verklaarde levert op:

telkens: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren met aftrek van voorarrest, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met daaraan gekoppeld contactverboden met [aangever 1] en [aangever 2] .

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder de feiten 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren met aftrek van voorarrest en dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd. Subsidiair heeft de raadsman gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zesendertig maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Bewezen is dat de verdachte gedurende perioden van telkens meerdere maanden meermalen seks heeft gehad met een meisje van veertien, respectievelijk een meisje van vijftien jaren oud, terwijl de verdachte in die periode reeds midden twintig was.

Buitenechtelijke seks met jeugdigen – zoals de slachtoffers in casu – is bij wet verboden, ook als de slachtoffers daarmee instemmen. Reden daarvoor is de bescherming van de persoonlijke en seksuele integriteit van jeugdigen, die – gezien hun leeftijd – onvoldoende in staat worden geacht de consequenties van hun handelen te overzien of zichzelf te beschermen tegen misbruik van hun kwetsbaarheid. In dit concrete geval is bovendien van belang dat de slachtoffers in deze zaak problemen hadden. [aangever 1] is in [de instelling] geplaatst mede ten gevolge van haar omgang met de verdachte. [de instelling] is een behandelcentrum voor jongeren met problemen. [aangever 2] verbleef al in [de instelling] toen zij met de verdachte contact had. De verdachte wist dat. Beide slachtoffers waren dus niet alleen kwetsbaar door hun jonge leeftijd, maar bevonden zich ook in een zeer kwetsbare positie toen de verdachte contact met hen zocht of reeds had gelegd.

Het hof acht het gedrag van de verdachte onaanvaardbaar. De verdachte heeft de kwetsbaarheid van de meisjes misbruikt ten bate van zijn eigen behoeftebevrediging. Hij heeft zijn seksuele behoeften boven de belangen van de slachtoffers geplaatst en heeft daarmee geen enkel respect getoond voor de persoonlijke en seksuele ontwikkeling van de slachtoffers. Dat is zeer kwalijk.

Het hof heeft tevens rekening gehouden met aspecten die de persoon van de verdachte betreffen, waaronder het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 februari 2017 en de rapportage van het Pieter Baan Centrum van 1 juli 2016.

Uit genoemd uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat de verdachte eerder, zij het voor anderssoortige feiten, is veroordeeld. Bovendien valt de pleegperiode van het onder 3 ten laste gelegde feit binnen de proeftijd van een in 2013 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum blijkt dat de verdachte geweigerd heeft mee te werken aan gedragskundig onderzoek en geen toestemming heeft gegeven voor het opvragen van relevante medische, psychiatrische of anderszins relevante informatie rondom zijn persoon. De rapporteurs hebben desondanks vastgesteld dat de verdachte hoogstens op een zwakbegaafd niveau functioneert. De beperkte intellectuele vermogens van de verdachte zijn blijvend van aard en kunnen als een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens worden aangemerkt. Uit de chronische aard van deze beperking volgt dat deze ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig is geweest. De rapporteurs achten het beeld dat rijst op grond van het zeer beperkte milieuonderzoek verontrustend. Er zijn in de voorgeschiedenis aanwijzingen voor een ziekelijke stoornis in de vorm van ADHD, een verstoorde hechting, mogelijke mishandelingen leidend tot traumatisering en verslavingsgevoeligheid. Er zijn ook aanwijzingen voor een vroege gedragsstoornis eventueel leidend tot een (antisociale) persoonlijkheidsstoornis. Het forensische klinische beeld is zorgelijk voor wat betreft de terugval in crimineel gedrag. Risicotaxaties konden echter niet worden verricht, gelet op de weigering van de verdachte hieraan zijn medewerking te verlenen. De rapporteurs hebben vragen over een eventuele doorwerking en recidiverisico niet kunnen beantwoorden en geen aanbevelingen in een gedragskundig kader kunnen doen.

Het hof is met de rapporteurs van oordeel dat sprake is van een zeer zorgelijke ontwikkeling van de verdachte en betreurt het gebrek aan medewerking aan de rapportage, waardoor onduidelijk is gebleven welke straf of maatregel het meest geschikt zou zijn om te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw (ernstige) strafbare feiten zal plegen.

Anderzijds moet worden vermeld dat ter terechtzitting P. Folman, cliënt ondersteuner van de verdachte bij Stichting MEE, als getuige is gehoord. Hij heeft verklaard dat de verdachte – in de korte periode dat hij sinds diens invrijheidsstelling contact met hem heeft – gemotiveerd lijkt om aan zijn toekomst te werken. De verdachte heeft dit ter terechtzitting bevestigd en zich bereid verklaard mee te werken aan een eventuele ambulante behandeling door een psychiater en/of psycholoog en aan toezicht door de reclassering in het kader van voorwaarden verbonden aan een voorwaardelijke straf.

Het hof zal niet de door de advocaat-generaal gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging aan de verdachte opleggen. Het hof is op grond van de ernst van de bewezenverklaarde feiten en het rapport van het Pieter Baan Centrum van oordeel dat weliswaar behandeling van de verdachte nodig is, maar het hof acht de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging te verstrekkend, mede nu de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde wordt vrijgesproken.

Anders dan de advocaat-generaal, maar in navolging van de rechtbank, is het hof van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur met aftrek van voorarrest passend is. Aan de deels voorwaardelijke – aanzienlijke – gevangenisstraf zal het hof voorwaarden verbinden, inhoudende dat de verdachte zich dient te houden aan de door Reclassering Nederland te geven aanwijzingen en dat hij verplicht is zijn medewerking te verlenen aan een ambulante behandeling indien de reclassering dit noodzakelijk acht. Voor het stellen van een bijzondere voorwaarde in de vorm van een contactverbod ziet het hof, gelet op het tijdsverloop sinds de bewezen verklaarde feiten, onvoldoende aanleiding.

Beslag

Het hof is – met de advocaat-generaal – van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen goederen, te weten een telefoon, merk Blackberry Bold, en een simkaart, KPN, aan de verdachte dienen te worden geretourneerd.

Vorderingen benadeelde partijen

[aangever 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.854,17. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.000, -. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijke bedrag van de vordering. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding.

Het hof acht de vordering ten aanzien van de immateriële schade voldoende onderbouwd. Gelet op het feit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde dient de vordering van de benadeelde partij te worden gematigd. Wel is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof waardeert de door [aangever 1] – ten gevolge van het onder 2 bewezen geachte – geleden immateriële schade op een bedrag van € 1.000,00. De benadeelde partij zal ten aanzien van de overigens gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De behandeling van het deel van de vordering strekkende tot vergoeding van de materiële schade, bestaande uit gederfde inkomsten, reiskosten en kosten van het opvragen van medische informatie, vormt een onevenredige belasting van het strafgeding. Om die reden zal de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Gelet op al het voorgaande kan de vordering gedeeltelijk worden toegewezen, te weten tot een bedrag van € 1.000, -, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

[aangever 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.000, -. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijke bedrag van de vordering. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering tot tenuitvoerlegging

De vordering tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Amsterdam van

7 november 2013 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf gevorderd.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde ter terechtzitting is gebleken en gelet op de omstandigheid dat de verdachte wegens zijn detentie in deze zaak reeds de vervangende hechtenis betreffende een eerder aan hem opgelegde taakstraf heeft moeten uitzitten, zal het hof thans in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van na te melden duur gelasten zodat de terugkeer van de verdachte in de maatschappij niet wordt onderbroken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 77g, 77gg en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren of ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich gedurende de proeftijd zal melden bij de Reclassering Nederland, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht en voorts dat hij zich zal houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

- zich gedurende de proeftijd – indien de reclassering dit nodig acht – onder ambulante behandeling zal stellen bij een forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, zolang de reclassering dat nodig acht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- telefoon, merk Blackberry Bold;

- simkaart, KPN.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000, - (duizend euro) bestaande uit immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 1] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000, - (duizend euro) bestaande uit immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering benadeelde partij [aangever 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000, - (duizend euro) bestaande uit immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 2] , ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000, - (duizend euro) bestaande uit immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Amsterdam van 7 november 2013, parketnummer 13-171200-13, te weten de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, te vervangen door:

een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. F. van den Brink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 maart 2017.

Mrs. Boumans en Gonggrijp- van Mourik zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.