Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:988

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
23-002201-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaten plaats ongeval. Unus testis? Voldoende steunbewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-002201-15

Datum uitspraak: 2 maart 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 mei 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-141746-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1977,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de gemachtigde van de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 mei 2013 te Haarlem als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Boerhaavelaan, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, daar het vonnis in eerste aanleg om doelmatigheidsredenen niet in stand gelaten kan worden.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft aangevoerd dat, nu geen steunbewijs bestaat voor de verklaring van de getuige [getuige] , sprake is van slechts een getuige die heeft verklaard dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Er is derhalve sprake van onvoldoende wettig bewijs.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Volgens het tweede lid van art. 342 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Het hof is echter van oordeel dat hetgeen de getuige [getuige] heeft verklaard niet op zichzelf staat en voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.

Het hof vindt die steun ten eerste in de verklaring van [naam] . Deze verklaring houdt in dat het de verdachte is geweest die op 8 mei 2013 de auto, die betrokken is geweest bij het ongeval, heeft meegenomen en later op die dag ook weer heeft teruggebracht. Voorts heeft [naam] verklaard dat de verdachte, na het terugbrengen van de auto, verklaarde dat de politie achter hem aanzat en dat hij geen goede verklaring gaf over wat er gebeurd was. Daarbij zei hij onder meer dat de schade ontstaan zou zijn toen hij stilstond, dat hij er niets aan kon doen en dat hij het niet wist. Hij heeft toen niet gezegd dat niet hij, maar een ander de auto bestuurde toen de schade ontstond. Deze verklaring biedt steun aan de verklaring van [getuige] dat het de verdachte was die de auto die dag, en ook op het moment van de aanrijding, heeft bestuurd.

Voorts vindt het hof steun voor de verklaring van [getuige] in de eigen verklaring van de verdachte aan de politie dat hij zich niets wist te herinneren van de aanrijding, dat hij teveel gedronken had, dat hij bang was dat hij gewoon niet meer wist wat er allemaal had plaatsgevonden en dat het theoretisch zou kunnen zijn dat hij gereden had. Het feit dat hij in diezelfde verklaring eveneens verklaarde wel zeker te weten dat [getuige] gereden had acht het hof, gezien de zojuist weergegeven passages, niet aannemelijk.

Het hof acht aldus het wettig bewijs aanwezig.

Aan de overtuiging van het hof draagt voorts bij dat [getuige] haar verklaring op de dag van het ongeval bij de politie heeft afgelegd, nadat zij zich zelf had gemeld. Zonder haar verklaring zou de toedracht van het ongeval mogelijk niet zijn opgehelderd.

In het licht van het voorgaande acht het hof bewezen dat het de verdachte was die de auto op 8 mei 2013 bestuurde, een ongeval veroorzaakte en daarna de plaats van het ongeval heeft verlaten.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 8 mei 2013 te Haarlem als bestuurder van een motorrijtuig door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Boerhaavelaan, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden een ander, te weten [slachtoffer] , letsel was toegebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 30 maanden.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto op 8 mei 2013 met hoge snelheid een voetgangster aangereden, die daarbij ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen. Desondanks is de verdachte weggereden van de plaats van het ongeval zonder zijn personalia aan het slachtoffer kenbaar te maken of na te gaan hoe het met haar gesteldheid was. Bovendien had de verdachte die dag, zoals hij zelf heeft verklaard, heel veel alcohol gedronken en weed gebruikt. Door zo te handelen heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid als bestuurder niet genomen en heeft hij de mogelijkheden voor het slachtoffer om de verdachte aansprakelijk te stellen voor zijn handelen, bemoeilijkt.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 februari 2016 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. A.E.M. Röttgering en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van J.G.W.M. Lut, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 maart 2016.

mr. G.M. Boekhoudt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[.......]