Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:966

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
200.133.036/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 24 maart 2015. Bewijs niet geleverd: alsnog afwijzing van een groot gedeelte van de vordering van de geïntimeerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.133.036/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/431178/ HA ZA 09-2019

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 maart 2016

inzake

1 [APPELLANT SUB 1],

wonende te [woonplaats],

2. [APPELLANT SUB 2]

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. K. Roderburg te Amsterdam,

tegen

TIGLIO B.V.,

gevestigd te Goor,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam.

1 Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna wederom [appellanten] (appellanten gezamenlijk, in mannelijk enkelvoud), en Tiglio genoemd. Waar appellanten afzonderlijk worden bedoeld worden zij met hun volledige naam aangeduid.

In deze zaak heeft het hof op 24 maart 2015 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest. Beide partijen hebben daarna een rolbericht verzonden.

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat en waarom de grieven IX tot en met XII falen en dat [appellanten] bij een bespreking van grief XIII geen belang hebben. Het hof blijft bij die beslissingen en partijen hebben daaromtrent ook niets opgemerkt.

2.2

In het kader van de beoordeling van de grieven I-VIII (die het geschil aangaande de onder 3.1.3 van het tussenarrest bedoelde subsidie vanuit diverse invalshoeken aan het hof voorleggen) heeft het hof Tiglio toegelaten tot het bewijs van haar stellingen

- dat [appellanten], voordat de overeenkomst van 19 juli 2008 werd gesloten, heeft verzwegen dat het bevoegd gezag in 2007 het reeds verstrekte subsidiebedrag van € 362.874,72 van SBT had teruggevorderd en

- dat zij, Tiglio, mocht begrijpen dat de “aanpassingen in het dossier Drire” genoemd in garantie E2 louter zagen op de technische aanpassingen in de houtzagerij en niet op deze terugvordering.

Het hof heeft in dit verband in het tussenarrest, onder 3.6.2, overwogen: Dat betekent, dat als zou blijken dat Tiglio hiervan niet op de hoogte was en [appellanten] haar ook niet op de hoogte heeft gesteld, Tiglio zich terecht op het standpunt stelt dat haar een vordering toekomt wegens schending van de garantie en/of verzwijging. Het hof heeft, bij het formuleren van de bewijsopdrachten en de verdeling van de bewijslast, de tekst van de garantie onder E2 meegewogen, in het bijzonder de woorden “behoudens de aanpassingen in het dossier Drire”.

Voorts is, voor het geval Tiglio zou slagen in dat bewijs, overwogen dat in het kader van de schade van belang kan zijn of sprake is van eigen schuld van Tiglio (met name in de vorm van het niet naleven van de schadebeperkingsplicht). Het hof heeft om proceseconomische redenen het bewijs op dat punt -reeds toen- opgedragen aan [appellanten]

2.3

Tiglio heeft vervolgens aan het hof laten weten dat zij afziet van bewijslevering; ook [appellanten] heeft, voor zover nodig, laten weten af te zien van bewijslevering.

2.4

Nu Tiglio afziet van bewijslevering is niet komen vast te staan dat [appellanten] de terugvordering heeft verzwegen. De door Tiglio gestelde schending van de informatieplicht is dus niet komen vast te staan, en evenmin de reikwijdte van de garantie die Tiglio aan haar vordering ten grondslag legt. Daaruit volgt dat de onderhavige vordering van Tiglio bij gebreke van een deugdelijke grondslag niet toewijsbaar is.

Aan eventuele eigen schuld van Tiglio en bewijslevering door [appellanten] wordt niet toegekomen.

De grieven slagen dus in zoverre.

2.5

De beslissing van de rechtbank om [appellanten] te veroordelen tot betaling aan Tiglio van de door Drire terug te vorderen subsidie ad € 362.874,72 (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2009) kan, gelet op het voorgaande, niet in stand blijven.

Gelet op het falen van de daarop betrekking hebbende grieven blijft de veroordeling van [appellanten] tot betaling van € 74.638,54 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2009 wel in stand.

Ook de veroordelingen onder 3.2 en 3.3 van het eindvonnis (de betalingen in verband met rekening-courantschulden) blijven in stand. Teneinde misverstand te voorkomen en omwille van de leesbaarheid zal het hof het hele vonnis vernietigen en een nieuw dictum formuleren

2.6

Het hof is, met [appellanten] in grief XIV, van oordeel dat de veroordeling van [appellanten] in de proceskosten als de overwegend in het ongelijk gestelde partij door de rechtbank niet op haar plaats is, gelet op de omstandigheid dat de vorderingen van Tiglio tot een totaalbeloop van ruim € 2 miljoen uiteindelijk slechts worden toegewezen tot een bedrag, van, alles bijeen genomen, nog geen 10% daarvan.

Grief XIV slaagt dus en het hof zal de kosten zowel in eerste als in tweede aanleg compenseren.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van 3 april 2013 en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellanten] om aan Tiglio te betalen een bedrag van € 74.638,54 (vierenzeventigduizend zeshonderdachtendertig euro en vierenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 12 maart 2009 tot de dag van volledige betaling

veroordeelt [appellant sub 1] om aan Tiglio te betalen een bedrag van

€ 24.412,00 (vierentwintigduizend vierhonderdtwaalf euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 25 november 2009 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [appellant sub 2] om aan Tiglio te betalen een bedrag van

€ 29.329,00 (negenentwintigduizend driehonderdnegenentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 12 maart 2009 tot de dag van volledige betaling

compenseert de proceskosten zowel in eerste als in tweede aanleg in dier voege dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. Oranje, A.S. Arnold en P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2016.