Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:954

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
09-08-2016
Zaaknummer
200.169.348/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:1425, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:3033
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie; Het hof is van oordeel dat de vrouw haar behoefte tot op tegenbewijs door de man in rechte voldoende heeft waargemaakt. Het hof acht het aangewezen de man toe te laten tot het leveren van nader tegenbewijs (zoals door hem aangeboden) tegen de stelling van de vrouw dat zij niet in staat is, dan wel kan worden geacht in haar eigen behoefte te voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 15 maart 2016

Zaaknummer: 200.169.348/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/210498 / FA RK 14-207

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats a] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.A. Kanning te Haarlem,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats b] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. P.G.M. Vlaar te Hoorn.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 4 mei 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 25 februari 2015 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/210498 / FA RK 14-207.

1.3.

De man heeft op 29 juni 2015 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De vrouw heeft op 21 augustus 2015 een verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de man ingediend.

1.5.

De man heeft op 15 oktober 2015 nadere stukken ingediend.

1.6.

De vrouw heeft op 23 en 28 oktober 2015 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 29 oktober 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 10 april 1992 gehuwd. Hun huwelijk is op 7 juni 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Haarlem van 3 juni 2010 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [kind a] [in] 1993, [kind b] [in] 1995 en de nog minderjarige [kind c] [in] 2002. [kind c] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

2.2.

Bij beschikking van 14 september 2010 van de rechtbank Haarlem is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de [kind a] , [kind b] en [kind c] bepaald van € 192,- per kind per maand.

2.3.

Bij beschikking van 27 maart 2012 van de rechtbank Haarlem is, met wijziging in zoverre van voornoemde beschikking, bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind b] en [kind c] met ingang van 26 oktober 2011 € 237,- per kind per maand zal voldoen aan de vrouw.

2.4.

In de onderhavige procedure heeft de rechtbank Noord-Holland bij beschikking van 24 september 2014 het verzoek van de man met betrekking tot de nihilstelling van de kinderbijdrage voor [kind c] , afgewezen en is de beslissing omtrent de partnerbijdrage en de proceskosten aangehouden.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.5.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1964. Hij leeft samen met zijn partner.

Zijn partner voorziet in eigen levensonderhoud.

2.6.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1967. Zij vormt met de kinderen van partijen een eenoudergezin.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is:

- het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een uitkering tot haar levensonderhoud, afgewezen;

- het verzoek van de man te bepalen dat, gelet op de samenleving van de vrouw, de verplichting tot verstrekking van levensonderhoud is geëindigd, afgewezen;

- bepaald dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man met ingang van 23 januari 2014 maandelijks € 237,- zal voldoen als uitkering tot haar levensonderhoud, althans een zodanige bijdrage als de rechtbank juist acht.

Deze beschikking is tevens gegeven op het zelfstandig verzoek van de man:

  • -

    te bepalen dat de verplichting tot verstrekking van levensonderhoud is geëindigd, gelet op de samenleving van de vrouw;

  • -

    te bepalen dat de door de man te betalen bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw gelimiteerd zal zijn tot de duur van een jaar, althans gelimiteerd zal zijn tot een in goede justitie te bepalen duur;

  • -

    te bepalen dat de door de man te betalen bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw op nihil wordt gesteld na de duur van een jaar, althans op nihil wordt gesteld na het verstrijken van een in goede justitie te bepalen periode.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de man als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw € 450,- per maand dient te voldoen.

3.3.

De man verzoekt in principaal hoger beroep de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten van het hoger beroep. Voor het geval het hof de bestreden beschikking vernietigt naar aanleiding van de grieven van de vrouw in principaal hoger beroep, verzoekt de man in incidenteel hoger beroep:

- te bepalen dat de verplichting tot verstrekking van levensonderhoud is geëindigd, gelet op de samenleving van de vrouw;

- te bepalen dat de verplichting tot verstrekking van levensonderhoud is geëindigd althans is gematigd tot nihil, gelet op de grievende houding van de vrouw jegens de man;

- te bepalen dat de door de man te betalen bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw gelimiteerd zal zijn tot de duur van een jaar na, zo begrijpt het hof, de datum van indiening van het incidenteel appel, althans gelimiteerd zal zijn tot een duur die het hof juist acht;

- te bepalen dat de door de man te betalen bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw op nihil wordt gesteld na de duur van een jaar na, zo begrijpt het hof, de datum van indiening van het incidenteel appel, althans op nihil wordt gesteld na het verstrijken van een termijn die het hof juist acht.

3.4.

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, dan wel het door hem verzochte af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

In principaal hoger beroep:

4.1.

De man is van mening dat de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep dient te worden verklaard, nu zij heeft nagelaten het gehele procesdossier in eerste aanleg over te leggen. Het hof overweegt dat noch de wet (artikel 34 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) noch het Procesreglement (artikel 1.1.10 en artikel 1.2.6.) een sanctie verbindt aan het niet of te laat indienen van het procesdossier van de eerste aanleg. Niettemin kan het hof daaraan gevolgen verbinden, indien dit tevens een ernstige schending van de goede procesorde oplevert. Hoewel de vrouw heeft nagelaten het gehele procesdossier over te leggen, is gebleken dat de advocaat van de vrouw de advocaat van de man heeft verzocht om de ontbrekende stukken over te leggen, omdat de vrouw en haar advocaat zelf niet meer beschikten over deze stukken. De advocaat heeft derhalve wel getracht het procesdossier te complementeren teneinde deze stukken aan het hof toe te kunnen zenden. Daarbij komt dat is gebleken dat de (advocaat van de) man zelf reeds de beschikking had over deze stukken. In zoverre is het procesbelang van de man derhalve niet geschaad. Bij deze stand van zaken levert het niet volledig indienen van de stukken geen ernstige schending van de procesorde op. Het verweer faalt.

4.2.

De man is van mening dat geen sprake meer is van enige huwelijksgerelateerde behoefte aan de zijde van de vrouw. De vrouw heeft immers sinds 2009, derhalve reeds gedurende zes jaar, voorzien in eigen levensonderhoud. Nu de vrouw met haar eigen inkomen heeft kunnen rondkomen tot op heden, kan niet worden gesteld dat haar behoefte nog voortvloeit uit het huwelijk van partijen. De vrouw is deze procedure enkel gestart, omdat [kind a] onlangs de eenentwintigjarige leeftijd heeft bereikt en de man derhalve geen bijdrage meer voor hem dient te betalen. Het enkele feit dat de bijdrage voor [kind a] is komen te vervallen betekent echter nog niet dat de vrouw daarmee behoefte heeft of krijgt, aldus de man.

De vrouw heeft deze stelling van de man betwist.

Naar oordeel van het hof rechtvaardigt het feit dat de vrouw eerst nu een verzoek doet tot vaststelling van een uitkering tot haar levensonderhoud op zichzelf niet de conclusie dat zij geen huwelijksgerelateerde behoefte meer heeft. Ingevolge artikel 1:157 Burgerlijk Wetboek kan de vrouw immers een bijdrage ten laste van de man verzoeken gedurende twaalf jaar gerekend vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (in casu: 7 juni 2010). Het enkele feit dat de vrouw de jaren na de echtscheidingsbeschikkking (7 juni 2010) kennelijk rond is gekomen zonder een partnerbijdrage van de man, maakt nog niet dat er aan haar zijde geen sprake meer is van huwelijksgerelateerde behoefte. Dat de vrouw deze procedure enkel zou zijn gestart, omdat de man geen bijdrage meer hoeft te voldoen voor [kind a] , maakt dit – wat daarvan ook zij – niet anders.

4.3.

De man is van mening dat – als het hof van oordeel zou zijn dat er wel sprake is van een huwelijksgerelateerde behoefte – deze huwelijksgerelateerde behoefte € 1.044,- netto per maand bedraagt. Nu de vrouw eveneens uitgaat van dit bedrag aan huwelijksgerelateerde behoefte, zal het hof hiervan ook uitgaan.

4.4.

Partijen zijn verdeeld over de vraag in hoeverre de vrouw in staat is in haar behoefte te voorzien met bestaande eigen inkomsten of met inkomsten die zij in redelijkheid zou kunnen verwerven. De vrouw stelt dat zij daartoe niet in staat is, omdat zij volledig arbeidsongeschikt is, onder meer naar aanleiding van inmiddels twee ongevallen. De man weerspreekt dit. Op deze standpunten van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4.5.

Het hof overweegt als volgt. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij niet in staat is in haar eigen behoefte te voorzien, heeft de vrouw, naast de reeds in eerste aanleg overgelegde toekenningsbeslissing van haar WIA-uitkering van 1 mei 2013, een verzekeringsgeneeskundige rapport van 14 oktober 2014 overgelegd, dat is opgesteld in het kader van de wet WIA door een verzekeringsarts en een sociaal medisch verpleegkundige. Uit deze rapportage blijkt onder meer dat de vrouw sinds 11 juli 2011 arbeidsongeschikt is en dat zij sinds juli 2013 een volledige WIA-uitkering heeft. Daarnaast blijkt hieruit dat er sprake is van ziekte en/of gebrek in de zin van de WIA (in de rapportage is terzake opgenomen “fasciitis plantaris bdz en knieklachten rechts na een ongeval”) en dat er op dat moment geen benutbare mogelijkheden zijn om arbeid te verrichten. De vrouw heeft daarnaast een uitkeringsspecificatie overgelegd over de maand januari 2015. Hieruit kan worden afgeleid dat op dat moment de vrouw nog steeds in aanmerking kwam voor een WIA-uitkering. Gebleken is dat in november 2015 een heronderzoek zou plaatsvinden, waarin zou worden beoordeeld in hoeverre zij hiervoor nog steeds in aanmerking komt. Ten tijde van de zitting in hoger beroep was de precieze datum waarop dit onderzoek zou plaatsvinden nog niet bekend.

De man is van mening dat uit het voorgaande niet zonder meer kan worden afgeleid dat de vrouw niet in staat is, dan wel kan worden geacht, in haar eigen behoefte te voorzien. Dat de vrouw thans een WIA-uitkering ontvangt, betekent immers niet dat zij nooit meer in staat is om te werken. De vrouw ontvangt met haar WIA-uitkering, haar vakantiegeld, haar WGA-loonaanvullingsuitkering of een andere aanvullende bijstandsuitkering en de toeslagen waarop zij recht heeft, reeds voldoende inkomen om in haar eigen behoefte te voorzien. Daarbij komt dat zij nog inkomen uit vermogen heeft en ook eigen inkomen uit kapperswerk, alsmede uitkeringen op grond van een zogenoemde woongarantverzekering. De vrouw heeft nagelaten financiële gegevens over te leggen waaruit kan worden afgeleid wat haar werkelijke inkomsten zijn, aldus de man.

De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de vrouw werkzaam is als kapster aan huis een uittreksel van de Kamer van Koophandel (KvK) overgelegd van 13 oktober 2015. Hieruit blijkt dat de vrouw zich op 19 februari 2015 heeft ingeschreven bij de KvK en een eenmanszaak heeft opgericht handelend onder de naam “ [de eenmanszaak] ”. De vrouw heeft zich op 10 maart 2015 met ingang van 20 februari 2015 weer uitgeschreven uit het handelsregister, aldus het uittreksel. De man heeft daarnaast een flyer overgelegd van de vrouw waarop zij haar diensten als kapster aan huis aanbiedt. Ook heeft de man zich beroepen op diverse door hem overgelegde screenprints van websites.

De vrouw heeft nagelaten haar definitieve aanslagen IB over 2013 en 2014 over te leggen, zodat niet kan worden vastgesteld in hoeverre de vrouw, naast haar uitkering, daadwerkelijk inkomsten heeft genoten uit kapperswerk. Om dezelfde reden kan niet worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de vrouw daarnaast vermogen heeft, zoals de man stelt.

Het hof is van oordeel dat de vrouw haar behoefte tot op tegenbewijs door de man in rechte voldoende heeft waargemaakt. Het belangrijkste bewijsmiddel dat de vrouw heeft ingebracht ter onderbouwing van haar stelling dat zij niet in staat is in haar eigen behoefte te voorzien is voormeld verzekeringsgeneeskundig rapport van 14 oktober 2014. Het hof is van oordeel dat op basis hiervan aannemelijk is dat de vrouw niet in staat is, dan wel niet kan worden geacht, in haar eigen behoefte te voorzien. Dat de stellingen van de vrouw ook vragen oproepen, doet daaraan vooralsnog onvoldoende af.

De vrouw heeft bijvoorbeeld ter onderbouwing van haar behoefte een behoeftelijst overgelegd waarin zij begroot dat haar lasten thans € 1.444,55 per maand bedragen. Ervan uitgaande dat haar inkomsten slechts bestaan uit een WIA-uitkering van € 642,50 per maand en daarnaast zorgtoeslag, alsmede een uitkering uit de woongarantverzekering, zoals de vrouw zelf stelt, heeft de vrouw thans aanzienlijk hogere lasten dan inkomsten. Desgevraagd heeft de vrouw ter zitting van het hof verklaard dat zij geld ontvangt van een vriendin om dit verschil op te vangen, maar (nadere) bewijsstukken daarvan ontbreken.

De vrouw heeft voorts ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij, ten tijde van het afsluiten van haar hypotheek, werkzaam was voor 40 uur per week bij een dierenwinkel. Op basis hiervan is de bank akkoord gegaan met het verstrekken van een hypotheek van € 160.000,- aldus de vrouw. Hoe zich dit verhoudt met haar stelling dat zij al sinds juli 2011 niet in staat is om te werken, heeft de vrouw (evenwel) niet toegelicht.

Bij deze stand van zaken acht het hof het aangewezen de man toe te laten tot het leveren van nader tegenbewijs (zoals door hem aangeboden) tegen de stelling van de vrouw dat zij niet in staat is, dan wel kan worden geacht in haar eigen behoefte te voorzien.

In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep:

4.6.

De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld voor het geval een of meer van de grieven van de vrouw in het principaal hoger beroep slaagt. Nu de door de man aan zijn incidenteel hoger beroep gestelde voorwaarde (nog) niet in vervulling is gegaan, is het incidenteel hoger beroep in dit stadium van de procedure (nog) niet aan de orde.

4.7.

De beslissing omtrent de proceskosten wordt aangehouden.

4.8.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

in principaal hoger beroep:

laat de man toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de stelling van de vrouw dat zij niet in staat is, dan wel kan worden geacht, in haar eigen behoefte te voorzien;

bepaalt dat, indien de man bewijs wenst te leveren door middel van getuigen, de getuigen zullen worden gehoord door het lid van het hof mr. A.V.T. de Bie,

bepaalt dat de man alsdan tot uiterlijk dinsdag 12 april 2016 schriftelijk aan het enquêtebureau van de griffie van het hof de verhinderdagen van beide partijen en de getuigen in de periode van mei 2016 tot juli 2016 dient op te geven, waarna een tijdstip voor het getuigenverhoor zal worden vastgesteld;

houdt iedere verdere beslissing aan;

in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep:

houdt iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.B.C.M. van der Reep, mr. M.J. Leijdekker en mr. A.V.T. de Bie, in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Lok als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2016.