Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:928

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
15/00573
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Precariobelasting: Belanghebbende, beheerder van een elektriciteits- en gasnetwerk binnen de gemeente, kan geen rechten ontlenen aan een regeling uit 1927 met een rechtsvoorganger van een dochtervennootschap van haar.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 228
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/630
Belastingblad 2016/181 met annotatie van P. de Bruin
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 15/00573

3 maart 2016

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] belanghebbende,
gemachtigde: mr. E.E. Troll (Allen & Overy te Amsterdam)

tegen de uitspraak van 26 mei 2015 in de zaak met kenmerk HAA 13/4964 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer,

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 januari 2013 aan belanghebbende voor het jaar 2012 een aanslag precariobelasting opgelegd van € 3.872.250 (hierna: de aanslag).

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 30 oktober 2013, de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Het tegen deze uitspraak ingestelde beroep heeft de rechtbank ongegrond verklaard

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 7 juli 2015, aangevuld bij brief van 24 juli 2015. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft onder meer de volgende feiten vastgesteld:


“1. Eiseres exploiteert als netbeheerder in de zin van artikel 10, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 een elektriciteitsnetwerk in de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude (hierna: de gemeente). Zij beheert het onder, op of boven de gemeentegrond aanwezige net dat wordt gebruikt voor het transport en de levering van elektriciteit aan huishoudens en bedrijven binnen het grondgebied van de gemeente.

2. Eiseres is – al dan niet op grond van artikel 10a van de Elektriciteitswet 1998 – economisch eigenaar van het betreffende netwerk, welke in juridische eigendom toebehoort aan haar 100%-dochter [A] N.V.

3. In artikel 1, [eerste lid,] onder aa, van de Elektriciteitswet 1998 is het begrip ‘economische eigendom’ als volgt gedefinieerd:

“het krachtens een rechtsverhouding gerechtigd zijn tot alle rechten en bevoegdheden ten aanzien van een goed, met uitzondering van het recht op levering, en gehouden zijn om alle verplichtingen ten aanzien van dat goed voor zijn rekening te nemen en daarmee het volledige risico van waardeverandering of tenietgaan van het goed te dragen, zonder dat het goed geleverd is.”

4. In 1927 heeft de gemeente een regeling gesloten met [B 2] (…)


5. Bij akte van oprichting van 31 december 1990 heeft de provincie Noord-Holland de N.V. [B 2] opgericht. De provincie heeft ter storting op de aandelen alle activa en passiva van [B 2] ingebracht. Bij akte van statutenwijziging van 16 oktober 1997 is de naam N.V. [B 2] gewijzigd in N.V. [B 2] . Door een juridische fusie op 30 december 2009 is N.V. [B 2] (verdwijnende vennootschap) opgegaan in [C] N.V. (verkrijgende vennootschap). [C] N.V. heeft met ingang van de fusiedatum het vermogen van N.V. [B 2] onder algemene titel verkregen. Bij akte van statutenwijziging van 31 mei 2001 is de naam [C] N.V. gewijzigd in N.V. [D] en bij akte van statutenwijziging van 15 december 2011 is de naam N.V. [D] gewijzigd in [A] N.V. [A] N.V. is een 100%-dochter van eiseres. De aandelen van eiseres worden alle gehouden door [E] N.V.

6. Bij brief van 8 oktober 2012 heeft eiseres desgevraagd aan de gemeente laten weten dat het aantal kilometers kabel voor het transport van elektriciteit in de gemeente 1.721 beloopt.

7. Op 31 januari 2013 is de onderhavige aanslag opgelegd. De aanslag houdt onder meer in:

“(…) Tijdvak/tijdstip Omschrijving Grondslag Bedrag

(…) 1-1-2012 (…) Precario kabels 1721000 3.872.250,00
1-1-2013 en leidingen (elektriciteit)””


Nu partijen tegen deze feiten geen grieven hebben aangevoerd zal ook het Hof van die feiten uitgaan. Het Hof voegt daar nog de volgende feiten aan toe.

2.2.

In de regeling die Burgemeester en Wethouders (hierna: B&W) van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de gemeente) en de directie van [B 2] op 9 april 1927 hebben gesloten (hierna: de Regeling) is onder meer het volgende vermeld:

Regeling
Burgemeester en Wethouders der gemeente Haarlemmermeer (…) enerzijds en de directie van [B 2] anderzijds, zijn ter regeling van de verhouding tusschen de Gemeente en [B 2] , onverminderd hetgeen bij of krachtens wettelijke regeling, de aan de Provincie Noordholland verleende Rijksconcessie of bij bijzondere overeenkomsten dienaangaande is of zal worden bepaald, het navolgende overeengekomen omtrent de wijze, waarop het electriciteitsbedrijf in de gemeente Haarlemmermeer zal worden geëxploiteerd.
Artikel 1
[B 2] is gerechtigd, om de op den datum van het onderteekenen dezer regeling in, op of over de wegen, straten, pleinen, wateren en andere eigendommen, toebehoorende aan of staande onder beheer van de gemeente Haarlemmermeer aanwezige electriciteitswerken, werken voor telefonische gemeenschap daaronder begrepen, daarin, daarop of daarover te hebben, in stand te houden, te vernieuwen en daarvan of daaruit te verwijderen en na gehouden overleg met en volgens aanwijzing van B. en W. de door [B 2] gewenschte nieuwe werken daarin, daarop of daarover, aan te leggen, te hebben, in stand te houden en te vernieuwen en daarvan of daaruit te verwijderen, zonder dat daarvoor eenige andere vergoeding verschuldigd zal zijn, dan die, bedoeld in de volgende alinea en in artikel 3 van deze regeling.

[B 2] is daartegenover verplicht, alle schade te vergoeden, die als gevolg van het gebruik, dat van bovenvermelde bevoegdheid wordt gemaakt, aan de werken en eigendommen der Gemeente mocht worden toegebracht. (…)

Artikel 3
Herstelling van bestrating en wegverharding, noodzakelijk geworden door de uitvoering van de in artikel 1 en 2 bedoelde werken, zal geschieden door de zorg van B. en W. op kosten van [B 2] (…)
Artikel 7
Deze regeling eindigt van rechtswege op het tijdstip waarop de aan de Provincie verleende Rijksconcessie ingetrokken of vervallen verklaard wordt, dan wel vervalt, of waarop zij in dien zin wordt gewijzigd, dat het gebied der Gemeente aan het concessiegebied der Provincie wordt onttrokken. (…).”

3
3. Geschil in hoger beroep

Evenals voor de rechtbank zijn in hoger beroep de volgende vragen in geschil:
- is de aanslag in strijd met de Regeling, meer in het bijzonder: is de Regeling nog geldend
en – zo ja – verzet de Regeling zich tegen het heffen van precariobelasting van
belanghebbende;

- kan belanghebbende een beroep doen op de vrijstellingsbepaling van de toepasselijke
gemeentelijke verordening;
- zijn bij het opleggen van de aanslag en het doen van uitspraak op bezwaar de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, en
- had voor de bezwaarfase een kostenvergoeding moeten worden toegekend?

4 Beoordeling van het geschil

Heeft de Regeling nog gelding?
4.1.1.1 Belanghebbende heeft primair gesteld dat de Regeling nog steeds geldt, dat de heffingsambtenaar gebonden is aan het bepaalde in artikel 1 van de Regeling en dat deze bepaling aan de heffing van precariobelasting in de weg staat.

4.1.1.2. Volgens belanghebbende volgt noch uit de wetsgeschiedenis van de Elektriciteitswet 1989, Wet van 16 november 1989, Stb. 535, noch uit die wet zelf, dat de in de Regeling vermelde Rijksconcessie met de invoering van die wet is komen te vervallen. Dat dit niet het geval is geweest leidt belanghebbende ook af uit de omstandigheid dat de rijksconcessies in de wetsgeschiedenis van de Wet Energiedistributie, Wet van 14 december 1996, Stb. 642, volgens haar nog ‘veelvuldig’ aan de orde komen. Bovendien is de Rijksconcessie volgens belanghebbende nooit ingetrokken en blijkt niet dat deze is vervallen.

4.1.2.

De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de Regeling in het onderhavige jaar geen gelding meer heeft, omdat deze feitelijk is vervallen. De heffingsambtenaar stelt in dit verband voorts dat het op de weg van belanghebbende heeft gelegen om de Rijksconcessie over te leggen.

4.1.3.1. In de aanhef van de Regeling is verwezen naar een aan de Provincie Noord-Holland verleende rijksconcessie (hierna: de Rijksconcessie). In artikel 7 van de Regeling is vermeld dat de Regeling van rechtswege eindigt op het tijdstip waarop die Rijksconcessie wordt ingetrokken, vervallen verklaard wordt, dan wel vervalt.

4.1.3.2. De inhoud van de Rijksconcessie is partijen, naar het Hof hen begrijpt, niet bekend.

4.1.3.3. Over rijksconcessies als de onderhavige is in de parlementaire geschiedenis van de Elektriciteitswet 1989 (thans geldt de Elektriciteitswet 1998, Wet van 2 juli 1998, Stb. 427) onder meer het volgende vermeld:


“De rijksoverheid achtte betrekkelijk vroeg in de ontwikkeling van de elektrificatie een goede elektriciteitsvoorziening een zaak van nationaal belang en kondigde reeds in 1912 een wettelijke regeling ter zake aan. Vooruitlopend op de totstandkoming daarvan bevorderde de centrale overheid dat provinciale besturen een concessie van het rijk vroegen voor het produceren en distribueren van elektriciteit. De meeste besturen deden dat en kregen een dergelijke rijksconcessie, die op naam van het bedrijf werd gesteld. Op grond hiervan behoefden de concessionarissen toestemming van de rijksoverheid voor het aanleggen van elektriciteitswerken (centrales en leidingen). Vervolgens werd in 1920 een wetsvoorstel ingediend dat er toe strekte te komen tot een landelijk elektriciteitsproduktie- en transport-bedrijf.

Nadat dit wetsvoorstel al vrij spoedig daarna was ingetrokken, werd in 1928 bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel ingediend ten einde aan de rijksconcessies een wettelijke grondslag te geven. Uiteindelijk kwam in 1938 de Electriciteitswet (Stb. 1938, 523) tot stand. Mede omdat er geen overeenstemming bestond over de wenselijkheid van verticale integratie zijn de artikelen betreffende het concessiestelsel nooit in werking getreden. De technische ontwikkelingen in de elektriciteitsproduktiesector die plaatsvonden voordat de wet in werking trad, hadden er inmiddels toe geleid dat de Electriciteitswet van 1938 als verouderd werd beschouwd. In 1970 werd daarom een voorontwerp van wet opgesteld dat uitging van de noodzaak van een landelijke elektriciteitsvoorziening. Dit voorontwerp riep echter bij de elektriciteitssector en de betrokken lagere overheden zoveel weerstand op dat de regering er van afzag een wetsvoorstel bij het parlement in te dienen. Hierbij speelde ook een rol dat, ondanks talloze studies, onderzoeken en rapporten van commissies over de meest wenselijke organisatiestructuur van de elektriciteitsvoorziening, geen consensus werd bereikt over het antwoord op de hiervoor vermelde vragen. In feite bleef daardoor het landelijk beleid inzake de elektriciteitsvoorziening een wettelijke grondslag ontberen, hetgeen ook de mogelijkheden van de rijksoverheid tot zo'n beleid beperkte. (…)

Aan het eind van de zeventiger jaren werd de elektriciteitssector van steeds groter belang voor de uitvoering van het energiebeleid van de regering. Met name gold dit voor het beleid gericht op diversificatie van energiebronnen en het beleid gericht op bevordering van energiebesparende en op lange termijn kostenbesparende vormen van elektriciteitsproduktie, zoals warmte- krachtkoppeling en stadsverwarming. Het diversificatiebeleid was in eerste instantie voornamelijk gericht op vergroting van de voorzieningszekerheid. Later, na de tweede oliecrisis in 1979/80, is in de elektriciteitssector eveneens het verlagen van de toen explosief gestegen kosten een essentieel onderdeel van dit beleid geworden.

Gelet op het feit dat het elektriciteitsproduktiesysteem een landelijk systeem was geworden, en gegeven de noodzaak om uit dien hoofde op rijksniveau regelingen ten aanzien van de elektriciteitsproduktie te treffen, groeide de behoefte aan een integrale wettelijke regeling terzake.”, Kamerstukken II 1985/86, 19591, nr. 3, p. 6-7.

4.1.3.4. De Elektriciteitswet 1989 voorzag onder meer in een (juridische) scheiding tussen (grootschalige) productie van elektriciteit en de distributie van elektriciteit. Twee activiteiten die destijds nog op een zogenoemde verticaal geïntegreerde wijze in de elektriciteitsbedrijven, zoals [B 2] verenigd waren. In de Regeling speelt het onderscheid tussen productie en distributie geen rol. De Elektriciteitswet 1989 voorzag voorts voornamelijk in een wettelijke regeling van de (grootschalige) productie van elektriciteit.
Voor de distributie van energie (waaronder elektriciteit) werd een wettelijke regeling getroffen met de Wet Energiedistributie.

4.1.3.5. In de parlementaire behandeling van de Elektriciteitswet 1989 is voorts vermeld:


“5.4.11. Overgangs- en slotbepalingen (hoofdstuk 11)

(…)

In dit verband zij nog gewezen op de in par. 2 van deze memorie genoemde rijksconcessies.

De inwerkingtreding van deze wet brengt niet automatisch wijziging of intrekking van deze concessies met zich mee.
Met de betrokken concessionarissen zal overleg worden gevoerd in hoeverre er behoefte bestaat aan handhaving van de rijksconcessies met betrekking tot die onderwerpen die niet in het onderhavig wetsvoorstel geregeld worden, bijvoorbeeld de toepassing van de Belemmeringenwetten bij de aanleg van hoogspanningverbindingen met een spanning van minder dan 220 kV.

Afhankelijk van het resultaat van dit overleg zal bezien worden in hoeverre deze rijksconcessies kunnen vervallen.”, Kamerstukken II 1985/86, 19591, nr. 3, p. 58,


alsmede:


“9.2. Onderdeel 2: overzicht bestaande regelingen

In de paragrafen 2, 4 en 5 van deze memorie is reeds ingegaan op de bestaande regelingen en zijn de tekortkomingen daarvan gesignaleerd, die noodzaken tot het onderhavige wetsvoorstel.

Volledigheidshalve wordt hierna een overzicht gegeven van deze regelingen. Op centraal niveau gaat het daarbij om:

a. Elektriciteitswet 1938 (Stb. 1938, 523); slechts de artikelen 1 en 12 t/m 21, die betrekking hebben op de Elektriciteitsraad en op de deugdelijkheid, de veiligheid en de doelmatigheid van elektriciteitswerken en elektrotechnische produkten, zijn in werking getreden. Bij wet van 17 mei 1985 (Stb. 287) is artikel 14 inzake de Elektriciteitsraad komen te vervallen.

De artikelen 2 t/m 11 van die wet, die voorzien in een concessiestelsel, konden vanzelfsprekend geen rekening houden met de in paragraaf 4 van deze memorie beschreven ontwikkelingen in de elektriciteitsvoorziening en zijn daardoor niet bruikbaar om een landelijke elektriciteitsvoorziening te realiseren. Overigens moet deze wet ook als verouderd worden beschouwd.

b. de wet van 10 december 1936, houdende regelen omtrent het betrekken van elektriciteit uit het buitenland (Stb. 524). Ook deze wet moet als verouderd worden beschouwd, onder meer omdat geen rekening kon worden gehouden met het EEG-recht, het onderscheid tussen invoer van elektriciteit met en zonder vermogensconsequenties, en dergelijke.

c. de zogenaamde rijksconcessies. Zoals opgemerkt is in par. 2 van deze memorie, zijn rond de eerste wereldoorlog op verzoek van de meeste provinciale elektriciteitsbedrijven (…), concessies verleend door het rijk. Het betrokken bedrijf kreeg het recht in een bepaald gebied elektriciteit op te wekken, te transporteren en te distribueren. Daarbij nam het de verplichting op zich om onder meer de aanleg van elektriciteitswerken, de te hanteren tarieven en andere leveringsvoorwaarden, en de statuten van de vennootschap, ter goedkeuring aan de betrokken minister voor te leggen.

Naast het feit dat niet alle produktiebedrijven over een rijksconcessie beschikken en een wettelijke grondslag voor de concessies ontbreekt, bieden deze concessies onvoldoende mogelijkheden om de doeleinden van het wetsvoorstel, reorganisatie van de elektriciteits-produktiesector en het creëren van de nodige bevoegdheden, te realiseren.”, Kamerstukken II 1985/86, 19591, nr. 3, p. 77.


4.1.3.6. Complementair aan de Elektriciteitswet 1989 voorzag de Wet Energiedistributie in een wettelijke regeling van de distributie van energie. Tussen beide wetten bestaat een samenhang, hetgeen in het bijzonder tot uiting komt in enkele passages die betrekking hebben op de vraag of, na de invoering van het nieuwe wettelijke stelsel voor de productie en distributie van energie, de aan het begin van de twintigste eeuw verleende rijksconcessies nog betekenis hebben. Hierop hebben de navolgende passages uit de parlementaire geschiedenis van de Wet Energiedistributie betrekking:


“Zoals ook reeds in paragraaf 4.1. is gesteld, acht ik het wenselijk door middel van dit wetsvoorstel enige vereenvoudiging te bewerkstelligen ten aanzien van het toepassen van de belemmeringenwetten (zie artikel 27 en de toelichting daarbij). Zoals reeds in paragraaf 4.4.2.2. is opgemerkt maakt de voorgestelde planprocedure het onlogisch en ongewenst de

bestaande bevoegdheden van provinciale staten en de gemeenteraad om de energiedistributie aan regels te binden, te handhaven. De blijvend toezichthoudende functie van de minister, zoals vastgelegd in artikel 22, vormt daarvoor een argument te meer.”, Kamerstukken II 1990/91, 22160, nr. 3, p. 20,

alsmede:


Artikel 27

In artikel 27 worden uitdrukkelijk de werken, die worden of zijn uitgevoerd ten behoeve van de distributie van elektriciteit, gas en warmte aangemerkt als openbare werken van algemeen nut. Tot op heden hebben distributiebedrijven, alvorens voor de uitvoering of instandhouding van de werken een beroep op de toepassing van de Belemmeringenwet Verordeningen (Stb. 1899,129) en de Belemmeringenwet Privaatrecht (Stb. 1927,159) kan worden gedaan, een eigen rijks– of provinciale concessie nodig en moet het openbaar belang van de desbetreffen-de werken door de Kroon worden erkend. De provinciale concessies komen, in tegenstelling tot de rijksconcessies, op het moment van inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 28 te vervallen. Om te voorkomen dat voor nieuwe distributiebedrijven of voor

distributiebedrijven, die thans over een provinciale concessie beschikken, nieuwe rijkscon-cessies moeten worden afgegeven en het openbaar belang van de werken moet worden erkend, is in artikel 27 uitdrukkelijk het algemeen nut van deze werken erkend. Hierdoor zijn de afzonderlijke concessies en erkenningen van het openbaar belang niet meer nodig en

krijgen alle bedrijven ten aanzien van de in dat artikel bedoelde werken dezelfde bevoegdheden en mogelijkheden. Voor een ongelimiteerd gebruik van de bevoegdheden behoeft niet te worden gevreesd, aangezien de Minister van Verkeer en Waterstaat in het kader van de Belemmeringenwet Privaatrecht, na de wettelijk voorgeschreven

inspraakprocedure, nog toetst of in een concreet geval de gedoogplicht als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van die wet aan de rechthebbende(n) dient te worden opgelegd. Voorts merk ik op dat het in het voornemen ligt op verzoek van de desbetreffende bedrijven de intrekking van niet gebruikte rijksconcessies te bevorderen. Rijksconcessies waarvan de intrekking niet wordt aangevraagd hebben geen funktie meer. Overigens is een soortgelijke constructie (erkenning van algemeen nut van werken bij wet) met betrekking tot hoogspanningsverbin-dingen opgenomen in artikel 46 van de Elektriciteitswet 1989.

Artikel 28

Met artikel 28, eerste lid, worden de provinciale staten en de gemeenteraad onbevoegd verklaard tot het stellen van regels voor de distributie van elektriciteit, gas en warmte in het belang van de energievoorziening. Nu de bevoegdheid tot distributie wettelijk wordt geregeld is het onnodig en ongewenst dat lagere overheden nog de bevoegdheid hebben in het

belang van de energievoorziening de distributie aan regels te binden. (…) Reeds bestaande gemeentelijke en provinciale verordeningen zullen ingevolge het bepaalde in artikel 194 van de gemeentewet (Stb. 1931, 89) respectievelijk artikel 81 van de Provinciewet (Stb. 1962, 17) ophouden te gelden. De bevoegdheden van de lagere overheden tot regeling van andere facetten dan de energievoorziening, waarbij energiedistributiebedrijven betrokken zijn, worden ongemoeid gelaten. Dit betekent dat provinciale staten en gemeenteraden verordeningen kunnen blijven vaststellen die weliswaar de energiedistributiebedrijven raken maar die bijvoorbeeld belangen dienen als openbare veiligheid, milieu of ruimtelijke ordening.”, Kamerstukken II 1990/91, 22160, nr. 3, p. 37-38,


en:


“Overige artikelen

De bepalingen inzake de aansluit- en leveringsvoorwaarden (artikel 24), beroep (artikel 25), toepassing Belemmeringenwetten (artikel 27) en beperking verordenende bevoegdheden lagere overheden (artikel 28) zijn, behoudens een enkele technische aanpassing, ongewijzigd gebleven. Uiteraard zijn deze bepalingen met het oog op de ingrijpende wijziging van het wetsvoorstel – met name ten aanzien van de reorganisatie – nog eens tegen het licht gehouden. Het handhaven van de artikelen 24 en 25 spreekt voor zich. Wat artikel 28 betreft geldt dat, hoewel geen regels meer worden gesteld met betrekking tot de reorganisatie, de feitelijke situatie, die beantwoordt aan de oorspronkelijke doelstelling van het wetsvoorstel,
het wenselijk maakt het verbod voor lagere overheden om regels te stellen aan de distributie te handhaven. Met betrekking tot de toepassing van de Belemmeringenwetten geldt dat ingevolge artikel 28 de op grond van provinciale en gemeentelijke verordeningen verleende

concessies, met behulp waarvan door distributiebedrijven op die wetten een beroep kon worden gedaan, vervallen. Om te voorkomen dat in plaats daarvan een rijksconcessie zou moeten worden afgegeven is in artikel 27 het algemeen nut van werken ten behoeve van de distributie erkend. Voor de bestaande rijksconcessies van distributiebedrijven betekent artikel 27 dat zij geen functie meer hebben. Deze concessies zullen dan ook worden ingetrokken.”, Kamerstukken II 1994/95, 22160, nr. 14, p. 21.

4.1.3.7. De rechtbank heeft de vraag of de Regeling in het onderhavige jaar nog gelding heeft laten rusten, nu zij op andere gronden tot het oordeel is gekomen dat de Regeling – zo die nog gelding zou hebben – de aanslag niet verhindert. Ofschoon ook andere gronden aan het beroep van belanghebbende op artikel 1 van de Regeling in de weg kunnen staan, zal het Hof eerst een oordeel geven over de vraag of de Regeling in het onderhavige jaar nog gelding heeft.

4.1.3.8. Met de Elektriciteitswet 1989 en de Wet Energiedistributie is voor het eerst een uitputtende wettelijke regeling tot stand gekomen van de productie en distributie van elektriciteit in Nederland. Deze regeling voorziet in een exclusieve bevoegdheid voor de rijksoverheid (de Minister van Economische Zaken) om planmatig beleid te vormen ter zake van – op afstand van de overheid – door private partijen te produceren en te distribueren elektriciteit.
Deze wettelijke regeling – men spreekt in dit verband ook wel van een vergunningenstelsel – kwam in de plaats van ‘allerlei formele en informele regelingen’ die vóór 1989 golden en waartoe, naar het Hof begrijpt, ook de rijksconcessies moeten worden gerekend, vergelijk Handelingen II, 10 november 1988, TK 22, p. 1151 rk. Voor de lokale overheden is in het kader van de (nieuwe) wettelijke regeling op het terrein van de (grootschalige) productie van elektriciteit en de distributie van energie geen rol meer weggelegd. Daarmee is aan de in het begin van de twintigste eeuw door de rijksoverheid verleende rijksconcessies functie en betekenis komen te ontvallen. Zie in dit verband ook: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 juni 1998, nr. H01970074/ Q01, ECLI:NL: RVS:1998: AN5671, AB 1998, 261, met noot van M. Schreuder-Vlasblom, alsmede D.L.M.T. Dankers-Hagenaars, Op het spoor van de concessie, diss., Boom Juridische uitgevers, 2000, p. 49.
4.1.3.9. De vraag is nu wat de invoering van de Electriciteitswet 1989 en de Wet Energiedistributie betekent voor de Rijksconcessie die in de Regeling is vermeld. Of deze concessie, met de inhoud waarvan partijen niet bekend zijn, formeel op enig moment is ingetrokken is niet duidelijk. Wel blijkt uit artikel 7 van de Regeling dat deze ‘van rechtswege eindigt’ op het tijdstip waarop de Rijksconcessie ‘ingetrokken of vervallen verklaard wordt, dan wel vervalt’. Op grond van deze ruime formulering, bezien ook tegen de achtergrond van de reeds ten tijde van de totstandkoming van de Regeling bestaande onduidelijkheid omtrent de wettelijke grondslag van een rijksconcessie, acht het Hof het aannemelijk dat het bij de totstandkoming van de Regeling de bedoeling is geweest van B&W en [B 2] om deze niet meer te laten gelden indien de Rijksconcessie geen functie of betekenis meer heeft, ongeacht de vraag of het tot een formele intrekking van die concessie is gekomen.
Het hiervoor overwogene brengt het Hof tot de conclusie dat de Regeling in het onderhavige jaar geen gelding meer heeft, zodat de Regeling niet aan de in geschil zijnde heffing van precariobelasting in de weg kan staan. Voor het geval hierover anders zou moeten worden geoordeeld, overweegt het Hof als volgt over de vraag of belanghebbende rechten kan ontlenen aan de Regeling.


Kan belanghebbende aan de Regeling rechten ontlenen?
4.2.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende zich niet op de Regeling kan beroepen, omdat zij niet de (rechtsopvolger van) [B 2] is. In dit verband heeft de rechtbank het volgende overwogen:


“9. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat zij is getreden in de rechten van [B 2] . Op grond van hetgeen hiervoor onder 5 is overwogen, stelt de rechtbank vast dat [A] N.V. en niet eiseres de rechtsopvolger is van [B 2] . (…) Nu eiseres niet zelf de rechtsopvolger is van [B 2] kan zij geen rechtstreeks beroep doen op aan de Regeling te ontlenen rechten. Dat de rechten en verplichtingen uit hoofde van die overeenkomst (formeel) aan eiseres zijn overgedragen, is gesteld noch (overigens) aannemelijk geworden.


10. Eiseres heeft gesteld dat de gemeente - ook - jegens haar (materieel) aan de bepalingen van de Regeling is gebonden en daarom niet bevoegd is om precariobelasting van haar te heffen. Zij wijst daartoe allereerst op de (structuur van de) Elektriciteitswet 1998. In dat kader heeft eiseres gesteld dat in de Elektriciteitswet 1998 is bepaald dat de eigenaar van het elektriciteitsnetwerk een netbeheerder aanwijst (rechtbank: artikel 10, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998) en dat die netbeheerder moet beschikken over de economische eigendom van het desbetreffende netwerk (artikel 10a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998). De minister van Economische Zaken heeft met de aanwijzing van eiseres (althans haar rechtsvoorganger Noord West Net N.V.) als netbeheerder ingestemd (rechtbank: artikel 12, tweede lid, Elektriciteitswet 1998). Het voorgaande betekent dat eiseres de netten van [A] N.V. beheert en daarmee exclusief aan alle wettelijke taken van de Elektriciteitswet 1998 kan voldoen. Op grond van de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen alsmede op grond van artikel VI van de Wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer (hierna: Won) zijn de rechten en verplichtingen met betrekking tot het net, waaronder de rechten en verplichtingen uit hoofde van de Regeling, van [A] N.V. overgegaan op eiseres. Dit wordt bevestigd door hetgeen is opgenomen in de Memorie van Toelichting bij artikel 10a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, welke bepaling is ingevoerd bij de Wet Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met de implementatie en aanscherping toezicht netbeheer (hierna: I&I-wet):

“Gelet op deze verantwoordelijkheid dient de netbeheerder ook gerechtigd te zijn tot alle rechten ten aanzien van het net om alle verplichtingen ten aanzien van het netwerk te kunnen dragen.” (Tweede Kamer 2003-2004, 29 372, nr. 3, p. 14)

11. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Tussen partijen is niet meer in geschil dat [A] N.V. als juridische eigenaar van het elektriciteitsnetwerk eiseres als netbeheerder heeft aangewezen en dat de Minister van Economische Zaken daarmee heeft ingestemd alsmede dat eiseres als netbeheerder de economische eigendom van het elektriciteitsnetwerk heeft verkregen. Dat brengt op zichzelf echter nog niet mee dat daarmee tevens de rechten en verplichtingen uit hoofde van de Regeling die (mede) samenhangen met de exploitatie van dat netwerk op eiseres zijn overgegaan. Voorts valt niet in te zien dat het bepaalde in de I&I-wet (welke wet heeft geleid tot de bepaling in de Elektriciteitswet 1998 die gebiedt dat de economische eigendom van de regionale elektriciteitsnetten dient te berusten bij de netbeheerder, zoals hiervoor onder 10 omschreven) en/of de Won (welke wet de splitsing tussen beheerders van energienetwerken en producten/leveranciers/handelaars van elektriciteit heeft bewerkstelligd) een dergelijke overgang zou (kunnen) effectueren. Een in de Memorie van Toelichting opgenomen passage is daartoe onvoldoende. Overigens blijkt uit de hiervoor deels geciteerde passage van de Memorie van Toelichting bij de I&I-wet alsmede uit de Memorie van Toelichting bij de Won (Tweede Kamer 2004-2005, 31 212, nr. 3, p. 11 e.v.) uitsluitend dat (regionale) netbeheerders en de producenten/leveranciers/ handelaren in juridische en economische zin gescheiden dienen te worden en dat de netbeheerder zodanig zelfstandig en onafhankelijk van de netwerkeigenaar (mogelijk een groepsvennootschap) moet kunnen opereren en dat zij haar activiteiten – zoals (onder meer) het plegen van onderhoud, de aanleg en reparatie en overige investeringen ter zake van het netwerk, alsmede de inkoop van energie – zelf kan uitvoeren en vrij moet zijn van beïnvloeding door andere belangen dan dat van maatschappelijk optimaal netbeheer. Mede ter financiering van het beheer dient de netbeheerder over de economische eigendom (“alle activa en toebehoren”) van het door hem beheerde netwerk te kunnen beschikken en dient hij die beslissingen te kunnen nemen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn wettelijke taken. Uit niets in deze passages blijkt dat bedoeld is, of noodzakelijk wordt geacht, dat alle contractuele rechten en verplichtingen ter zake van de exploitatie van het netwerk op de netwerkbeheerder zouden overgaan, laat staan dat zulks van rechtswege zou geschieden. Integendeel, in de Memorie van Toelichting bij de I&I-wet is onderkend dat bestaande overeenkomsten (zoals leaseovereenkomsten) mogelijk zullen moeten worden aangepast. In de Memorie van Toelichting bij de Won is ter zake nog vermeld dat “de overdracht van de economische eigendom tot de nodige verschuivingen van rechten en plichten kon leiden” en dat daarom artikel 10a van de Elektriciteitswet 1998 pas in werking zou treden als duidelijkheid bestond over de gevolgen van de splitsing (van netbeheer en productie/leverantie/handel). De (eventuele) overgang van iets meer of anders dan de economische eigendom (zoals gedefinieerd in de Elektriciteitswet 1998) van het netwerk op de netbeheerder is aldus met de invoering van artikel 10a van de Elektriciteitswet 1998 – en de invoering van een onafhankelijk netbeheer – naar het oordeel van de rechtbank niet geregeld of beoogd. Eiseres kan worden toegegeven dat het op zich voor de hand ligt om in een voorkomend geval met de economische eigendom van het netwerk ook de daarmee verbonden overige activa en passiva inclusief onder meer contractuele relaties over te dragen, maar dat is in het onderhavige geval nu eenmaal niet gebeurd.

12. Wat betreft andere door eiseres genoemde rechterlijke procedures waarin deze kwestie aan de orde is geweest, stelt de rechtbank op grond van de uitspraken vast dat in die zaken tussen partijen niet in geschil was dat de desbetreffende overeenkomst wel gold tussen de gemeente en de belanghebbende in die procedure. In de onderhavige procedure is dat nu juist niet komen vast te staan.”

4.2.2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat [A] N.V. (hierna: [A] ), de juridisch eigenaar is van het elektriciteitsnetwerk waarover de precariobelasting is geheven, dat deze vennootschap de rechtsopvolger is van [B 2] en dat belanghebbende als netbeheerder de beschikking heeft over de economische eigendom van het elektriciteitsnetwerk. Belanghebbende wijst in dit verband (mede) op artikel 10a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, Wet van 2 juli 1998, Stb. 427, waarin het volgende is bepaald:


“De netbeheerder, met uitzondering van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, beschikt over de economische eigendom van het door hem beheerde net.”

Belanghebbende stelt dat aan haar als economisch eigenaar, mede gelet op de definitie van ‘economische eigendom’ in artikel 1, eerste lid, onder aa, Elektriciteitswet 1998, alle rechten toekomen die ook aan [A] als juridisch eigenaar toekomen. Het betreft alle rechten die direct verband houden met haar wettelijke taken, te weten het hebben, in stand houden, vernieuwen, verwijderen en aanleggen van elektriciteitswerken. Tot die rechten behoort volgens belanghebbende ook het recht om een beroep te doen op artikel 1 van de Regeling, welke bepaling inhoudt dat voor de aanwezigheid van (onder meer) het elektriciteitsnetwerk geen vergoeding verschuldigd is, zodat ter zake daarvan ook geen precariobelasting mag worden geheven.

4.2.2.2. Bovendien – zo betoogt belanghebbende – heeft de gemeente zich op grond van de Regeling ertoe verbonden om de aanwezigheid van netwerkkabels in haar grond te gedogen. Dit gedogen is – naar het Hof belanghebbende begrijpt – niet verbonden aan een bepaald rechtssubject, maar aan de (aanwezigheid van de) elektriciteitswerken zelf. Dit betekent volgens belanghebbende dat zij uit hoofde van haar activiteit als netbeheerder rechtstreeks een beroep kan doen op art. 1 van de Regeling. Daarbij acht belanghebbende van belang dat ten tijde van de totstandkoming van de Regeling zowel de taken die verband hielden met de productie en levering van elektriciteit als het beheer van de elektriciteitswerken door hetzelfde lichaam werden uitgevoerd.

4.2.2.3. Belanghebbende beroept zich voorts op artikel 4, aanhef en onderdeel a, van

de Verordening precariobelasting 2012 van de gemeente (hierna: de Verordening), waarin het volgende is bepaald:


“De precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben van:
(…)
a. voorwerpen, indien de gemeente ter zake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden (…) een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen.”


Volgens belanghebbende heeft deze bepaling ook op haar betrekking , omdat zij het is die ‘voorwerpen heeft’ als bedoeld in die bepaling. Nu de gemeente ter zake daarvan door middel van de Regeling een vergoeding (van nihil) is overeengekomen, kan belanghebbende een beroep doen op de vrijstelling van artikel 4, aanhef en onderdeel a, van de Verordening. Belanghebbende verwijst in dit verband voorts op de toelichting (p. 14) van de voor 2013 geldende Modelverordening precariobelasting.

4.2.3.1. De heffingsambtenaar heeft de stelling dat belanghebbende als economisch eigenaar van de netwerkkabels recht heeft op toepassing van de Regeling betwist onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen in onderdeel 11 van haar uitspraak en onder verwijzing naar hetgeen het Hof op dit punt heeft overwogen in zijn uitspraak van 2 oktober 2014, nr. 13/00611, GHAMS:2014:4182.

4.2.3.2. De door belanghebbende gestelde gedoogplicht wordt door de heffingsambtenaar eveneens betwist, onder verwijzing naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank is overwogen. Voor zover er al een gedoogplicht zou zijn, dan zou deze uitsluitend jegens de bij de Regeling betrokken elektriciteitsonderneming (en haar rechtsopvolger) gelden.

4.2.4.1. Naar het oordeel van het Hof volgt uit de omstandigheid dat belanghebbende netbeheerder is en uit dien hoofde economisch eigenaar van de elektriciteitsnetwerken waarvan [A] de juridisch eigenaar is, niet dat rechten die aan [A] als rechtsopvolger van [B 2] toekomen, zoals die uit hoofde van de Regeling (verondersteld dat de Regeling in het onderhavige jaar nog geldt), op haar zijn overgegaan. Evenmin maakt de omstandigheid dat belanghebbende als enig bestuurder en enig aandeelhouder van [A] – zoals belanghebbende het heeft geformuleerd – ‘over deze vennootschap volledige zeggenschap heeft en zodoende over het elektriciteitsnetwerk beschikt’ dat zij rechtstreeks in de rechten treedt die aan [A] als rechtsopvolger van [B 2] toekomen.
Een overgang van rechten (uit hoofde van overeenkomsten) die aan [A] toekomen volgt ook niet uit de wet Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met implementatie en aanscherping toezicht netbeheer, Wet van 1 juli 2004, Stb. 2004, 328 ( hierna I&I-wet), welke heeft geleid tot de invoering van artikel 10a van de Elektriciteitswet 1998. De (eventuele) overgang van iets méér of anders dan de economische eigendom van het netwerk op de netwerkbeheerder is met de invoering van artikel 10a Elektriciteitswet 1998 niet geregeld of beoogd (verg. Kamerstukken II 2003/04, 29372, nr. 3, p. 33).

4.2.4.2. Voor zover belanghebbende ook in hoger beroep heeft gesteld dat de Regeling een derdenbeding bevat waar zij zich op kan beroepen, sluit het Hof zich aan bij hetgeen hierover onder 15 in de uitspraak van de rechtbank is overwogen, te weten:

“15. Eiseres betoogt voorts dat de gemeente jegens haar (materieel) aan de bepalingen van de Regeling is gebonden, omdat de bepalingen in de Regeling inzake het hebben van netten moeten worden aangemerkt als derdenbeding ten behoeve van eiseres. De rechtbank verwerpt deze stelling, aangezien noch naar de tekst, noch naar de strekking van de Regeling sprake is van een derdenbeding. Evenmin vermag de rechtbank in te zien dat naar de aard van de Regeling sprake is van een derdenbeding. Anders dan eiseres heeft betoogd, kan immers niet worden gezegd dat met die Regeling “evident is beoogd de heffing van precariobelasting op de netten uit te sluiten”, nu in artikel 7 van de Regeling is bepaald wanneer de Regeling van rechtswege eindigt.”

Ook overigens kan uit de Regeling niet worden afgeleid dat belanghebbende daaraan rechtstreeks een recht op vrijstelling van precariobelasting kan ontlenen, omdat – naar het Hof belanghebbende begrijpt – de Regeling een gedogen van de aanwezigheid van het elektriciteitsnetwerk inhoudt. Zo al van een dergelijk gedogen sprake zou zijn, houdt dat niet in dat er van belanghebbende geen precariobelasting zou mogen worden geheven. Een dergelijk recht uit hoofde van de Regeling komt uitsluitend aan (een rechtsopvolger van) [B 2] toe.

4.2.4.3. Het hiervoor overwogene houdt tevens in dat de vrijstelling van artikel 4, aanhef en onderdeel a, van de Verordening niet van toepassing is. Voor zover al met de Regeling privaatrechtelijk een vergoeding is overeengekomen, mist artikel 4, aanhef en onderdeel a, Verordening ten aanzien van belanghebbende toepassing, nu niet zij, maar uitsluitend (een rechtsopvolger van) [B 2] aan die regeling enig recht kan ontlenen. Bovendien kan het niet verschuldigd zijn van een vergoeding, als vermeld in artikel 1 van de Regeling, bezwaarlijk als een overeengekomen vergoeding worden aangemerkt in de zin van artikel 4, aanhef en onderdeel a, van de Verordening, nu die bepaling kennelijk de strekking heeft ‘dubbele lasten’ ter zake van (in essentie) hetzelfde feit te voorkomen.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
4.3.1. Over de door belanghebbende gestelde schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft de rechtbank het volgende overwogen:


“22. Eiseres stelt dat verweerder bij het opleggen van de aanslag in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld omdat er al meer dan 85 jaar sprake is van een vrijstelling op de heffing van precariobelasting en dat in de periode tussen het sluiten van de Regeling tot het opleggen van de aanslag precariobelasting 2012 door verweerder nimmer is aangegeven dat een vergoeding voor het in de grond hebben van een elektriciteitsnetwerk verschuldigd zou zijn.

23. Deze beroepsgrond faalt. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat niet eerder precariobelasting van eiseres is geheven niet meebrengt dat die belasting ook in het onderhavige jaar niet kan worden geheven. Uit het feit dat er 85 jaar geen precariobelasting is geheven valt geen voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereiste (bewuste) standpuntbepaling jegens eiseres af te leiden waaruit zou voortvloeien dat verweerder in de toekomst van de bevoegdheid tot het heffen van precariobelasting zou hebben afgezien (vgl. gerechtshof Amsterdam 2 oktober 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4182).

24. Eiseres betoogt (…) dat verweerder bij het opleggen van de aanslag en bij het doen van de uitspraak op bezwaar in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld, aangezien bij een zorgvuldige vergaring en beoordeling van de stukken en de gewisselde correspondentie nimmer precariobelasting van haar zou zijn geheven.

25. Nu dit betoog is gebaseerd op de hiervoor reeds verworpen stelling dat verweerder niet bevoegd is precariobelasting van eiseres te heffen, kan het niet slagen.

26. Eiseres stelt zich daarnaast op het standpunt dat de aanslag is opgelegd en de uitspraak op bezwaar is gedaan in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), aangezien niet, althans onvoldoende is gemotiveerd waarom eiseres precariobelasting verschuldigd is en hoe de heffing tot stand is gekomen.

27. De rechtbank overweegt dat eiseres op het aanslagbiljet kon zien ter zake van welk voorwerp precariobelasting werd geheven en naar welke maatstaf van heffing en naar welk tarief het bedrag aan belasting was berekend. Mede gelet op de aard van de aanslag, een gebonden beschikking waarbij het een bestuursorgaan niet vrijstaat om in het kader van een belangenafweging de verordening waarbij de heffing van de precariobelasting wordt geregeld buiten toepassing te laten, is geen sprake van een onzorgvuldige belangenafweging. Tot een nadere motivering van de aanslag en de uitspraak op bezwaar was verweerder dan ook niet gehouden (vgl. gerechtshof Amsterdam 26 augustus 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN6206 en rechtbank Haarlem 23 december 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:6585).

28. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de gemeente in strijd handelt met het ‘fair-play’-beginsel door de aanslag aan eiseres op te leggen in plaats van [A] N.V. De gemeente kan op grond van de Verordening precariobelasting 2011 kiezen aan wie zij de aanslag oplegt. Met [A] N.V. is in de Regeling afgesproken dat geen vergoeding verschuldigd is voor het hebben van netwerken in de gemeentegrond. Door de aanslag aan eiseres op te leggen en niet aan [A] N.V. omzeilt de gemeente haar contractuele verplichtingen en handelt zij in strijd met het ‘fair-play’-beginsel.

29. Verweerder bestrijdt dit en wijst er onder verwijzing naar HR 4 maart 1992, BNB 1992/166, op dat als er meer belanghebbenden zijn, degene van wie het belang op de voorgrond treedt als belastingplichtige wordt aangemerkt. In dit geval treedt het belang van eiseres bij het elektriciteitsnetwerk op de voorgrond.

30. Artikel 3, eerste lid, van de Verordening luidt als volgt:

“De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.”


31. Eiseres heeft niet bestreden dat haar belang als netbeheerder bij het in de openbare gemeentegrond aanwezige elektriciteitsnetwerk op de voorgrond treedt als dit wordt afgezet tegen het belang dat [A] N.V. als juridische eigenaar van dit netwerk daarbij heeft. Nu eiseres degene is die bij het netwerk rechtstreeks belang heeft, is zij terecht als belastingplichtige aangemerkt (vgl. HR 4 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC4911 en HR 7 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2314). Van schending van het ‘fair-play’-beginsel is dan ook geen sprake.”


4.3.2.1. In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat het bestreden besluit en de primaire beschikking niet berusten op een deugdelijke motivering. Daarnaast is volgens belanghebbende het bedrag van de aanslag niet voldoende gemotiveerd.

4.3.2.2. Tevens stelt belanghebbende dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, omdat de gemeente (de heffingsambtenaar), bij een zorgvuldige vergaring en beoordeling van de stukken en alle gewisselde correspondentie tussen belanghebbende en de gemeente, nimmer tot de heffing van precariobelasting had kunnen overgaan.

4.3.2.3. Voor het geval belanghebbende niet rechtstreeks een recht kan ontlenen aan de Regeling stelt belanghebbende subsidiair dat het fair play beginsel is geschonden. In dat verband wijst zij op artikel 3, eerste lid, van de Verordening waarin het volgende is bepaald:


“De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen, onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.”


Belanghebbende stelt dat in deze bepaling een keuzemogelijkheid is begrepen en dat de heffingsambtenaar bij het maken van die keuze gebonden is aan beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het beginsel van fair play. Door juist van belanghebbende precariobelasting te heffen en niet van [A] , in de wetenschap dat [A] rechtsopvolger is van [B 2] , met wie de Regeling is aangegaan, en zich daarbij op het standpunt stellend dat belanghebbende zich niet op de Regeling kan beroepen, heeft de heffingsambtenaar gehandeld in strijd met het beginsel van fair play. Bovendien treedt in dit verband [A] , als (rechtsopvolger van de) partij die rechtstreeks bij de Regeling betrokken is, het meest op de voorgrond, zodat het het meest voor de hand lag om [A] in de heffing te betrekken.

4.3.3.

De heffingsambtenaar heeft betwist dat de aanslag niet is gemotiveerd. Deze is gebaseerd op de Verordening en op het aanslagbiljet is vermeld welke metrage is gehanteerd en welk tarief is toegepast. Voorts is in de uitspraak op bezwaar uitvoerig op de grieven van belanghebbende ingegaan. De stelling dat het zorgvuldigheidsbeginsel zou zijn geschonden heeft hij eveneens betwist.
Van schending van het fair play beginsel is volgens de heffingsambtenaar geen sprake, omdat belanghebbende als netbeheerder en economisch eigenaar degene is ten behoeve van wie de leidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn. Als zodanig heeft zij een rechtstreeks belang bij het netwerk. Zij is degene die naar buiten treedt en heeft het grootste belang.

4.3.4.1. Naar het oordeel van het Hof zijn de aanslag, zoals ook blijkt uit een tot de stukken behorende kopie van het originele aanslagbiljet waarop (onder meer) het tarief en het aantal meters leiding zijn vermeld, en de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd. Vaststaat voorts dat de aanslag is gebaseerd op een daartoe door de heffingsambtenaar van belangheb-bende verlangde opgave van het aantal meters elektriciteitsleiding in de gemeente.
Gelet hierop berust de stelling dat het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zouden zijn geschonden, niet op (voldoende) feitelijke grondslag. Een en ander nog daargelaten dat een schending van deze beginselen bij rechterlijke toetsing van een gebonden beschikking (zoals een aanslag precariobelasting) niet, althans niet zonder meer, kan leiden tot een wijziging van die beschikking.

4.3.4.2. Naar het oordeel van het Hof is ook geen sprake van schending van het beginsel van fair play dan wel – voor zover belanghebbende dat heeft bedoeld – het verbod van willekeur. Aangezien belanghebbende netbeheerder is, economische eigenaar van het netwerk en omdat zij degene is die naar buiten treedt, heeft de heffingsambtenaar belanghebbende in redelijkheid als de belastingplichtige kunnen aanwijzen.

4.3.4.3. Voor zover belanghebbende nog heeft bedoeld ook in hoger beroep te stellen dat de aanslag is opgelegd in strijd met het vertrouwensbeginsel – het Hof constateert dat zij deze stelling in hoger beroep verder niet heeft onderbouwd – verwijst het Hof naar hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen en maakt het deze overwegingen tot de zijne.
Slotsom

4.4.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

6
6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en A.A. Fase, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 3 maart 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.