Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:919

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
15/00071
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:279, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges omgevingsvergunning. Belanghebbende heeft zijn stelling dat de gemeente begunstigend beleid voert (dat vaststellingsovereenkomsten worden gesloten in gevallen waarin de heffing van leges conform de regels plaatsvindt, maar onredelijk uitpakt) niet aannemelijk gemaakt. Evenmin kan worden gesteld dat door de heffingsambtenaar een toezegging is gedaan de leidt tot een in rechte te honoreren vertrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/620
V-N 2016/22.18.1
FutD 2016-0741
NTFR 2016/1185 met annotatie van Mr. R. van den Berg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 15/00071

4 februari 2016

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van 15 januari 2015 in de zaak met kenmerk AMS 14/1161 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amstelveen, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 7 februari 2013 aan belanghebbende een aanslag leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag omgevingsvergunning opgelegd ten bedrage van € 16.738,76. Het bedrag van de aanslag is nadien verminderd tot € 14.313,55.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 15 januari 2014, het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Het tegen deze uitspraak ingestelde beroep heeft de rechtbank in haar uitspraak van 15 januari 2015 ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op 19 februari 2015 en bij brief op 20 februari 2015. De Raad van State heeft met gebruikmaking van zijn doorzendplicht van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) deze geschriften doorgezonden naar het Hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft op 10 november 2015 verzocht om uitstel van het onderzoek ter zitting. De reden voor het verzoek was gelegen in het feit dat bij de Raad van State gelijktijdig met betrekking tot aanvragen voor eenzelfde omgevingsvergunning een schadestaatprocedure loopt. Dit verzoek is door het Hof afgewezen omdat deze omstandigheid onvoldoende grond vormt voor uitstel. De schadestaatprocedure houdt onvoldoende verband met de onderhavige zaak, te weten de rechtmatigheid van de opgelegde aanslag leges. De door belanghebbende aangevoerde grond weegt naar het oordeel van het Hof minder zwaar dan het algemene belang van doelmatige procesgang.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.1.

De rechtbank heeft in onderdeel 1 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de heffingsambtenaar als ‘verweerder’.

“1.1. Op 9 december 2010 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning ten behoeve van het oprichten van een dubbel woonhuis op het perceel [adres 1] te [Q] . Verweerder heeft bij aanslag van 4 maart 2011 voor het in behandeling nemen van die aanvraag aan eiser een bedrag van € 11.526,- aan leges in rekening gebracht. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (het college van B&W) heeft de omgevingsvergunning geweigerd. Na een procedure bij deze rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over dit besluit heeft de weigering formele rechtskracht gekregen.

1.2.

Eiser heeft op 15 november 2012 opnieuw een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend ter zake van het in 1.1 genoemde perceel. Op 7 februari 2013 is de omgevingsvergunning aan eiser verleend. Ter zake van deze aanvraag heeft verweerder bij het primaire besluit aan eiser een bedrag van € 16.738,76 aan leges in rekening gebracht. Dit bedrag is verlaagd naar een bedrag van € 14.313,55.

1.3.

Bij de bestreden uitspraak heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.”

2.1.2.

Over deze feitenvaststelling bestaat geen geschil, zodat ook het Hof daarvan zal uitgaan. Het Hof voegt daar nog de volgende feiten aan toe.

2.2.

Als bijlage bij het hogerberoepschrift is een afdruk gevoegd van een e-mail van gemeenteambtenaar [A] , (hoofd afdeling omgevingsvergunningen en tevens heffingsambtenaar voor de leges) aan [B] (kantoorgenoot van gemachtigde van belanghebbende) van 24 maart 2014 welke betrekking heeft op de onderhavige legesaanslag. In deze e-mail schrijft de heer [A] , voor zover hier van belang, het volgende:

“Ik heb kennis genomen van uw brief van 20 maart jl. waarin [u] het verzoek doet om, op basis van een aantal argumenten, de beslissing op bezwaar van 15 januari jl. te herzien en de opgelegde leges terug te brengen tot 25% van een eerder opgelegde aanslag.

(…)

Indien er sprake is van een ondergeschikte wijziging t.o.v. een eerder goedgekeurde aanvraag, dan is de gemeente zeker bereid een vaststellingsovereenkomst op te stellen waarbij het tarief van de opgelegde leges naar beneden wordt bijgesteld. Dit hebben wij bij de derde aanvraag ook zo met uw cliënt geregeld. In de onderhavige situatie vinden wij het echter terecht dat de volledige leges zijn opgelegd en dat er voor deze nieuwe aanvraag geen gebruik is gemaakt van een vaststellingsovereenkomst. In 2012 is het Bouwbesluit gewijzigd. Dat betekent dat de nieuwe aanvraag in zijn geheel opnieuw moest worden getoetst aan wet- en regelgeving, inclusief de hierbij behorende adviezen. Wij konden en mochten geen gebruik maken van de adviezen en toetsingen uit de eerdere aanvraag. Zou er tussen de eerste en tweede aanvraag wijziging[en] zijn opgetreden in de wetgeving dan zou [uw] verzoek gerechtvaardigd zijn.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de legesaanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld. Anders dan bij de rechtbank beperkt het geschil zich nog slechts tot de vragen of:

  1. sprake is van een door de heffingsambtenaar gevoerd begunstigd beleid;

  2. de heffingsambtenaar een in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt; en

  3. toepassing van de hardheidsclausule ten onrechte achterwege is gelaten.

3.2.

Belanghebbende heeft ter zitting bij het Hof verklaard met name moeite te hebben met het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard. Dat oordeel is volgens belanghebbende in strijd met vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en kan voor belanghebbende van nadelige invloed zijn bij de door hem ingestelde schadestaatprocedure bij de Raad van State. Om die reden heeft gemachtigde het Hof voorts verzocht om wanneer het Hof belanghebbende geen gelijk geeft in zijn standpunt dat slechts sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard, zich hierover niet uit te spreken.

3.3.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding alsmede het verhandelde ter zittingen bij de rechtbank en het Hof.

4 Oordeel rechtbank

De rechtbank heeft omtrent het geschil in eerste aanleg als volgt geoordeeld:

“2.1. Op grond van artikel 229, eerste lid aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Dit artikel is nader uitgewerkt in de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2012 van de gemeente Amstelveen (de Verordening) en de daarbij behorende Tarieventabel.

2.2.

Op grond van artikel 2 van de Verordening worden onder de naam ‘leges’ rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

2.3.

Ingevolge artikel 2.3 van de Tarieventabel, behorende bij de Verordening (de Tarieventabel), voor zover in deze van belang, bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een project de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft.

2.4.

Op grond van artikel 2.4.1 van de Tarieventabel worden, indien een aanvraag om een omgevingsvergunning is voorafgegaan door een aanvraag om vooroverleg of beoordeling van een conceptaanvraag, waarop de eerst genoemde aanvraag betrekking heeft, de ter zake van het vooroverleg of beoordeling van de conceptaanvraag geheven leges in mindering gebracht op de leges voor het in behandeling nemen van de aanvraag om de omgevingsvergunning.

2.5.

In artikel 2.7 van de Tarieventabel staat dat het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van een omgevingsvergunning als gevolg van een, naar de omstandigheden beoordeeld, geringe wijziging in het project, € 72,55 bedraagt.

3. Eiser stelt zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt dat de (tweede) aanvraag van 15 november 2012 voor de omgevingsvergunning nagenoeg gelijk is aan de (eerste) aanvraag van 9 december 2010. De wijzigingen aan het bouwplan, die met de aanvraag van 15 november 2012 zijn beoogd, zijn van ondergeschikte aard. Om die reden dient het primaire besluit te worden herroepen dan wel dient het bedrag van de aanslag in het primaire besluit (verder) te worden verminderd. Niet in geschil is dat naar de letter van de Verordening en de Tarieventabel het juiste bedrag aan leges is geheven.

4.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser op 9 december 2010 en op 15 november 2012 een aanvraag tot verkrijging van een omgevingsvergunning heeft ingediend. Niet is in geschil dat beide aanvragen door het college van B&W in behandeling zijn genomen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn daardoor door of vanwege het gemeentebestuur twee diensten verstrekt, zodat zich twee belastbare feiten voorgedaan. Dat ten aanzien van de aanvraag van 9 december 2010 een omgevingsvergunning is geweigerd, doet dan ook niet af aan de mogelijkheid om voor een tweede in behandeling genomen aanvraag ter zake van hetzelfde perceel opnieuw leges in rekening te brengen. Immers, het gaat om een nieuw belastbaar feit. Dat een tweede aanvraag (nagenoeg) geheel identiek is, leidt in beginsel niet tot een andere conclusie. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan verweerder voor een nieuwe aanvraag bij de vaststelling van de leges opnieuw uitgaan van de volledige bouwkosten (zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1239 en de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 december 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BV7554).

4.2.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1943) is voorts geen rechtstreeks verband vereist tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds. Dat de gemeente niet veel meer werk heeft verricht ten behoeve van de behandeling van de tweede aanvraag, zoals eiser heeft gesteld, leidt dus niet tot de conclusie dat de leges niet opnieuw verschuldigd zijn geworden naar het uit de Verordening voortvloeiende bedrag. Voorts is ook niet aannemelijk geworden dat verweerder weinig werk heeft gehad aan de behandeling van de tweede aanvraag, aangezien verweerder gemotiveerd heeft gesteld dat zij gelet op de invoering van het Bouwbesluit 2012 de aanvraag integraal opnieuw heeft moeten beoordelen.

4.3.

De rechtbank stelt verder vast dat de hoogte van de bouwkosten tussen partijen niet in geschil is. Wel is het door verweerder toegepaste tarief in geschil. Eiser doet in dit verband een beroep op toepassing van de artikelen 2.4.1 en 2.7. van de Tarieventabel. Niet in geschil is dat die bepalingen naar de letter niet van toepassing zijn, aangezien geen sprake is van een aanvraag die is voorafgegaan door een aanvraag om vooroverleg of beoordeling van een conceptaanvraag, dan wel om een aanvraag tot wijziging van een omgevingsvergunning. Echter, eiser doet een beroep op de strekking dan wel de bedoeling van die bepalingen. In dit verband is van belang dat uit de bepalingen blijkt dat de gemeentelijke wetgever beoogd heeft om onder omstandigheden de heffing van leges ter zake van een aanvraag om een omgevingsvergunning te temperen. De in de artikelen 2.4.1 en 2.7 van de Tarieventabel genoemde omstandigheden wijzen er op dat de gemeentelijke wetgever daarbij het oog heeft gehad op situaties waarbij de dienstverlening door de gemeente beperkter is vanwege eerdere dienstverlening of werkzaamheden. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat in elke situatie dat daarvan sprake is, de te heffen leges worden getemperd. Dit zou naar het oordeel van de rechtbank anders zijn indien een bepaling van die strekking in de Verordening zou zijn opgenomen, doch dat is niet het geval. Dit zou ook anders zijn indien sprake is van een situatie waarin het op niet gelijke wijze toepassen van die bepalingen ongerechtvaardigd zou zijn, gelet op het gelijkheidsbeginsel. In het kader van artikel 2.4.1 van de Tarieventabel is in dat verband van belang dat ter zake van de tweede aanvraag, gelet op de gevoerde procedure over de eerste aanvraag, de fase van vooroverleg reeds lang voorbij was. In het kader van artikel 2.7 van de Tarieventabel is van belang dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een “geringe wijziging” naar het oordeel van de rechtbank niet beslissend de hoogte van de meer- of minderkosten van een wijziging, maar de aard van die wijziging. Uit de stukken en het ter zitting gestelde blijkt dat de wijziging in dit geval met name betrekking had op de kelders van het dubbelhuis. De kelders die onder de woningen waren gepland, werden namelijk verkleind. Uit de ter zitting gegeven toelichting blijkt ook dat de verkleining substantieel was. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee niet aannemelijk dat sprake is van een geringe wijziging als bedoeld in artikel 2.7. van de Tarieventabel. Gelet op dit alles faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds omdat geen sprake is van gelijke gevallen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.4.

Voor wat betreft de stelling van eiser dat sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard, verwijst de rechtbank naar het hiervoor overwogene over de vraag of sprake is van een geringe wijziging. Niet aannemelijk is dat sprake is van een dergelijke wijziging. Bovendien is weliswaar op grond van vaste jurisprudentie in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bij een wijziging van ondergeschikte aard van een bouwplan geen nieuwe omgevingsvergunning vereist, zodat geen nieuwe aanvraag daartoe noodzakelijk is (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1548), doch in de onderhavige situatie staat juist vast dat sprake was van een nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning. Dit was ook noodzakelijk, omdat de eerste aanvraag was afgewezen.

4.5.

Eiser heeft gesteld dat legesheffing ter zake van de tweede aanvraag leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing gelet op de gang van zaken omtrent de eerste aanvraag. In dit verband stelt de rechtbank vast dat het college van B&W de gronden om de omgevingsvergunning te weigeren gedurende de procedure over die eerste weigering meerdere malen heeft aangevuld en/of gewijzigd. De rechtbank oordeelde inzake die weigering dat de door het college ten tijde van de beroepsprocedure voorgestane weigeringsgrond (betreffende het begrip 'peil') onjuist was en de Afdeling heeft dit oordeel nadien bevestigd. Van de twee door het college van B&W na de uitspraak van de rechtbank mede aan de weigering ten grondslag gelegde gronden heeft de Afdeling er nog één onjuist bevonden. Feitelijk staat dus vast dat uitsluitend de door verweerder in een later stadium aangevoerde weigeringsgrond (betreffende de verhouding tussen het bestemmingsplan en de geplande kelders) stand heeft gehouden. Dit doet echter niet af aan het feit dat het besluit op de eerste aanvraag na de uitspraak van de Afdeling formele rechtskracht heeft gekregen en eiser vervolgens een nieuwe, gewijzigde aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend. Dit impliceert, zoals hiervoor al is overwogen, een nieuw belastbaar feit. Dat met het - voor wat betreft de kelders aangepaste - gewijzigde bouwplan gevolg is gegeven aan die weigeringsgrond, terwijl het college deze grond eerder had kunnen aanvoeren, leidt niet tot een andere conclusie. Weliswaar kan de geschetste gang van zaken onder omstandigheden reden zijn om de gemeente te veroordelen tot vergoeding van hierdoor geleden schade, doch dit leidt niet tot de conclusie dat de geheven leges onjuist is.

4.6.

Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat uit een e-mail van 24 maart 2014 blijkt dat het bedrag van de ter zake van de tweede aanvraag geheven leges dient te worden verminderd, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Met de mail van 24 maart 2014 heeft de heer [A] , Hoofd van de afdeling Ruimtelijke Ordening en Vergunningen van de gemeente Amstelveen, gereageerd op eisers brief van 20 maart 2014, waarin eiser verweerder - onder meer - heeft verzocht om de legesheffing voor de tweede aanvraag te verminderen tot 25% van de opgelegde aanslag. Hij schrijft dat in de situatie dat het verzoek gerechtvaardigd was geweest indien het Bouwbesluit niet (ook) was gewijzigd. Voor zover eiser heeft gesteld dat om die reden er van moet worden uitgegaan dat de gedachte achter (artikel 2.4.1 en artikel 2.7 van) de Tarieventabel ertoe leidt dat in de onderhavige situatie minder leges verschuldigd is, heeft te gelden dat deze mail is opgesteld in het kader van de onderhandelingen tussen partijen. In dit verband verwijst de rechtbank naar hetgeen verweerder hierover ter zitting heeft verklaard. Aan de mail kunnen naar het oordeel van de rechtbank om die reden geen juridische gevolgen worden verbonden. Dat de opsteller als heffingsambtenaar moet worden aangemerkt, wat daar van moge zijn, is in dit verband niet relevant. Voor zover eiser met zijn stelling een beroep heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel kan die stelling ook niet slagen, omdat aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat de mail in voornoemd kader is geschreven.

4.7.

Eisers beroep op de hardheidsclausule (artikelen 231 en 236 van de Gemeentewet in samenhang met artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)) kan hem niet baten. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de in artikel 63 van de AWR bedoelde bevoegdheid om voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen, niet toekomt aan de belastingrechter, maar is voorbehouden aan het college van B&W (zie onder andere de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch van 30 mei 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:2022). Overigens is ook niet gebleken van een expliciet verzoek om toepassing van de hardheidsclausule.

4.8.

Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat hij zijn aanvraag van 9 december 2010 had ingetrokken of gewijzigd als hij had geweten dat de wijzigingen niet van ondergeschikte aard waren, overweegt de rechtbank dat de Verordening en de Tarieventabel in verschillende mogelijkheden voorziet om in zo’n geval de leges te beperken. De rechtbank wijst op de mogelijkheid om een conceptaanvraag in te dienen of de mogelijkheid een aanvraag in te trekken. Eiser heeft van deze mogelijkheden echter om hem moverende redenen geen gebruik gemaakt. Het lag niet op de weg van verweerder om eiser hierover nader te informeren.

4.9.

Gelet op het voorgaande is de onderhavige heffing van leges niet strijdig met de Gemeentewet, [de] Verordening of enig beginsel van behoorlijk bestuur.

5. Het beroep is ongegrond.”

5 Beoordeling geschil in hoger beroep

5.1.

Ter zitting heeft gemachtigde van belanghebbende verklaard dat het geschil in hoger beroep zich beperkt tot de vragen of (i) sprake is van door de heffingsambtenaar gevoerd begunstigend beleid welke bestaat uit het sluiten van een vaststellingsovereenkomst in situaties als de onderhavige, (ii) of de heffingsambtenaar met zijn onder 2.2 van deze uitspraak geciteerde e-mail een toezegging heeft gedaan dat een dergelijke vaststellingsovereenkomst wordt gesloten, hetgeen een in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt, en (iii) of de heffingsambtenaar in het onderhavige geval de hardheidsclausule diende toe te passen. Gemachtigde heeft ter zitting verklaard niet langer te bestrijden dat de aanslag is opgelegd conform het bepaalde in de Verordening en de bijbehorende tarieventabel.

5.2.

Belanghebbende stelt dat de gemeente begunstigend beleid voert in die zin, dat vaststellingsovereenkomsten worden gesloten in gevallen als het onderhavige waarin de heffing van leges weliswaar conform de regels plaatsvindt, maar onredelijk uitpakt. De onredelijkheid is het gevolg van het nogmaals heffen van het volledige bedrag van leges over een tweede gewijzigde aanvraag voor een omgevingsvergunning, ook als die wijziging, zoals belanghebbende stelt, slechts van ondergeschikte aard was. Deze tweede heffing is weliswaar conform het bepaalde in de Verordening, maar heeft een onredelijke uitwerking. Bij een dergelijke onredelijke uitwerking bestaat binnen de gemeente Amstelveen het beleid om dit onredelijke effect te verminderen dan wel weg te nemen door middel van een vaststellingsovereenkomst, aldus belanghebbende. De heffingsambtenaar heeft betwist dat door de gemeente Amstelveen dergelijk beleid wordt gevoerd.

5.3.

Het Hof stelt voorop dat bij betwisting door de heffingsambtenaar op belanghebbende de bewijslast rust om zijn stelling aannemelijk te maken dat sprake is van begunstigend beleid in voornoemde zin. Gemachtigde van belanghebbende heeft desgevraagd verklaard dat dit beleid blijkt uit de laatste alinea van de in onderdeel 2.2 van deze uitspraak genoemde e-mail, met name de eerste en laatste volzin van die alinea in samenhang bezien.

5.4.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting van de heffingsambtenaar, met hetgeen hij heeft gesteld niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gemeente het door hem gestelde beleid voert. Noch uit voornoemde alinea, noch uit de e-mail zelf kan worden afgeleid dat hiervan sprake is. Het Hof leidt uit de e-mail eerder af dat in een situatie als die van belanghebbende juist geen vaststellingsovereenkomst pleegt te worden afgesloten.

5.5.

Evenmin kan worden gesteld dat in de e-mail een toezegging door de heer [A] (die onder meer de heffingsambtenaar voor de leges is) jegens belanghebbende is gedaan die leidt tot een in rechte te honoreren vertrouwen. In de e-mail staat immers dat de heer [A] van mening is dat hij “het echter terecht [vindt] dat de volledige leges zijn opgelegd en dat er voor deze nieuwe aanvraag geen gebruik is gemaakt van een vaststellingsovereenkomst”. Uit deze passage blijkt eerder het tegenovergestelde van een toezegging. Daarnaast zijn naar het oordeel van Hof voor het overige de desbetreffende zinnen te algemeen gesteld. Die zinnen zijn meer speculerend over wat voor scenario’s zich verder nog voor hadden kunnen voordoen dan dat er een concrete toezegging uit valt af te leiden.

5.6.

Het Hof verwerpt derhalve het beroep van belanghebbende op begunstigend beleid en het vertrouwensbeginsel. Dientengevolge komt het Hof niet meer toe aan de beoordeling van de vraag of het bij de tweede aanvraag ingediende bouwplan slechts een wijziging van ondergeschikte aard bevat ten opzichte van het bouwplan van de eerste aanvraag.

5.7.

Ook het beroep van belanghebbende op toepassing van de hardheidsclausule wordt door het Hof verworpen. Noch in de Verordening, noch in de Tarieventabel is een voorschrift opgenomen inzake matiging van de legesheffing in de door belanghebbende gestelde situatie. In dat geval behoort het eventueel toepassen van een hardheidsclausule tot de discretionaire bevoegdheid van de heffingsambtenaar en is het aan hem om te beoordelen of er om die reden gronden zijn om de aanslag op een lager bedrag vast te stellen. Een dergelijk oordeel is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, aan de toets van de rechter in belastingzaken onttrokken.

Slotsom

5.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 Awb.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E Kostense, voorzitter, W.E.M. Van Nispen tot Sevenaer en A.A. Fase, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. B.J.E. Lodder, als griffier. De beslissing is op 4 februari 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.