Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:851

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
200.181.144/01 en 200.181.148/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats, ouderschapsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0094
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 8 maart 2016

Zaaknummers: 200.181.144/01 en 200.181.148/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/572203 / FA RK 14-6760

in de zaak in hoger beroep met zaaknummer 200.181.144/01 van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. F. Lavell te Amsterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R. Achttienribbe te Amsterdam (onttrokken),

en in de zaak in hoger beroep met zaaknummer 200.181.148/01 van:

[de oma] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. F. Lavell te Amsterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R. Achttienribbe te Amsterdam (onttrokken).

1 Het geding in hoger beroep in beide zaken

1.1.

In de zaak met zaaknummer 200.181.144/01 worden partijen hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd. In de zaak met zaaknummer 200.181.148/01 worden partijen hierna respectievelijk de oma en de man genoemd.

1.2.

In de zaak met zaaknummer 200.181.144/01 is de vrouw op 26 november 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 augustus 2015 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/572203 / FA RK 14-6760.

1.3.

In de zaak met zaaknummer 200.181.148/01 is de oma op 26 november 2015 in hoger beroep gekomen van de deelbeschikking van 11 februari 2015 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/572203 / FA RK 14-6760 593, en de beschikking van 26 augustus 2015 met kenmerk C/13/572203 / FA RK 14-6760.

1.4.

Beide zaken zijn op 25 januari 2016 tegelijkertijd ter terechtzitting in hoger beroep behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de oma, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw S.C. Benjamin, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad);

- de pleegzorgwerker, namens de stichting De William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering gevestigd te Diemen, afdeling pleegzorg (hierna: de GI).

1.6.

De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten in beide zaken

2.1.

De vrouw en de man (hierna tezamen: de ouders) hebben een relatie gehad. Uit hun relatie is geboren [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) [in] 2006. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] . [de minderjarige] verblijft bij de oma.

2.2.

Bij beschikking van 5 juni 2007 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam is [de minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar. Bij deze beschikking is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf elders, te weten een netwerkplaatsing bij de oma, verleend voor de duur van een jaar. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn hierna telkens verlengd, laatstelijk tot 5 juni 2013.

2.3.

Op 13 juni 2013 hebben de vrouw en de man een ouderschapsplan ondertekend. In het ouderschapsplan is onder meer de volgende bepaling opgenomen:

“Artikel 2 – Hoofdverblijfplaats/verhuizing/paspoort

Het kind heeft het hoofdverblijf bij de vader en zal op zijn adres in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven staan. Aan de vader komt daarom het recht toe om de kinderbijslag ten goede te innen (…).”

3 Het geschil in hoger beroep in beide zaken

3.1.

Bij de bestreden beschikking van 11 februari 2015 is, op verzoek van de man, bepaald dat de regeling, zoals tussen de ouders overeengekomen in het ouderschapsplan, als herhaald en ingelast wordt beschouwd en deel uitmaakt van de beschikking en is het verzoek van de man om te bepalen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij hem zal hebben pro forma aangehouden tot 11 mei 2015, in afwachting van bericht van de man waarin hij meedeelt of hij al een eigen woning heeft gevonden. Bij de bestreden beschikking van 26 augustus 2015 is, op verzoek van de man, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man zal zijn, zodra de man beschikt over zelfstandige woonruimte.

3.2.

De vrouw verzoekt, in de zaak met zaaknummer 200.181.144/01, met vernietiging van de bestreden beschikking van 26 augustus 2015, te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de oma zal zijn.

3.3.

De oma verzoekt, in de zaak met zaaknummer 200.181.148/01, met vernietiging van de bestreden beschikking van 11 februari 2015 en met vernietiging van de bestreden beschikking van 26 augustus 2015, te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar zal zijn.

3.4.

De man heeft zowel in de zaak met zaaknummer 200.181.144/01 als in de zaak met zaaknummer 200.181.148/01 geen verweerschrift ingediend.

4 Beoordeling van het hoger beroep in beide zaken

4.1.

Nu de oma als belanghebbende pleegouder onweersproken heeft gesteld dat zij pas op 4 oktober 2015 kennis heeft kunnen nemen van de beschikking van 11 februari 2015, is het hof van oordeel dat de oma ingevolge artikel 806 lid 1 van Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tijdig in hoger beroep is gekomen tegen deze beschikking en derhalve ontvankelijk is.

4.2.

Gelet op de inhoud van de grieven in het hoger beroep met zaaknummer 200.181.144/01 en het hoger beroep met zaaknummer 200.181.148/01 en hun onderlinge samenhang ziet het hof aanleiding deze gezamenlijk te behandelen.

4.3.

Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag die thans voorligt, te weten bij wie [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats dient te hebben, het belang van [de minderjarige] voorop staat.

4.4.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de oma moet blijven. De vrouw voelde zich onder druk gezet door de man toen hij haar op haar werk overviel met het verzoek haar handtekening te zetten onder het ouderschapsplan, waarin onder meer staat dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij hem zal hebben. De strekking van het zetten van haar handtekening onder het ouderschapsplan was de vrouw toen niet duidelijk. De vrouw heeft een verstandelijke beperking en slaat dicht in stressvolle situaties. Zij heeft zich pas na ontvangst van de bestreden beschikking van 26 augustus 2015 gerealiseerd dat als deze beschikking ten uitvoer wordt gelegd, dit betekent dat [de minderjarige] niet meer bij de oma, waar zij al bijna haar hele leven verblijft, maar bij de man zal verblijven. Dit is in strijd met de belangen van [de minderjarige] . De man is niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] te dragen. Ook bij [de minderjarige] is sprake van verstandelijke beperkingen, die veel aandacht vragen. Daarbij heeft de man tot dusver niet getoond grip op zijn eigen leven te hebben. Het is daarom in het belang van [de minderjarige] dat haar hoofdverblijfplaats bij de oma gehandhaafd blijft, aldus de vrouw.

4.5.

De oma stelt zich op het standpunt dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij haar dient te behouden. [de minderjarige] leeft al vrijwel haar hele leven onafgebroken met de oma in gezinsverband. De kinderrechter is dan ook ten onrechte voorbijgegaan aan de rol van de oma als pleegouder van [de minderjarige] . Ook maakt een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] inbreuk op het blokkaderecht van de oma als bedoeld in artikel 1:253s lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Wijziging van de hoofdverblijfplaats is niet in het belang van [de minderjarige] en vormt een bedreiging voor haar ontwikkeling. De man is niet geschikt om als ouder en/of opvoeder van [de minderjarige] op te treden. Hij heeft last van epilepsie en heeft psychische klachten. Tevens heeft de man geen grip op zijn eigen leven. Zo verbleef hij geruime tijd illegaal in Nederland, is hij niet in staat om voldoende inkomsten voor zichzelf – laat staan voor [de minderjarige] – te genereren en beschikt hij niet over een eigen woning. Daarbij komt dat er al geruime tijd geen sprake meer is van een structurele en regelmatige omgang tussen de man en [de minderjarige] . Bovendien is bij [de minderjarige] , net als bij de vrouw, het 12-P deletiesyndroom vastgesteld, als gevolg waarvan zij ernstige verstandelijke beperkingen heeft. Dit maakt [de minderjarige] bijzonder kwetsbaar en zij heeft dan ook extra intensieve zorg nodig. De man is niet in staat [de minderjarige] deze intensieve zorg te geven. Voorts dient ook de beschikking van 11 februari 2015 vernietigd te worden, aangezien het in deze beschikking vastgelegde ouderschapsplan eveneens voorziet in het wijzigen van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de oma in een hoofdverblijf bij de man, hetgeen niet verenigbaar is met de belangen van [de minderjarige] , aldus de oma.

4.6.

De Raad heeft het hof ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikkingen van respectievelijk 11 februari 2015 en 26 augustus 2015 te vernietigen. Het is in het belang van [de minderjarige] dat haar hoofdverblijfplaats bij de oma blijft, aldus de Raad.

4.7.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de overgelegde stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende gebleken. [de minderjarige] verblijft sinds enkele weken na haar geboorte [in] 2006 bij de oma, omdat de ouders niet in staat waren de zorg voor de opvoeding van [de minderjarige] te dragen. Tot 2011 verbleven de ouders gezamenlijk bij de oma en [de minderjarige] . Daarna hebben de ouders samengewoond en in 2012 hebben zij hun relatie verbroken. De oma is in 2012 pleegouder van [de minderjarige] geworden. De vrouw was reeds voor de geboorte van [de minderjarige] - en is ook thans - bekend met verstandelijke en psychische beperkingen. Zo lijdt zij aan het 12-P deletiesyndroom, een genetische afwijking, en zij heeft enkele maanden voor de geboorte van [de minderjarige] last gehad van psychoses, waarvoor zij onder meer in het Mentrum behandeld is. De man heeft epilepsie en heeft hiervoor medicijnen gebruikt, waardoor het voor hem niet mogelijk was om alleen met [de minderjarige] te zijn. Net als bij de vrouw, is ook bij [de minderjarige] sprake van het 12-P deletiesyndroom, waardoor ook bij [de minderjarige] sprake is van een verstandelijke beperking en een achterstand op het gebied van de fijne motoriek. Gelet op de problemen van de ouders en de zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] is [de minderjarige] in juni 2007 onder toezicht gesteld van de GI en is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing bij de oma, verleend. Deze maatregelen zijn nadien telkens verlengd, laatstelijk tot juni 2013. In het evaluatierapport van 29 april 2013 dat naar aanleiding van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is opgesteld, overwoog de GI dat er op dat moment bij [de minderjarige] geen ontwikkelingsbedreigingen meer aanwezig waren, dat zij bij de oma in een warme, veilige en stabiele omgeving opgroeit en dat een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing derhalve niet meer nodig was. Uit het evaluatierapport en de reactie daarop van de Raad is voorts gebleken dat ook bij beëindiging van de ondertoezichtstelling het uitgangspunt van de GI en de Raad is geweest dat [de minderjarige] bij de oma zal opgroeien en dat zowel de ouders als de oma het hiermee eens waren. Uit de stukken noch ter zitting is gebleken dat de ouders aan de oma die de pleegouder is, toestemming hebben verzocht als bedoeld in art. 1:253s lid 1 BW om wijziging te brengen in de verblijfplaats van [de minderjarige] bij de oma. Voor zover er al vanuit zou moeten worden gegaan dat de oma de toestemming zou hebben geweigerd, is evenmin gebleken dat de ouders de rechtbank hebben verzocht om vervangende toestemming als bedoeld in art. 1:253s lid 2 BW.

4.8.

Het hof overweegt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de positie van de oma als pleegouder van [de minderjarige] , nu [de minderjarige] al gedurende bijna haar gehele leven bij de oma woont en de oma in 2012 pleegouder van [de minderjarige] is geworden. Voor zover beide ouders een wijziging van de feitelijke verblijfplaats van [de minderjarige] beoogden overeen te komen, hadden de ouders op de voet van artikel 1:253s lid 1 BW voorafgaand instemming moeten vragen aan de oma als pleegouder. Zonder deze voorafgaande toestemming is het de ouders niet toegestaan wijziging in de (hoofd-)verblijfplaats van [de minderjarige] aan te brengen. Dit brengt dat de hoofdverblijfplaats niet kan worden gewijzigd, ook niet door dat overeen te komen in een ouderschapsplan. Ten overvloede overweegt het hof dat is gebleken dat de ouders nimmer in staat zijn geweest de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen en dat tussen de man en [de minderjarige] al geruime tijd geen structurele omgang meer heeft plaatsgevonden. Een vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man is daarom niet in het belang van [de minderjarige] .

De verzoeken van de moeder en de oma om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] ongewijzigd bij de oma te laten en dat ook uitdrukkelijk te bepalen zullen worden toegewezen en de door de oma en de moeder bestreden beschikking van 26 augustus 2016 zal derhalve worden vernietigd.

4.9.

Bovengenoemd oordeel brengt met zich dat ook het door de ouders ondertekende ouderschapsplan voor zover dit plan een regeling met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man bevat, geen stand kan houden, daargelaten dat het naar het oordeel van het hof niet in het belang van [de minderjarige] kan worden geacht dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man zal zijn en dat daarin een zorg- en contactregeling is opgenomen die geen enkel recht doet aan de feitelijke situatie, waarbij oma de hoofdopvoeder is van [de minderjarige] . Met de overeengekomen regeling wordt immers miskend dat oma in staat moet worden gesteld aan haar taken als hoofdopvoeder een invulling te geven zoals die noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige] .

Het hof overweegt daarbij dat de vernietiging van het ouderschapsplan zelf, zoals verzocht door de oma, de hoofdverblijfplaats betreft, maar daarmee gevolgen zal hebben voor andere onderdelen van dat plan, zoals de overeengekomen zorg- en contactregeling die is uitgewerkt in Bijlage A van het plan. Daarbij neemt het hof in ogenschouw dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de vrouw ten tijde van de ondertekening van het ouderschapsplan de inhoud van het ouderschapsplan niet begreep en ook de gevolgen van ondertekening niet heeft kunnen overzien. Dit begrip mag naar het oordeel van het hof – gelet op haar verstandelijke beperkingen – van de vrouw ook niet verwacht worden.

Het hof zal het verzoek van de oma tot vernietiging van de bestreden beschikking van 11 februari 2015 toewijzen, voor zover daarin een andere hoofdverblijfplaats is overeengekomen dan bij de oma, en het verzoek van de man tot vaststelling van de regeling volgens het ouderschapsplan in zoverre afwijzen.

4.10.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

in de zaak met nummer 200.181.148/01:

vernietigt de bestreden beschikkingen van 11 februari 2015 en opnieuw rechtdoende;

wijst het verzoek van de man tot vaststelling van de regeling overeenkomstig het tussen de ouders gesloten ouderschapsplan, voor zover daarbij de hoofdverblijfplaats bij de vader is bepaald, af;

in beide zaken:

bepaalt het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de oma.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. M. Wigleven en mr. S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. H. Sapir als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2016.