Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:841

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-02-2016
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
23-000745-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De bekennende verklaringen van een van ontucht met minderjarigen verdachte man worden onvoldoende betrouwbaar geacht, onder meer omdat bij de – stevige – ondervraging van de verdachte een sterk moreel appel op hem werd gedaan, er gesloten, tendentieuze en sturende vragen werden gesteld en hem woorden in de mond werden gelegd. Ook is verdachte voorgehouden dat hij langer zou blijven vastzitten als hij moeite zou blijven hebben om ‘erover’ te praten. Verder is meegewogen dat de verdachte, die ten tijde van het verhoor 71 jaar oud was, nooit eerder met politie in aanraking was gekomen en tijdens dat (auditief opgenomen) verhoor een kwetsbare indruk maakte. Volgt vrijspraak bij gebrek aan voldoende wettig bewijs. De verdachte wordt wel veroordeeld ter zake van het bezit van kinderporno.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000745-13

datum uitspraak: 29 februari 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-654025-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1940,

adres: [adres] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2015 en 15 februari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep toegelaten wijziging is aan de verdachte, voor zover nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

2:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september 2011 tot en met 30 september 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 1] , geboren op 29 januari 1998, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande (telkens) eenmaal of meermalen in het ontuchtig - omhoog doen en/of houden van de (voetbal)broek en/of onderbroek/boxershort van die [slachtoffer 1] en/of - met zijn hand(en) in de (voetbal)broek en/of de onderbroek/boxershort van die [slachtoffer 1] gaan en/of - kijken in het kruis en/of naar het geslachtsdeel van die [slachtoffer 1] en/of - (met de rug van) zijn hand(en) aanraken en/of betasten van de bal(len) en/of het geslachtsdeel van die [slachtoffer 1] ;

3:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september 2011 tot en met 30 september 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 2] , geboren op 10 november 1997, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het (telkens) eenmaal of meermalen ontuchtig - naar beneden trekken en/of uittrekken van de (voetbal)broek en/of onderbroek van die [slachtoffer 2] en/of - betasten en/of opzij duwen en/of opzij schuiven van de bal(len) en/of het geslachtsdeel van die [slachtoffer 2] ;

4:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 november 2010 tot en met 9 november 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland;

één of meermalen een afbeelding en/of (een) gegevensdrager(s) (te weten een harde schijf (van een

computer) en/of computer) bevattende één of meer afbeelding(en), in bezit heeft gehad, en/of door

middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een telecommunicatiedienst de

toegang tot (een) afbeelding(en) heeft verschaft, terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele

gedraging(en) zichtbaar is/zijn waarbij (telkens] een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar

nog niet had bereikt, was betrokken, of schijnbaar was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedraging(en) bestonden uit:

het oraal en/of anaal penetreren met de penis van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd

van 18 jaar nog niet heeft bereikt door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft

bereikt,

(afbeelding beschreven op pagina 110 van het dossier [Afbeelding 1])

(afbeelding beschreven op pagina 113 van het dossier [Afbeelding 2])

(afbeelding beschreven op pagina 116 van het dossier [Afbeelding 3])

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen/het geslachtsdeel van een persoon die de kennelijke

leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt,

(filmbestand beschreven op pagina 118 van het dossier Case ID [Filmpje 1])

(afbeelding beschreven op pagina 105 van het dossier [Afbeelding 4])

(afbeelding beschreven op pagina 112 van het dossier [Afbeelding 5])

(afbeelding beschreven op pagina 113 van het dossier [Afbeelding 6])

(afbeelding beschreven op pagina 116 van het dossier [Afbeelding 7])

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18

jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of billen en/of

anus in beeld word (t) (en) gebracht,

(filmbestand beschreven op pagina 118 van het dossier Case ID [Filmpje 1])

(afbeelding beschreven op pagina 104 van het dossier [Afbeelding 8])

(afbeelding beschreven op pagina 105 van het dossier [Afbeelding 8])

(afbeelding beschreven op pagina 107 van het dossier [Afbeelding 9])

(afbeelding beschreven op pagina 108 van het dossier [Afbeelding 10])

(afbeelding beschreven op pagina 109 van het dossier [Afbeelding 11])

(afbeelding beschreven op pagina 109 van het dossier [Afbeelding 12])

(afbeelding beschreven op pagina 110 van het dossier [Afbeelding 12])

(afbeelding beschreven op pagina 111 van het dossier [Afbeelding 13])

(afbeelding beschreven op pagina 115 van het dossier [Afbeelding 14])

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen/het geslachtsdeel van een persoon die de kennelijke

leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, door een ander persoon,

(afbeelding beschreven op pagina 104 van het dossier [Afbeelding 15])

en/of

het houden van een (stijve) penis in de mond van en/of bij/naast het gezicht en/of lichaam van een

perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en/of waarbij op dat

gezicht/lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is,

(afbeelding(en) beschreven op pagina 106 van het dossier [Afbeelding 16]

(afbeelding(en) beschreven op pagina 106 van het dossier [Afbeelding 17]]

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring, een andere kwalificatie en een andere straftoemeting komt dan de rechtbank.

Overwegingen met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde

De verdachte was werkzaam als sportmasseur bij voetbalvereniging [vereniging] te Amsterdam. In 2011 heeft hij in dat verband twee minderjarige voetbalspelers van die vereniging, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , afzonderlijk van elkaar behandeld. [slachtoffer 1] – ten tijde van het ten laste gelegde 13 jaar oud – heeft tegenover de politie verklaard dat de verdachte bij die behandeling de onderbroek van [slachtoffer 1] omhoog heeft gedaan, in het kruis heeft gekeken, met zijn hand in de onderbroek ging, bij het masseren onnodig met de rug van zijn handen tegen de teelballen van [slachtoffer 1] is aangekomen en daarbij ook zijn geslachtsdeel heeft aangeraakt. Hiervan is de verdachte een verwijt gemaakt in het onder 2 ten laste gelegde. [slachtoffer 2] – ten tijde van het ten laste gelegde 12 jaar oud – heeft verklaard dat de verdachte bij de behandelingen het geslachtsdeel en de teelballen van [slachtoffer 2] opzij heeft geschoven, de broek van [slachtoffer 2] tot halverwege de benen naar beneden heeft getrokken en dat hij tijdens het masseren met zijn pols ‘de hele tijd’ tegen de teelballen van [slachtoffer 2] aankwam en diens geslachtsdeel aanraakte. Hiervan is de verdachte een verwijt gemaakt in het onder 3 ten laste gelegde.

Het hof overweegt dat het bewijs dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van [slachtoffer 1] respectievelijk [slachtoffer 2] , zo volgt uit artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

De verdachte heeft tegenover de politie op 9 november 2011 en op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ontucht met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ; hij heeft gesteld en toegelicht dat hij bij de behandelingen geen handelingen heeft verricht die daaraan niet dienstig waren.

Op 10 november 2011 is door de verdachte tegenover de politie echter een verklaring afgelegd, waarin hij de lezing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op onderdelen heeft bevestigd. Slechts deze verklaring komt op grond van het voorliggende dossier in aanmerking om als steunbewijs te worden beschouwd. De verklaringen van de [naam] , tweede voorzitter bij genoemde voetbalvereniging, en de moeders van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn immers niet te herleiden tot een andere bron. Voorts geven de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] onderling te weinig steun aan elkaar om als voldoende steunbewijs te kunnen dienen. Om tot het bewijs te kunnen bijdragen, dient de op 10 november 2011 door de verdachte afgelegde verklaring echter wel als betrouwbaar te kunnen worden aangemerkt.

De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2015 verklaard dat hij tot de op 10 november 2011 afgelegde verklaring is gekomen onder invloed van ‘onmenselijke druk’, dat hij van de kaart raakte doordat hij in een cel werd geplaatst, dat tijdens het verhoor is gezegd dat hij langer vast zou moeten blijven zitten als hij niet zou bekennen en dat hij de bekentenis vooral heeft afgelegd om niet nog langer vast te hoeven zitten.

De raadsman heeft in het verlengde hiervan gesteld dat de verdachte onder druk is gezet, is beïnvloed en bedreigd. Er is volgens hem ‘jacht gemaakt’ op een bekentenis en er is ‘van alles gedaan wat verboden is’. De op 10 november 2011 afgelegde verklaring kan dan ook niet worden gebruikt voor het bewijs. Verder heeft hij de vraag opgeworpen of de onder 2 en 3 ten laste gelegde gedragingen kunnen worden gezien als ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Het hof heeft naar aanleiding van de verklaring van de verdachte van 19 januari 2015 bevolen

de auditieve opname van het verhoor van de verdachte van 10 november 2011 en een woordelijke uitwerking van een deel van dat verhoor aan het dossier toe te voegen. Hieraan heeft het openbaar ministerie voldaan.

Het hof heeft kennis genomen van de auditieve opname van het verhoor en de woordelijke uitwerking daarvan, neergelegd in een proces-verbaal van 15 september 2015. Op grond daarvan komt het hof tot de volgende vaststellingen.

De verdachte is op 10 november 2011 gedurende ruim 3 uren verhoord door twee verbalisanten. De toon van de ondervraging was stevig en van enige druk kan zeker worden gesproken. Er zijn zeer indringende vragen gesteld en op de verdachte is meermalen een moreel appèl gedaan, bijvoorbeeld toen hem werd voorgehouden dat de verbalisanten, uitgaande van de lezing van de verdachte, zouden moeten teruggaan naar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en hen voor leugenaars dienden uitmaken, waardoor – zo is geopperd - deze jongens (nog meer) beschadigd zouden kunnen raken. Verder heeft de communicatie tussen de verbalisanten en de verdachte op verschillende momenten een tamelijk eenzijdig karakter gehad; sommige passages kunnen welhaast worden getypeerd als minuten durende monologen van de zijde van de verbalisanten. Daarnaast zijn de verdachte de nodige gesloten, tendentieuze en sturende vragen gesteld. Op cruciale momenten zijn de verdachte zelfs woorden in de mond gelegd. Toen de verdachte verklaarde dat ‘het zou kunnen’ dat hij bij de behandeling van [slachtoffer 2] tegen diens ballen is aangekomen, is hem indringend te verstaan gegeven dat hij niet moest beginnen met ‘het zou kunnen’, omdat dat ‘vreselijk oneerlijk’ zou zijn (p. 18). Toen de verdachte verklaarde dat het ‘zou kunnen’ dat hij bij de massage van [slachtoffer 1] tegen diens geslachtsdeel aangekomen is, werd hem duidelijk gemaakt dat het evenmin ging om ‘zou kunnen’. Toen de verdachte vervolgens werd gevraagd hoe het kwam dat hij ‘constant’ tegen de ballen van [slachtoffer 1] aankwam en de verdachte antwoordde dat dit ‘misschien met nonchalance’ te maken heeft gehad, werd hem ingewreven dat dit niets met nonchalance te maken heeft, waarna de verdachte zei dat hij dit ‘misschien wel prettig’ vond en waarop de verbalisanten hem duidelijk maakten dat hij het woord ‘misschien’ moest weglaten en dat hij maar eens moest leren ‘die dingen’ te zeggen. Ook is de verdachte door de verbalisanten herhaaldelijk te verstaan gegeven dat de zij hem ‘nog een dagje zouden laten zitten’, bijvoorbeeld als de verdachte moeite bleef houden ‘erover te praten’, zich ‘morgen minder zou schamen’ of als diens verklaring hen nog niet helder was. Het hof stelt verder vast dat de onderdelen van de verklaring van de verdachte van 10 november 2011 die als bekennend zouden kunnen worden gezien, zeer schoorvoetend tot stand zijn komen.

Het hof acht aannemelijk dat het op evengenoemde wijze vormgegeven verhoor op de verdachte een klaarblijkelijk bijzonder overweldigende indruk heeft gemaakt. Daarom en mede gelet op de herhaaldelijke toespelingen op een langer verblijf in voorarrest, kan niet worden uitgesloten dat de verdachte, zoals hij later heeft verklaard, enkele onderdelen van de hem belastende verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft toegegeven om eerder uit voorarrest te kunnen worden ontslagen. Daarbij heeft het hof voorts in aanmerking genomen:

- de leeftijd van de verdachte; hij was ten tijde van het verhoor 71 jaar oud,

- het feit dat hij nimmer eerder met politie of justitie in aanraking was gekomen en dus voor het eerst was aangehouden en voor drie dagen in verzekering was gesteld en

- de verdachte op het hof tijdens het (auditief opgenomen) politieverhoor een kwetsbare indruk heeft gemaakt.

Gezien het voorgaande is het hof in onvoldoende mate overtuigd van de betrouwbaarheid van de bekennende onderdelen van de op 10 november 2011 door de verdachte afgelegde verklaring en zal het deze dan ook niet voor het bewijs bezigen. Het hof merkt op dat de vraag of met de mededelingen van de verbalisanten met als strekking dat zij de verdachte ‘nog een dagje zouden laten zitten’ het pressieverbod is overtreden, nog uitdrukkelijk daar wordt gelaten.

Uit de verklaringen die de verdachte op andere momenten heeft afgelegd kan niet meer worden afgeleid dan dat hij met zijn handen voor de behandeling noodzakelijkerwijs en zonder ontuchtig motief in de buurt van hun schaamstreek is gekomen.

Het hof hecht eraan op te merken dat niet wordt betwijfeld dat de handelingen waarover [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verklaard zich in hun beleving hebben voorgedaan. Dit laat echter onverlet dat er op basis van het voorliggende dossier - zonder bekennende verklaring van de verdachte - onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om te kunnen concluderen dat de verdachte het aan hem onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

hij in de periode van 9 november 2010 tot en met 9 november 2011 te Amsterdam, meermalen een afbeelding en een gegevensdrager, te weten een computer bevattende afbeeldingen, in bezit heeft gehad, en door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een telecommunicatiedienst de

toegang tot afbeeldingen heeft verschaft, terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

het oraal en/of anaal penetreren met de penis van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd

van 18 jaar nog niet heeft bereikt door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft

bereikt,

(afbeelding beschreven op pagina 110 van het dossier [Afbeelding 1])

(afbeelding beschreven op pagina 113 van het dossier [Afbeelding 2])

(afbeelding beschreven op pagina 116 van het dossier [Afbeelding 3])

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen/het geslachtsdeel van een persoon die de kennelijke

leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt,

(filmbestand beschreven op pagina 118 van het dossier Case ID [Filmpje 1])

(afbeelding beschreven op pagina 105 van het dossier [Afbeelding 4])

(afbeelding beschreven op pagina 112 van het dossier [Afbeelding 5])

(afbeelding beschreven op pagina 113 van het dossier [Afbeelding 6])

(afbeelding beschreven op pagina 116 van het dossier [Afbeelding 7])

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18

jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of billen en/of

anus in beeld word (t) (en) gebracht,

(filmbestand beschreven op pagina 118 van het dossier Case ID [Filmpje 1])

(afbeelding beschreven op pagina 104 van het dossier [Afbeelding 8])

(afbeelding beschreven op pagina 105 van het dossier [Afbeelding 8])

(afbeelding beschreven op pagina 107 van het dossier [Afbeelding 9])

(afbeelding beschreven op pagina 108 van het dossier [Afbeelding 10])

(afbeelding beschreven op pagina 109 van het dossier [Afbeelding 11])

(afbeelding beschreven op pagina 109 van het dossier [Afbeelding 12])

(afbeelding beschreven op pagina 110 van het dossier [Afbeelding 12])

(afbeelding beschreven op pagina 111 van het dossier [Afbeelding 13])

(afbeelding beschreven op pagina 115 van het dossier [Afbeelding 14])

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen/het geslachtsdeel van een persoon die de kennelijke

leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, door een ander persoon,

(afbeelding beschreven op pagina 104 van het dossier [Afbeelding 15])

en/of

het houden van een (stijve) penis in de mond van en/of bij/naast het gezicht van een

persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en/of waarbij op dat

gezicht/lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is,

(afbeelding(en) beschreven op pagina 106 van het dossier [Afbeelding 16]

(afbeelding(en) beschreven op pagina 106 van het dossier [Afbeelding 17]]

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

een afbeelding - of een gegevensdrager bevattende een afbeelding - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben en zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de dader

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot taakstraf voor de duur van 200 uren, indien niet naar behoren, verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren, verbeurdverklaring van de in beslag genomen computer van de verdachte en teruggave van de in beslag genomen hard disk aan de verdachte.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde niet ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep en voor het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf van 60 dagen waarvan 59 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering, met een proeftijd van 2 jaren, onttrekking aan het verkeer van een in beslag genomen computer en teruggave van een in beslag genomen hard disk aan de verdachte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in de bewezen verklaarde periode schuldig gemaakt aan het bezit van kinderpornografisch materiaal. Het in het bezit hebben van kinderpornografisch materiaal is laakbaar nu bij de vervaardiging hiervan kinderen worden misbruikt en geëxploiteerd. Het is algemeen bekend dat de nadelige gevolgen die deze kinderen hiervan zowel in fysieke als psychische zin ondervinden doorgaans ingrijpend zijn. Door kinderpornografisch materiaal in bezit te hebben en zich daartoe toegang te verschaffen heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van de vraag naar dit materiaal en is hij medeverantwoordelijk aan het seksuele misbruik en de exploitatie van die kinderen. Voor een effectieve bestrijding van kinderporno is het dan ook noodzakelijk niet alleen hen te straffen die dit materiaal vervaardigen maar ook diegenen die dit materiaal in bezit hebben. Zij creëren immers de vraag. Het hof neemt dit de verdachte ernstig kwalijk.

Het hof heeft acht geslagen op het feit dat de verdachte blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 februari 2016 niet eerder onherroepelijk is veroordeeld en na de ten laste gelegde feiten evenmin met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Nu het hof, anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, slechts tot een bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde komt, komt het hof tot een aanzienlijk lagere straftoemeting dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof constateert dat de Wet Beperking Taakstraffen (Stb. 2012/1) in onderhavige strafzaak niet van toepassing is nu deze in werking is getreden op 3 januari 2012 en het bewezen verklaarde feit dateert van voordien.

Gelet op de ernst van het onder 4 bewezen verklaarde acht het hof in deze zaak in beginsel een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het hof stelt vast dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Immers, op 13 februari 2013 is hoger beroep ingesteld, terwijl het hof eerst thans - ruim 3 jaar later - arrest wijst. Gelet hierop, alsmede het feit dat gebleken is dat de duur van de onderhavige strafzaak een meer dan gemiddelde weerslag heeft gehad op het leven van de verdachte, zal het hof de passend geachte taakstraf geheel in voorwaardelijke zin opleggen.

Het onder 4 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp. Het zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 57 en 240b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1.00 stuk computer kleur zwart personal computer (4173360).

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1.00 stuk harddisk kleur zwart Samsung USB harddisk extern (4173361).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. C.N. Dalebout en mr. J.H. Wesselink, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 februari 2016.

De oudste en jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[..............]