Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:798

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
23-003049-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming. Pondspondsgewijze toerekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-003049-15 (ontneming)

Datum uitspraak: 26 februari 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 juli 2015 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-810140-14 tegen de veroordeelde

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

adres: [adres]

thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 5.468,00.

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 juli 2015 veroordeeld ter zake van diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldigen het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels (parketnummer 15-810140-40 feit 1) en diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking (parketnummer 15-810140-40 feit 2).

Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 7 juli 2015 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.989,33 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 februari 2016 eveneens veroordeeld ter zake van de diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldigen het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van sleutels (parketnummer 15-810140-40 feit 1), doch vrijgesproken van de diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking (parketnummer 15-810140-40 feit 2).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de deels hoofdelijke verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 5.468,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in hoger beroep – kort gezegd – aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op feit 1 van de zaak met parketnummer 15-810140-40. Naast de veroordeelde zijn er immers nog twee andere veroordeelden voor dat feit, de mededaders, tegen wie geen ontnemingsvordering aanhangig is gemaakt. Dit dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering voor zover deze betrekking heeft op feit 1 van de zaak met parketnummer 15-810140-40, aldus de raadsman van de veroordeelde.

Subsidiair aan voorgaand verweer, heeft de raadsman betoogd dat er geen ruimte is voor het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting ter zake het eerste feit, omdat in de situatie van de veroordeelde niet kan worden gesproken van gemeenschappelijk voordeel. In casu is het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting in strijd met het uitgangspunt dat slechts voordeel kan worden ontnomen dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.

Bespreking van standpunten

Het hof stelt voorop dat – nog daargelaten of het in deze zaak gelijke gevallen betreft – de enkele omstandigheid dat er (al of niet ten onrechte) geen ontnemingsvordering aanhangig is gemaakt tegen de medeverdachten van de veroordeelde in de strafzaak, geen schending van het gelijkheidsbeginsel met zich brengt en derhalve niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de tegen de veroordeelde gerichte ontnemingsvordering ( vgl. ECLI:NL:HR:2003:AF4334 en ECLI:NL:HR:2008: BF3299).

Het is echter van belang de kanttekening te maken dat, gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Het hof dient op basis van alle bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheidenlijke daders hebben gespeeld, te bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend, waarbij in het geval er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor een andere toerekening, dit er doorgaans toe zal leiden dat het voordeel pondspondsgewijs wordt toegerekend. Dat tegen de mededaders in dit geval geen ontnemingsvordering aanhangig is gemaakt, doet daaraan niet af en is evenmin in strijd met het hiervoor omschreven uitgangspunt.

Alleen indien het verkregen wederrechtelijk voordeel als gemeenschappelijk voordeel kan worden aangemerkt, waarover ieder van de mededaders kan beschikken of heeft kunnen beschikken, is hoofdelijke aansprakelijkheid mogelijk. Hiervoor dienen echter duidelijke aanwijzingen te bestaan dat twee of meer daders gezamenlijk de beschikking hebben of hebben gehad over de gehele opbrengst. Dit laatste is in het onderhavige geval echter geenszins aan de orde. De veroordeelde heeft openheid van zaken gegeven over het strafbare feit en de verdeling van de buit en zijn lezing vindt steun in de bewijsmiddelen.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het onder voormeld parketnummer aangelegd straf- en ontnemingsdossier, alsmede op grond van het onderzoek ter terechtzitting, is aannemelijk geworden dat de veroordeelde door middel van de diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldigen het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels (parketnummer 15-810140-40 feit 1), wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De veroordeelde en zijn twee mededaders hebben zich bij voornoemde diefstal een bedrag van € 5.218,00 wederrechtelijk toegeëigend. Dit bedrag rekent het hof, mede gelet op het bovenstaande, pondspondsgewijs aan de drie daders toe.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Aan de veroordeelde dient derhalve, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.739,33.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 1.739,33 (eenduizend zevenhonderdnegenendertig euro en drieëndertig cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 1.739,33 (eenduizend zevenhonderdnegenendertig euro en drieëndertig cent).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. P.C. Römer en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. M. Helmers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 februari 2016.

mrs. Römer en Dantuma-Hieronymus zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

=========================================================================

[....]