Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:791

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
200.183.187
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wgbz, griffierecht. Een verdelingskwestie wordt in hoger beroep niet, zoals bij de rechtbank, behandeld als nevenverzoek bij het verzoekschrift tot echtscheiding, maar als een procedure op grond van het bepaalde in Boek 3 BW, zodat de hoogte van het griffierecht afhankelijk is van het beloop van de vordering of het verzoek waarover in eerste aanleg is geprocedeerd.

Verzoeker wenst niet slechts een woning toebedeeld te krijgen, maar een woning die is belast met een hypothecaire geldlening. De schuld die voortvloeit uit de geldlening overtreft de waarde van de woning. Bij het bepalen van het beloop van de vordering dient daarom met deze geldlening rekening te worden gehouden, in die zin dat in zoverre per saldo geen positief vermogensbelang aanwezig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/110
EB 2016/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.183.187

zaak-/rekestnummers rechtbank Noord-Holland : C/15/217307/FA RK 14-3200 en

C/15/219766/FA RK 14/4272

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 februari 2016

inzake

[X] ,

wonend te [Y] ,

verzoeker sub 1,

advocaat: mr. E.M.T. van Ruitenbeek-de Bekker te Den Haag, verzoekster sub 2.

1 De procedure

In de hoofdzaak met de zaaknummers 200.180.945/01 (verdeling) en 200.180.947/01 (alimentatie) is bij verzoekschrift van 25 november 2015 door verzoeker sub 1 hoger beroep ingesteld tegen de tussen verzoeker sub 1 en zijn ex-echtgenote onder bovengenoemde zaak-/rekestnummers gewezen tussenbeschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 26 augustus 2015. In die beschikking is de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap verdeeld en is een partnerbijdrage vastgesteld.

Volgens informatie van het Landelijk Diensten Centrum Rechtspraak (LDCR) is op 27 november 2015 namens verzoeker sub 1 via de rekening-courant van het kantoor van verzoekster sub 2 een bedrag van € 1.615,- aan griffierecht bijgeschreven op de rekening van het hof.

Bij brief van 8 december 2015 hebben verzoekers sub 1 en 2 bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het vastgestelde griffierecht, waarna hun door de griffier van het hof op 16 december 2015 te kennen is gegeven dat zij hun bezwaren bij verzetschrift kunnen indienen bij het hof. Daarop hebben verzoekers sub 1 en 2 op 16 december 2015 een bezwaarschrift (het hof leest: verzetschrift) ingediend tegen de beslissing van de griffier van dit hof om de hoofdzaak aan te merken als een handelszaak en een griffierecht te heffen van € 1.615,-.

Het hof heeft beschikking bepaald op heden.

2 De verzoeken

Verzoekers sub 1 en 2 maken bezwaar tegen de beslissing van de griffier. Volgens hen gaat het in de zaak met nummer 200.180.945/01 om een familiezaak, waarvoor een tarief van € 311,- geldt. Weliswaar wordt in het appelschrift, naast de alimentatie, de afrekening van de huwelijkse voorwaarden gevorderd, maar met het appelschrift wordt in beroep gekomen tegen de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Noord Holland, locatie Haarlem, en de hoofdzaak betreft daarom nog steeds een familiezaak.

3 Beoordeling

3.1

Op 15 juli 2015 is bij tussenbeschikking van de rechtbank Noord-Holland onder zaaknummer C/15/217307/ FA RK 14-3200 de echtscheiding tussen verzoeker sub 1 en zijn toenmalige echtgenote uitgesproken, welke beschikking op 13 augustus 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij die beschikking is de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van het minderjarige kind, een voorlopige zorgregeling, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de tijdelijke partnerbijdrage en de kinderbijdrage uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is de beslissing ten aanzien van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap en de vaststelling van de definitieve partnerbijdrage, alsmede ten aanzien van de definitieve zorgtaakverdeling aangehouden. Vervolgens is bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 26 augustus 2015 onder de zaaknummers C/15/217307/ FA RK 14-3200 en C/15/219766/ FA RK 14-4272 de definitieve partnerbijdrage vastgesteld en is de verdeling van de eenvoudige gemeenschap vastgesteld, waarbij – kort gezegd – de woning door de rechtbank is gewaardeerd op € 945.000,-, de woning aan de man is toebedeeld en is bepaald dat de vrouw wegens onderbedeling van de man € 15.500,- (dat is 10% van de hypothecaire geldlening minus de waarde van de woning) minus 10% van de aan de hypotheek gekoppelde polis aan de man dient te voldoen.

3.2

Bij appelschrift van 25 november 2015 is verzoeker sub 1 in hoger beroep gekomen van laatstgenoemde beschikking, welke zaak is geregistreerd bij het hof onder de nummers 200.180.945/01 en 200.180.947/01. Daarbij verzoekt verzoeker sub 1 – kort gezegd – de partnerbijdrage vast te stellen op € 4.000,- bruto per maand en de verdeling tussen partijen vast te stellen in die zin dat deze (het hof begrijpt de echtelijke woning) aan hem wordt toegedeeld tegen een waarde van € 900.000,-, waarbij de ex-echtgenoot aan verzoeker sub 1 dient te vergoeden 10% van de waarde van de woning minus de hypothecaire geldlening, te verminderen met 10% van de waarde van de aan de hypotheek gekoppelde polis, subsidiair de verdeling van de eenvoudige gemeenschap drie jaar uit te sluiten.

3.3

De griffier van het hof heeft op grond van de genoemde vorderingen het griffierecht voor de verschenen partijen vastgesteld op € 1.615,-. Daarbij is uitgegaan van een vordering met een beloop van meer van € 100.000,- in hoofdsom.

3.4

Verzoekers menen dat het hoger beroep betrekking heeft op een familiezaak en dat daarom een tarief van € 311,- in rekening gebracht had moeten worden. Het hof volgt hen daarin niet. De onderhavige verdelingskwestie wordt in hoger beroep niet, zoals bij de rechtbank, behandeld als nevenverzoek bij het verzoekschrift tot echtscheiding, maar als een procedure op grond van het bepaalde in Boek 3 BW, zodat de hoogte van het griffierecht afhankelijk is van het beloop van de vordering of het verzoek waarover in eerste aanleg is geprocedeerd. In het onderhavige geval is de griffier dan ook terecht ervan uitgegaan dat voor de hoogte van het griffierecht het beloop van de vordering beslissend is.

3.5

De vraag is vervolgens van welk beloop van de vordering, dan wel het verzoek dient te worden uitgegaan. Voor zover thans van belang strekte de in dit geding ingestelde vordering in eerste aanleg, evenals in hoger beroep, tot toedeling van de echtelijke woning. Ten tijde van het instellen van het verzoek in eerste aanleg was de echtelijke woning voor 90% eigendom van verzoeker sub 1 en voor 10% van de vrouw. De woning is belast met een hypotheek van in totaal € 1.100.000,-. Tussen partijen is geen overeenstemming betreffende de aan de woning toe te kennen waarde. De rechtbank heeft de waarde van de woning, na een taxatie, vastgesteld op € 945.000,-, verzoeker sub 1 de mogelijkheid gegeven binnen vier maanden na de beschikking een passende financiering te regelen om de woning tegen die waarde over te nemen en bepaald dat de voormalige echtgenote, wegens onderbedeling van verzoeker sub 1, een bedrag van € 15.500,- minus 10% van de waarde van de aan de hypotheek gekoppelde polis dient te voldoen. Verzoeker sub 1 gaat in zijn appelschrift uit van een waarde van de woning van € 900.000,- en van een bedrag wegens onderbedeling aan hem van € 25.000,- minus 10% van de waarde van de polis bij overdracht. De waarde van de polis is onbekend.

3.6

Verzoeker sub 1 wenst niet slechts een woning ter waarde van € 900.000,- toebedeeld te krijgen, maar een woning die is belast met een hypothecaire geldlening. De schuld die voortvloeit uit de geldlening overtreft de waarde van de woning. De vrouw zal in het kader van de verdeling worden ontslagen uit haar verplichtingen die voortvloeien uit deze geldlening. Bij het bepalen van het beloop van de vordering dient daarom met deze geldlening rekening te worden gehouden, in die zin dat in zoverre per saldo geen positief vermogensbelang aanwezig is. Daarmee resteert de vordering van verzoeker sub 1 wegens onderbedeling, die blijkens het appelschrift € 25.000,- bedraagt (minus 10% van de polis, waarbij het hof ervan uitgaat dat dit bedrag niet meer dan € 5.000,- zal bedragen). Gezien deze bedragen dient het griffierecht gehanteerd te worden voor zaken met betrekking tot een vordering, dan wel verzoek met een beloop van meer dan € 12.500,- en niet meer dan € 100.000,- in hoofdsom.

3.7

Dit alles in aanmerking genomen heeft de griffier ten onrechte het griffierecht in deze zaak bepaald op € 1.615,-. Het hof zal het griffierecht vaststellen op € 711,-. Het verzet is dus gedeeltelijk gegrond.

4 Beslissing

Het hof:

- verklaart het verzet gedeeltelijk gegrond en gelast de griffier het in de zaak met zaaknummer 200.180.945/01 te heffen griffierecht vast te stellen op een bedrag van € 711,-;

- verklaart het verzet voor het overige ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, C.C. Meijer en J.W. Hoekzema, en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 februari 2016.