Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:734

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
200.173.218/01
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moeder eenhoofdig gezag, klemcriterium, vader reeds in gezag geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 1 maart 2016

Zaaknummer: 200.173.218/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/569858 / FA RK 14-5709

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [z] ,

appellant,

advocaat: mr. E. El Assrouti te Amsterdam,

tegen

[de moeder] ,

wonende te Frankrijk op een onbekend adres,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vader en de moeder genoemd.

1.2.

De vader is op 9 juli 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 april 2015 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/569858 / FA RK 14-5709.

1.3.

De zaak is op 16 november 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.4.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van de moeder;

- mevrouw A.R. Azimi, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

1.5.

De moeder en de gezinsvoogd namens de William Schrikker Stichting Amsterdam (hierna: de GI) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.6.

De hierna te noemen minderjarige [kind a] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder hebben beiden zowel de Franse als de Algerijnse nationaliteit. Zij zijn [in] 2002 gehuwd te Amsterdam. Hun huwelijk is op 22 oktober 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 12 juni 2013 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [kind a] [in] 2002, [kind b] [in] 2005, [kind c] [in] 2009 en [kind d] [in] 2012 (hierna gezamenlijk ook: de kinderen). De kinderen hebben zowel de Franse als de Algerijnse nationaliteit en verblijven bij de moeder. Sinds de kerstvakantie van 2014 verblijven de kinderen met de moeder in Frankrijk.

2.2.

Bij beschikking van 7 november 2006 zijn [kind a] en [kind b] onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 19 november 2015.

Bij beschikking van 15 december 2010 is [kind c] onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 19 november 2015.

Bij beschikking van 20 maart 2012 is [kind d] onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 19 november 2015.

2.3.

Ten aanzien van [kind a] en [kind b] is op 21 maart 2012 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Op 6 november 2012 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind c] en [kind d] .

De machtigingen tot uithuisplaatsing van [kind a] , [kind c] en [kind d] zijn in de loop van 2014 beëindigd, waarna zij in juli 2014 weer bij de moeder zijn geplaatst. [kind b] is in december 2014 bij de moeder teruggeplaatst.

2.4.

Bij vonnis van 7 april 2014 van de voorzieningenrechter in kort geding is het de vader verboden gedurende zes maanden na betekening van het vonnis zich te bevinden – kort gezegd – in het gebied waarin de woning van de moeder aan de [adres] te [z] is gelegen. Voorts is het de vader verboden gedurende zes maanden na betekening van het vonnis – anders dan via zijn advocaat – persoonlijk, schriftelijk, telefonisch of anderszins contact op te nemen met de moeder. Aan zowel het gebieds- als het contactverbod is een dwangsom verbonden van € 250,- voor iedere keer dat de vader niet aan het verbod voldoet. Ten slotte is bepaald dat indien het gebiedsverbod eenmaal is overtreden, het verbod bij de volgende overtreding ten uitvoer kan worden gelegd bij lijfsdwang, met de bepaling dat de gijzeling niet langer dan drie dagen per overtreding mag zijn en in totaal de duur van vijftien dagen niet mag overschrijden.

2.5.

De vader is op 13 augustus 2014 aangehouden en heeft tot 3 december 2014 in hechtenis verbleven. Hij is op 17 december 2014 veroordeeld, voor mishandeling van de moeder, tot vijf maanden gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Als bijzondere voorwaarden zijn gesteld dat de vader medewerking verleent aan reclasseringstoezicht en aan een psychologisch onderzoek – indien de reclassering dit noodzakelijk acht -, en zich onder ambulante behandeling stelt van een instelling.

2.6.

Bij beschikking van 10 december 2014 is de vader op grond van artikel 1:271 BW (oud) geschorst in de uitoefening van het gezag over de kinderen. De Raad is verzocht advies uit te brengen over de vraag of ontzetting van de vader van het gezag over de kinderen in het belang van de kinderen noodzakelijk is.

2.7.

De Raad heeft in zijn rapport van 20 maart 2015 geadviseerd het primaire verzoek van de moeder tot ontzetting van de vader uit het gezag over de kinderen af te wijzen. De Raad heeft aangegeven zich te kunnen voorstellen dat het subsidiaire verzoek, tot ontheffing van de vader van het gezag over de kinderen, wel wordt toegewezen.

Ter gelegenheid van de behandeling door de rechtbank heeft de moeder haar verzoek tot ontzetting althans ontheffing van de vader uit de ouderlijke macht ingetrokken en heeft zij haar verzoek beperkt tot een verzoek om eenhoofdig gezag.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, op verzoek van de moeder, het gezamenlijk gezag van de vader en de moeder over de kinderen beëindigd en is bepaald dat het gezag over hen voortaan toekomt aan de moeder.

3.2.

De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de moeder af te wijzen.

3.3.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Gebleken is dat het verzoekschrift in eerste aanleg door de vrouw op of omstreeks 24 juli 2014 bij de rechtbank is ingediend. Nu de kinderen op dat moment, te weten het moment dat deze procedure aanhangig werd gemaakt, hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II bis). Gelet op artikel 15, lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 dient Nederlands recht te worden toegepast.

4.2.

Ter beoordeling van het hof ligt voor de vraag of er gronden aanwezig zijn om te bepalen dat het gezamenlijk gezag over de kinderen wordt beëindigd en het gezag uitsluitend aan de moeder toekomt. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek kan een daartoe strekkend verzoek slechts worden toegewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.3.

De vader stelt dat – kort gezegd – niet aan de hiervoor beschreven maatstaf is voldaan. Het is in het belang van de kinderen dat de beide ouders met het gezag belast blijven. De moeder heeft onvoldoende gronden aangevoerd om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Niet gebleken is dat de vader de moeder in de uitoefening van het gezag heeft belemmerd. Door te verhuizen naar Frankrijk, heeft de moeder zich aan het toezicht door de GI onttrokken. Bovendien heeft zij de kinderen, terwijl zij onder toezicht stonden en terwijl sprake was van gezamenlijk gezag, zonder toestemming van de vader of de GI meegenomen naar Frankrijk, hetgeen op grond van het Verdrag betreffende burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering wordt aangemerkt als kinderontvoering. De vader wil graag betrokken blijven bij het leven van de kinderen, maar dat lukt op deze manier niet. Hij zal een verzoek indienen bij de rechtbank tot herstel van het contact tussen hem en de kinderen. Hij heeft een stabiele woonsituatie en begeleiding en behandeling van de reclassering, aldus de vader.

4.4.

De moeder voert aan dat het huwelijk tussen partijen gekenmerkt werd door huiselijk geweld. Ook na afloop van het huwelijk bestonden er grote zorgen op herhaling van het huiselijk geweld, omdat de vader haar bleef opzoeken. Dit vormde een risico voor de kinderen. Sinds de moeder met de kinderen in Frankrijk woont, gaat het goed met hen. De kinderen spreken Frans en gaan naar school. Zij wonen op een voor de vader onbekend adres, maar het adres is wel bekend bij de hulpverlening. Contact tussen de vader en de moeder is niet mogelijk, gelet op de geschiedenis van huiselijk geweld. Zeker nu zij in Frankrijk woont, is het van belang dat zij in staat is om alleen beslissingen te nemen over de kinderen, aldus de moeder.

4.5.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Voor gezamenlijk gezag is veel afstemming nodig, het vereist dat ouders met elkaar kunnen communiceren en dat zij de kinderen niet betrekken in hun onderlinge strijd. In het verleden is gebleken dat dit niet is gelukt. Het is belangrijk dat de kinderen thans rust hebben. Voorts is het van belang dat de hulpverlening in Frankrijk kan toewerken naar een vorm van contact tussen de vader en de kinderen, aldus de Raad.

4.6.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.

Het gezin heeft een lange hulpverleningsgeschiedenis, nu [kind a] en [kind b] reeds sinds 2006 onder toezicht zijn gesteld. De kinderen hebben in een onstabiele en onveilige situatie gewoond. Zij zijn jarenlang getuige geweest van huiselijk geweld dat tussen de ouders heeft plaatsgevonden. Om die reden zijn de kinderen voor langere tijd uit huis geplaatst geweest.

Beide ouders hebben een laag IQ. De moeder kampt met traumatische problematiek en is bang voor de vader. De vader heeft een lage frustratietolerantie en beperkte impulscontrole, zo meldt de Raad in zijn rapport van 20 maart 2015. Hij bleef de moeder na de echtscheiding opzoeken en gedroeg zich agressief jegens haar. Hij hield daarbij geen rekening met de aanwezigheid van de kinderen en de impact van zijn handelen op de kinderen. Aan hem is een gebieds- en contactverbod opgelegd en hij is veroordeeld voor mishandeling van de moeder. De kinderen zijn door het huiselijk geweld waar zij getuige van zijn geweest, mogelijk in combinatie met de verschillende uithuisplaatsingen, beschadigd. [kind a] , [kind b] en [kind c] hebben hierdoor te kampen met persoonlijke problematiek en zijn bang om met de vader in contact te komen. De moeder en de kinderen voelen zich veilig sinds zij sinds de kerstvakantie van 2014 in Frankrijk wonen. Zij spreken Frans, hebben daar een eigen woning en de kinderen gaan naar school.

4.7.

Het hof overweegt als volgt.

Gelet op de geschiedenis van huiselijk geweld en de angst die de moeder heeft voor de vader, is er gedurende lange tijd – en ook thans nog – geen dan wel nauwelijks communicatie tussen partijen mogelijk met betrekking tot beslissingen die over de kinderen genomen moeten worden. Mede gelet op de omstandigheid dat de moeder en de kinderen thans in Frankrijk wonen op een voor de vader onbekend adres, waardoor de moeder en met name de kinderen in een veilige omgeving beter aan hun persoonlijke ontwikkeling toekomen, is het onaannemelijk dat de communicatie tussen partijen binnenkort zal verbeteren, terwijl van de moeder gelet op het verleden op korte termijn geen inspanningen ter zake mogen worden verwacht. Het is van belang dat beslissingen ten aanzien van bijvoorbeeld de schoolkeuze of medische aangelegenheden betreffende de kinderen adequaat genomen kunnen worden. Nu de kinderen te kampen hebben met persoonlijke problematiek, staat dit belang eens te meer op de voorgrond. Indien de ouders gezamenlijk met het gezag zijn belast, zijn zij niet in staat tot het nemen van adequate beslissingen en bestaat het onaanvaardbare risico dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. Dit leidt tot de conclusie dat de gronden voor het beëindigen van het gezamenlijk gezag en het toekennen van het eenhoofdig gezag aan de moeder aanwezig zijn.

Voor zover de vader heeft willen betogen dat sprake was van kinderontvoering op het moment dat de moeder met de kinderen naar Frankrijk is gegaan, te weten in de kerstvakantie van 2014, overweegt het hof dat de vader sinds 10 december 2014 in de uitoefening van het gezag was geschorst op grond van artikel 1:271 BW (oud). Daarnaast heeft de moeder, blijkens de verklaring van de Raad ter zitting in hoger beroep, overleg gehad met de GI alvorens zij met de kinderen naar Frankrijk is gegaan. Zij is aanvankelijk, met toestemming van de GI, met de kinderen naar Frankrijk gegaan om een tijd bij familie te verblijven en daar bij te komen van de gebeurtenissen. Nadien is dit tijdelijke verblijf in overleg met de GI permanent geworden. Blijkens een verklaring van de advocaat van de moeder ter zitting in hoger beroep is nadien het hulpverleningsdossier door de GI overgedragen aan de betrokken instanties in Frankrijk. Dit alles, wat daar verder ook van zij, maakt de beslissing van dit hof niet anders.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. M. Wigleven en mr. J.W. Brunt in tegenwoordigheid van mr. D.M. Jansen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2016.